Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online


 

E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:PHR:2017:248
Parket bij de Hoge Raad, 16/05127

Inhoudsindicatie:

Belanghebbende heeft in juli 2013 omgevingsvergunningen aangevraagd voor twee bouwprojecten in de gemeente Rotterdam. Als geschatte totale kosten voor de werkzaamheden heeft belanghebbende respectievelijk € 1.375.000 en € 1.875.000 opgegeven.

De Heffingsambtenaar heeft bij aanslagen van 30 oktober 2013 tweemaal leges, ten bedrage van € 100.335, van belanghebbende geheven, ter zake van het in behandeling nemen van de aanvragen voor de twee omgevingsvergunningen. Nu de totale bouwkosten voor beide projecten vallen tussen € 1.100.000 en € 2.800.000, leidt dat tot toepassing van het tarief in categorie IX van de Tarieventabel. In deze categorie bedraagt het tarief van de leges een vast bedrag van € 100.335.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslagen, stellende dat de Tarieventabel, gezien de heffingsstructuur daarvan, onverbindend is. Na ongegrondverklaring van de bezwaren, heeft de Rechtbank in beroep overwogen dat het gemeenten in beginsel vrij staat die heffingsmaatstaven in de belastingverordeningen op te nemen die het beste passen binnen het gemeentelijke beleid en de praktijk van de belastingheffing. Voor rechterlijk ingrijpen is pas plaats indien de gekozen tariefstelling leidt tot willekeurige of anderszins onredelijke belastingheffing die de (formele) wetgever niet op het oog kan hebben gehad.

De Rechtbank heeft voor de beoordeling of er aanleiding is voor rechterlijk ingrijpen, het navolgende toetsingskader aangelegd. Eerst dient te worden vastgesteld of in een concreet geval sprake is van een willekeurige en onredelijke heffing. Vervolgens dient te worden nagegaan of sprake is van een regeling waarbij het de opstellers tijdens het opstellen van die regeling duidelijk moest zijn dat die regeling leidt tot een legesheffing waarvoor de (formele) wetgever niet heeft bedoeld hen de bevoegdheid te geven. Als ook dit het geval is, dient de Heffingsambtenaar te motiveren waarom ondanks de gekozen maatstaf er toch geen sprake is van willekeurige of onredelijke heffing.

De Rechtbank is tot de conclusie gekomen dat de Tarieventabel op zichzelf tot een legesheffing leidt waarvan het de gemeentelijke wetgever duidelijk moest zijn dat dit leidt tot een willekeurige en onredelijke belastingheffing. Dat wordt veroorzaakt door de indeling in categorieën van bouwkosten, waarbinnen een vast bedrag aan leges wordt geheven. De Rechtbank heeft erop gewezen dat zowel binnen een categorie aanzienlijke verschillen ontstaan in het te betalen percentage, als ook op de grens van de verschillende categorieën. Er is sprake van een zogeheten ‘zaagtandtarief’. Bij wege van voorbeeld noemt de Rechtbank onder meer: Zo bedragen bij een bouwsom van € 15.400,- de leges 4 % en bij een bouwsom van € 15.400,01, 9,25 %. Bij een bouwsom van € 530.000,- zijn de leges 4,81 %, bij een bouwsom van 530.000,01, 9,51 %. De Rechtbank is daarom gekomen tot het oordeel dat enige evenredigheid tussen de hoogte van de leges en de hoogte van de bouwsom ontbreekt en dat er geen verband is te zien tussen de hoogte van de bouwsom en de hoogte van de leges als percentage daarvan.

De Rechtbank heeft de door de Heffingsambtenaar aangevoerde motiveringen, om desondanks vast te houden aan de keuze voor deze heffingsmaatstaf, ontoereikend geacht. Dat betekent dat de Tarieventabel in zoverre onverbindend is en de op basis daarvan opgelegde aanslagen moeten worden vernietigd. Het Hof heeft de uitspraken van de Rechtbank bevestigd.

Het College komt tegen de Hofuitspraak thans op in cassatie, onder aanvoering van twee middelen. Het eerste middel behelst dat het Hof ten onrechte niet slechts is uitgegaan van de bouwkosten en tarieven welke gelden voor belanghebbende, maar de verordening ‘in abstracto’ heeft getoetst.

De A-G merkt op dat de rechterlijke beoordeling van een bepaalde door een gemeente opgelegde belastingaanslag mede omvat de beoordeling of die gemeente met de aan de belastingaanslag ten grondslag liggende verordening, is gebleven binnen de begrenzingen welke daaraan worden gesteld ingevolge de Gemeentewet. Een dergelijke toetsing, welke immers ziet op het recht, is niet beperkt tot de feiten van het voorgelegde geval, maar dient integraal plaats te vinden. Ook indien andere situaties dan de concreet voorgelegde, op regelgevend niveau, leiden tot willekeurige en onredelijke effecten, volgt de onverbindendheid van de verordening. Aldus opgevat heeft het Hof volgens de A-G terecht ‘in abstracto’ getoetst.

Overigens heeft het College nog gesteld dat het Hof, als belastingrechter, niet bevoegd zou zijn om ‘in abstracto’ een algemeen verbindend voorschrift te toetsen. De A-G meent daarentegen dat dit mede behoort tot de exclusieve bevoegdheid van de (fiscale) bestuursrechter/belastingrechter. Het eerste middel faalt.

Het tweede middel strekt ten betoge dat hier geen sprake zou zijn van een heffingsstructuur welke leidt tot een willekeurige en onredelijke legesheffing. De A-G is van mening dat het niet zo is dat het hanteren van een ‘zaagtandsgewijs’ lopende tarievenstructuur, reeds in het algemeen, moet leiden tot willekeurige en onredelijke heffing. De gekozen heffingsstructuur mag echter nimmer kunnen leiden tot onverklaarbare, grote verschillen in heffingsdruk tussen de opvolgende categorieën, zoals dat volgens de A-G hier het geval is. Ook het tweede middel faalt.

De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam ongegrond dient te worden verklaard.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug