Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online


 

E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:PHR:2017:265
Parket bij de Hoge Raad, 16/02982

Inhoudsindicatie:

Belanghebbende heeft in 1998 aan één werknemers 5000 optierechten toegekend tot het verkrijgen van certificaten van aandelen in een tot haar concern behorende vennootschap, [E1] BV. Bij toekenning is reeds fl. 81.000 als loon aangemerkt. In 1999 heeft [E1] BV overwogen om naar de beurs te gaan en is belanghebbende met de houder van de optierechten overeengekomen deze optierechten tegen vergoeding niet uit te oefenen. Uiteindelijk is de beursgang niet doorgegaan en heeft de optiehouder de overeengekomen vergoeding gekregen van fl. 1.095.000. Deze vergoeding is niet opgenomen in de aangifte loonbelasting van belanghebbende. Volgens de Inspecteur is sprake van een ‘vervreemding’ als bedoeld in artikel 10a Wet LB 1964 (de zogenoemde aanvullende heffing).

De Rechtbank heeft de naheffingsaanslag gehandhaafd, maar de vergrijpboete vernietigd. Tegen de uitspraak van de Rechtbank heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld en de Inspecteur incidenteel hoger beroep (ter zake van de boete).

Het Hof heeft onder meer geoordeeld dat de begrippen ‘uitoefening’ en ‘vervreemding’ in artikel 10a, lid 1, Wet LB 1964 gelet op de parlementaire geschiedenis meer economisch dan strikt juridisch moeten worden uitgelegd. De wetgever heeft volgens het Hof beoogd om elk voordeel dat wordt behaald met optierechten die feitelijk kortlopend zijn in de belastingheffing te betrekken. De gesloten overeenkomst moest worden opgevat als een vervreemding in de zin van artikel 10a, lid 1, Wet LB 1964. Voorts heeft het Hof het incidenteel hoger beroep gegrond verklaard. Anders dan de Rechtbank oordeelde het Hof dat de Inspecteur voldoende bewijs had geleverd dat het aan het voorwaardelijk opzet van belanghebbende was te wijten dat de belasting niet is betaald.

Volgens A-G Niessen is uit het arrest HR BNB 1960/123 af te leiden dat onder het begrip ‘vervreemding’ elke rechtshandeling moet worden verstaan waardoor [toegepast op de onderhavige zaak; A-G] de aandelenoptierechten uit het vermogen in dat van een ander overgaan. De door belanghebbende genoemde arresten HR BNB 1990/209 en HR BNB 1996/238 staan daaraan zijns inziens niet in de weg. De door het Hof voorgestane (op de wetsgeschiedenis gebaseerde) ruime uitleg van het begrip vervreemding getuigt volgens de A-G niet van een onjuiste rechtsopvatting. Met deze interpretatie wordt ook verhinderd dat belastingplichtigen op een eenvoudige wijze in strijd met doel en strekking van de wet kunnen ontkomen aan de aanvullende heffing.

Ten aanzien van ’s Hofs oordeel dat de naheffingsaanslag aan de juiste belastingplichtige is opgelegd, heeft belanghebbende aangevoerd dat de ‘medewetenjurisprudentie’ niet van toepassing kan zijn in de onderhavige zaak, nu in HR BNB 2001/82 een nieuwe rechtsregel is ontwikkeld. Volgens A-G Niessen heeft in principe elke rechterlijke uitspraak terugwerkende kracht (het leerstuk van de zogenoemde temporele werking), nu zij eenmaal wordt toegepast op een geval uit het verleden. Nu geen sprake is van omgaan door de Hoge Raad, het arrest HR BNB 2001/82 een nadere uitwerking is van bestaande jurisprudentie en in dat arrest niet is voorzien in enig rechterlijk overgangsrecht, geldt de temporele werking. Derhalve is de ‘medewetenjurisprudentie’ van toepassing en kan belanghebbende als inhoudingsplichtige worden aangemerkt in de zin van artikel 6 Wet LB 1964.

Verder komt belanghebbende op tegen ’s Hofs oordeel dat terecht een vergrijpboete is opgelegd. De eerste klacht kan volgens de A-G niet slagen, nu geen sprake is van een pleitbaar standpunt (en belanghebbende uitgaat van een verkeerde rechtsopvatting). De tweede klacht ziet volgens A-G Niessen op een oordeel van het Hof dat niet onbegrijpelijk of onvoldoende is gemotiveerd. Ten derde kon het Hof ook zonder het (voorwaardelijk) opzet van de fiscale adviseur en de toerekening daarvan redelijkerwijs tot het oordeel komen dat sprake is van voorwaardelijk opzet bij belanghebbende.

De conclusie strekt ertoe het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond te verklaren.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug