Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online

U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Behandeling van drugs- en alcoholverslaafden met het middel ibogaïne. Causaal verband tussen de door verdachte verrichte gedraging - het behandelen van X met ibogaïne - en de hartstilstand van X. Kan hartstilstand redelijkerwijs a.g.v. die gedraging aan verdachte worden toegerekend? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2012:BT6362 m.b.t. het redelijkerwijs toerekenen van een gevolg aan verdachte. In ’s Hofs overwegingen ligt als oordeel van het Hof besloten dat de hartstilstand die X heeft ondervonden redelijkerwijs als gevolg van de bewezenverklaarde toediening van ibogaïne kan worden toegerekend aan verdachte. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Hof heeft o.m. vastgesteld dat de hartstilstand die X heeft ondervonden is ontstaan kort na diens behandeling met ibogaïne door verdachte, dat het optreden van hartritmestoornissen, mogelijk leidend tot een hartstilstand, een bekende bijwerking is van het gebruik van ibogaïne en dat van enige andere, buiten het gebruik van ibogaïne gelegen oorzaak voor die hartstilstand niet is gebleken. Daarin ligt niet alleen als ’s Hofs oordeel besloten dat de toediening van ibogaïne door verdachte een onmisbare schakel kan hebben gevormd in de gebeurtenissen die hebben geleid tot het optreden van de hartstilstand, maar ook dat die hartstilstand met tenminste de vereiste aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door die toediening is veroorzaakt.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Conclusie



Nr. 15/04948

Zitting: 14 februari 2017

mr. P.C. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

Bij arrest van 9 oktober 2015 van het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, is het vonnis van de meervoudige strafkamer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 12 november 2014 bevestigd met uitzondering van de beslissingen ten aanzien van het onder 1, 5 en 7 tenlastegelegde, de opgelegde straf en de beslissingen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen. In zoverre heeft het hof het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan. Verdachte is bij het vonnis van de rechtbank veroordeeld wegens 2A. “opzettelijk iemand tot wiens onderhoud, verpleging of verzorging hij krachtens wet of overeenkomst verplicht is, in een hulpeloze toestand brengen of laten”, 4. “overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 18 van de Geneesmiddelenwet , opzettelijk begaan en overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 40 van de Geneesmiddelenwet , opzettelijk begaan ”, en 8. “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod ”. Het hof heeft verdachte opnieuw rechtdoende veroordeeld wegens 1. “als degene die, niet ingeschreven staande in een register, bij het verrichten van handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg buiten noodzaak schade aan de gezondheid van een ander veroorzaken”, 5. “overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 40 van de Geneesmiddelenwet , opzettelijk begaan ”, en 7. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod ”. Het hof heeft verdachte veroordeeld tot 1 (één) maand hechtenis met een proeftijd van 3 (drie) jaren ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde en een gevangenisstraf voor de duur van 141 (honderdeenenveertig) dagen met aftrek zoals bedoeld in art. 27(a) Sr ter zake van het onder 2A, 4, 5, 7 en 8 bewezenverklaarde. Voorts heeft het hof beslissingen genomen betreffende schade als nader in het arrest omschreven.

Namens de verdachte heeft mr. P.H.L.M. Souren, advocaat te Amsterdam, vijf middelen van cassatie voorgesteld.

Het gaat in deze zaak – kort gezegd – om het volgende. Verdachte bood vanaf 1999 hulp aan (onder meer) drug- en/of alcoholverslaafden door behandeling met het middel ibogaïne. Ibogaïne is een niet geregistreerd (genees)middel en is afkomstig uit de wortels van de plant Iboga. Ibogaïne bevat stimulerende en hallucinogene stoffen. Door gebruik van het middel zou de behoefte aan het middel waaraan men verslaafd is afnemen. Gebruik van ibogaïne bergt echter (vooral bij hoge doseringen) ook risico’s in zich, zoals het risico op hartritmestoornissen. De behandelingen die verdachte aan verslaafden gaf, vonden plaats in en vanuit haar woning. Verdachte is niet geregistreerd als arts (of anderszins erkend als hulpverlener). In de afgelopen jaren hebben zich incidenten voorgedaan met personen die bij verdachte onder behandeling waren. Door deze incidenten kwam verdachte onder de aandacht van politie en justitie, hetgeen uiteindelijk heeft geleid tot deze strafzaak. Waar het in deze strafzaak (onder meer) om gaat, is of verdachte haar (zorg)verplichtingen is nagekomen jegens enkele personen die zij heeft behandeld en of haar een verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van de incidenten die hebben plaatsgevonden. De voorgestelde middelen richten zich op de onder 1 en 2A bewezenverklaarde feiten. De toetsing in cassatie beperkt zich derhalve tot voornoemde feiten.

Het eerste middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring van feit 1. In het bijzonder voert het middel daartoe aan dat het hof ten onrechte, althans op onjuiste gronden, heeft aangenomen dat tussen het toedienen van ibogaïne en het optreden van de hartstilstand van [slachtoffer 1] een oorzakelijk verband bestaat.

Ten laste van verdachte heeft het hof onder 1 bewezenverklaard dat:

“zij op of omstreeks 25 augustus 2011 te Kockengen, terwijl zij, verdachte, niet ingeschreven stond in een register (overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 eerste lid van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (het zogenaamde BIG-register)), buiten noodzaak een behandeling heeft verricht en/of uitgevoerd op het gebied van de individuele gezondheidszorg, te weten behandeling bij [slachtoffer 1] door behandeling met en/of toediening van iboga(ïne) zijnde een middel (dat)

- na toediening en/of inname van (vooral hoge(re)) doseringen een of meer klinische bijwerking(en) kan veroorzaken, waaronder ernstige en/of levensbedreigende en/of risicovolle) bijwerkingen zoals cardiotoxiciteit en/of neurotoxiciteit) en zij schade aan de gezondheid van die persoon heeft veroorzaakt

- bestaande die schade hieruit dat voornoemde [slachtoffer 1] een hartstilstand heeft ondervonden;”

6. Daartoe heeft het Hof, blijkens de aanvulling verkort arrest, de navolgende bewijsmiddelen gebezigd:

“1. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1], brigadier van politie, opgemaakt proces-verbaal, gedateerd 20 juni 2012, dossierpagina 3-11 (ordner 1 van het onderzoeksdossier), voor zover inhoudende als relaas en/of bevindingen van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

In de plaats Kockengen, gemeente Stichtse Vecht, aan [a-straat 1], woont [verdachte]. Ook geeft zij aan mensen te helpen met diverse fobieën en angsten. [verdachte] gebruikt hiervoor een middel ibogaïne. Ibogaïne is de werkende stof afkomstig van een Afrikaanse plant, de Tabernanthe Iboga. [verdachte] is voor zover bekend niet geregistreerd als arts of anderzijds erkend hulpverlener ingeschreven. De behandelingen vinden plaats in en vanuit haar woning gelegen aan de [a-straat 1] te Kockengen.

Op 25 augustus 2011 is er een onwelwording op het adres [a-straat 1] te Kockengen. Hierbij heeft het slachtoffer, [slachtoffer 1], een hartstilstand gekregen na het innemen van vermoedelijk iboga c.q. ibogaïne. [slachtoffer 1] was op 25 augustus 2011 bij [verdachte] gebracht. In de woning van [verdachte] kreeg [slachtoffer 1] een dosis ibogaïne.

2. Het verhoor door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3], respectievelijk inspecteur en hoofdinspecteur van politie Kanton Borgloon, genummerd TG.L2.001752/2012, gedateerd 13 april 2012, dossierpagina 557 (ordner 2 van het onderzoeksdossier) voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1], zakelijk weergegeven:

Ik heb op 25 augustus 2011 bij [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) ibogaïne gebruikt. Ik had een hartstilstand daardoor. Ik kreeg de ibogaïne van [verdachte].

3. Het proces-verbaal van verhoor van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Utrecht van 15 december 2011, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Het klopt dat ik [slachtoffer 1] (het hof begrijpt: [slachtoffer 1]) in behandeling heb gehad. U zegt mij dat ik daarbij het middel ibogaïne zou hebben gebruikt. Dat klopt, ik gebruik het middel iboga.

4. Het proces-verbaal van de terechtzitting van dit hof van 1 september 2015, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Ik behandel sinds 1999 mensen met ibogaïne. De personen die ik behandel, zijn verslaafden. Mensen die van opiaten afkomen, hebben afkicksymptomen. Ik weet hoe die eruit zien en hoe ik ze kan bestrijden. Ik geef doses die effect hebben.

Ik kan me niet herinneren wat er gebeurde op het moment dat [slachtoffer 1] onwel werd. Het onwelworden was een paar uur na de inname van ibogaïne.

5. Het rapport ‘Ibogaïne, een anti-verslavingsmiddel (?)’, opgemaakt door prof. dr. E.Ch. Wolters, neuroloog, gedateerd 3 januari 2012, dossierpagina 30-54 (ordner 1 van het forensisch dossier), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Bekend was dat ibogaïne werkzame stoffen bevat die vele neurotransmittersystemen in de hersenen tegelijkertijd kunnen activeren. Toen de uitgesproken neurotoxiciteit en later ook cardiotoxiciteit van ibogaïne aan het licht kwam, nam de populariteit van dit middel snel af.

Bijwerkingen van genoemde ibogaïne bestaan vooral uit de onherstelbare beschadiging van cerebellair weefsel bij doseringen uitstijgend boven 25 mg/kg, met tremoren en ataxie, alsook de inhibitie van de cholinesterase inhibitor waardoor cholinerge toxiciteit kan ontstaan met neurovegetatieve verschijnselen zoals bradycardie, verwardheid en zelfs een delirant toestandsbeeld.

Het feit dat er de laatste jaren geen klinisch onderzoek meer gedaan is, heeft naar alle waarschijnlijkheid te maken met de inmiddels gepubliceerde fataal verlopende behandelingen door de cardio- en neurotoxiciteit van ibogaïne.

De voornaamste bijwerkingen van (vooral hogere) doseringen ibogaïne zijn een al snel na inname optredende en 4-24 uur aanhoudende tremor en ataxie (een onvermogen zich goed gecoördineerd te bewegen met daardoor een verstoorde lichaamsbalans), misselijkheid, braken en xerostomie (droge ogen), alsook een daling van de bloeddruk en hartslag, en soms het optreden van een verhoogde sinus arithmie, ventrikelfibrilleren en een verlengde QT interval.

Ibogaïne heeft een direct en indirect effect op het cholinerge transmissiesysteem in het autonome zenuwstelsel. Hierdoor kan zelfs al bij een uitgesproken lage dosering het sympathische zenuwstelsel geactiveerd worden, waardoor fight-or-flight reacties kunnen optreden met een verhoogd risico op ventrikelfibrilleren en/of verlengde QT-interval.

In geval van hogere doseringen zal veeleer een parasympathische (vagale) overheersing ontstaan waarbij een geveinsde dood (‘freezing’) kan optreden en waarbij een plotse angstaanval met excitatie van de sympathische structuren in de linker hersenhelft eveneens tot ritmestoornissen kunnen leiden.

Gezien de uitgesproken cardio- en, vooral bij toepassing van hogere doseringen optredende, neurotoxiciteit - met name gezien de hierbij soms optredende dodelijke afloop na behandeling met ibogaïne - is dit middel door de Europese en Amerikaanse medische autoriteit niet erkend als geneesmiddel.

6. Het ‘Rapport betreffende ibogaïne’, opgemaakt door drs E. Fromberg, gedateerd 29 juni 2012, dossierpagina 73-95 (ordner 1 van het forensisch dossier), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

In het algemeen is ibogaïne niet zeer toxisch, maar er zijn twee zaken die hier om nadere aandacht vragen: invloed op het zenuwstelsel (neurotoxiciteit) en op het hart (cardiotoxiciteit).

We zagen al dat ibogaïne de hartfrequentie verlaagt evenals de slagkracht. Het meest recente onderzoek wijst uit dat ibogaïne de functie van een kaliumkanaal, dat zorgt voor de tijdige repolarisatie van de hartspiercel, remt, wat kan leiden tot hartritmestoornissen en plotselinge hartdood. Er bestaat dus een gevaar voor hartcomplicaties.

7. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de meervoudige strafkamer in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 18 juni 2014, voor zover inhoudende als verklaring van deskundige E.C.M.J. Wolters, zakelijk weergegeven:

In 2013 is een artikel verschenen waarin gevallen gerapporteerd zijn van cardiotoxiciteit en waarvan wetenschappelijk is vastgesteld dat dit een effect was van het gebruik van ibogaïne. De bijwerkingen die zijn geconstateerd, zoals neurotoxiciteit, zijn zowel bij mensen als bij proefdieren vastgesteld. Als het gaat om neurotoxiciteit hebben we het over de in proefdieren geobserveerde aantasting en afsterving van zenuwcellen in de kleine hersenen. Er zijn in de literatuur gevallen bekend van mensen die een hartafwijking hadden en overleden zijn. Bekend is dat één man die met ibogaïne werd behandeld en waarvan duidelijk was dat hij een hartafwijking had, is overleden.

8. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de meervoudige strafkamer in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 18 juni 2014, voor zover inhoudende als verklaring van deskundige E. Fromberg, zakelijk weergegeven:

Onderzoekers concluderen bij een bepaalde dosering ibogaïne dat neurotoxiciteit optreedt. Grondig vooronderzoek moet door een medicus plaatsvinden gelet op de cardio- en neurotoxiciteit van ibogaïne. Bij hartproblemen zou je niet in aanmerking komen voor de behandeling.”

7. Voorts heeft het hof in zijn arrest van 9 oktober ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

(…) het betreft de in de tenlastelegging genoemde schade die [slachtoffer 1] heeft opgelopen, te weten een hartstilstand. Deze gezondheidsschade is kort na de behandeling met iboga(ïne) ontstaan, terwijl uit de deskundigenrapportages en verklaringen van de deskundigen Wolters en Fromberg kan worden afgeleid dat hartritmestoornissen - die kunnen leiden tot een hartstilstand - een bekende bijwerking van het gebruik van iboga(ïne) vormen. Gelet hierop en in aanmerking nemend dat enige andere, buiten het gebruik van ibogaïne gelegen oorzaak voor het bij [slachtoffer 1] ontstaan van die hartstilstand niet is gebleken of aannemelijk is geworden, is het hof van oordeel dat tussen de toediening van de ibogaïne en het optreden van de hartstilstand een oorzakelijk verband bestaat.

De aldus opgetreden hartstilstand kan naar het oordeel van het hof worden aangemerkt als een (tijdelijke) verslechtering van de lichamelijke gesteldheid en daarmee als schade in de zin van artikel 96 van de Wet BIG . De behandeling met iboga (ïne) vond buiten noodzaak plaats en de schade is derhalve ook buiten noodzaak veroorzaakt.

Voorafgaand aan de behandeling heeft [slachtoffer 1] zijn hart laten onderzoeken bij een cardioloog. Nu er door de cardioloog geen afwijkingen waren geconstateerd, en ook anderszins niet gebleken is van een gezondheidssituatie waarin de toediening van ibogaïne bij [slachtoffer 1] tot hartfalen zou kunnen leiden, kan niet worden gesteld dat verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat haar handelen bij [slachtoffer 1] een hartstilstand of de aanmerkelijke kans daarop zou veroorzaken. Van afwezigheid van alle schuld is echter geen sprake, nu hartritmestoornissen - welke kunnen leiden tot een hartstilstand - blijkens de deskundigenrapportages en verklaringen van de deskundigen Wolters en Fromberg een bekende bijwerking van ibogaïne vormen.

Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] buiten noodzaak heeft behandeld met ibogaïne, ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] een hartstilstand heeft ondervonden.”

8. De steller van het middel citeert enkele overwegingen uit het arrest van 27 maart 2012 (Groninger HIV-zaak) waarin de regels omtrent het aannemen van causaal verband zijn uiteengezet. Voor de beantwoording van de vraag of causaal verband bestaat tussen de door de verdachte verrichte gedragingen (de behandeling van [slachtoffer 1] met iboga(ïne)) en het ingetreden gevolg (de hartstilstand van de hiervoor bedoelde [slachtoffer 1]) geldt als maatstaf of de hartstilstand van [slachtoffer 1] redelijkerwijs als gevolg van de behandeling met iboga(ïne) aan verdachte kan worden toegerekend. Doorgaans is bij de beantwoording van de vraag of in strafrechtelijke zin causaal verband bestaat niet aan twijfel onderhevig dat in de keten van gebeurtenissen de gedraging van de verdachte een noodzakelijke factor is geweest voor het ingetreden gevolg, maar gaat het daarbij vooral erom of het ingetreden gevolg redelijkerwijs aan (de gedraging van) de verdachte kan worden toegerekend. In eerdere rechtspraak is onder meer beslist dat van belang kan zijn in hoeverre de verdachte met zijn gedragingen de kans op het intreden van het gevolg heeft verhoogd, dat enerzijds bepaald meer moet worden vastgesteld dan dat niet kan worden uitgesloten dat het gevolg door de gedraging is veroorzaakt, maar dat anderzijds aan het aannemen van het causaal verband niet in de weg behoeft te staan een hoogst onwaarschijnlijke mogelijkheid dat een andere omstandigheid die geen verband houdt met de gedraging van de verdachte tot het gevolg heeft geleid of dat niet geheel kan worden uitgesloten dat latere handelingen van derden mede hebben geleid tot het gevolg.

9. Blijkens de toelichting op het middel wordt kennelijk het door het hof (nogal impliciet) toegepaste criterium niet betwist, maar wordt gesteld dat het gedrag van verzoekster geen onmisbare schakel heeft gevormd in de gebeurtenissen die tot de hartstilstand hebben geleid, almede – en ik citeer – “dat ook aannemelijk is dat het gevolg met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door de gedraging van verzoekster is veroorzaakt, immers in de gegeven omstandigheden was de gedraging van verzoekster (toedienen van ibogaïne aan [slachtoffer 1]) niet naar haar aard reeds geschikt om het gevolg te weeg te brengen en tevens is niet gebleken dat het toedienen van ibogaïne naar ervaringsregels van dien aard is dat het toedienen daarvan het vermoeden wettigt dat deze heeft geleid tot het intreden van de hartstilstand.”

10. Het komt er op neer dat het hof kennelijk niet kon oordelen dat de gedraging(en) van verdachte een onmisbare schakel kan hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot de hartstilstand van [slachtoffer 1] hebben geleid, alsmede dat ook aannemelijk is dat de hartstilstand van [slachtoffer 1] met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door de gedraging van verdachte is veroorzaakt. Bij de beoordeling daarvan kan als hulpmiddel dienen of in de gegeven omstandigheden de gedraging van de verdachte naar haar aard geschikt is om dat gevolg teweeg te brengen en bovendien naar ervaringsregels van dien aard is dat zij het vermoeden wettigt dat deze heeft geleid tot het intreden van het gevolg. Daarbij kan ook worden betrokken in hoeverre aannemelijk is geworden dat ten verwere gestelde andere, niet aan de gedraging van de verdachte gerelateerde oorzaken hoogstwaarschijnlijk niet tot dat gevolg hebben geleid.

11. Uit de verklaring van [slachtoffer 1] (bewijsmiddel 2) komt naar voren dat verdachte hem ibogaïne verstrekte en dat hij na het gebruik daarvan een hartstilstand kreeg. Dit wordt in zoverre door de verklaringen van verdachte bevestigd (bewijsmiddelen 3 en 4) dat zij heeft verklaard bij de behandeling van [slachtoffer 1] ibogaïne te hebben gebruikt en dat hij een paar uur na het gebruik onwel werd. Dit levert op zijn minst een duidelijk temporeel verband op tussen het gebruik van ibogaïne en de hartstilstand. In zijn verklaring gaat [slachtoffer 1] (bewijsmiddel 2) echter nog verder: “ik had een hartstilstand daardoor.” Daarbij neem ik in aanmerking dat verdachte heeft verklaard (bewijsmiddel 4): “Ik geef dosis die effect hebben.” Hiermee is er een duidelijke aanwijzing dat er meer is dan een temporeel verband. Het gaat sterk in de richting van het gebruik van ibogaïne als onmisbare schakel (condicio sine qua non) van de hartstilstand. Voor het slachtoffer is het kennelijk zo en het door verdachte gememoreerde korte tijdsverloop van enkele uren wijst er op. Het in het oordeel van het hof besloten liggende oordeel dat dat het gebruik van ibogaïne een onmisbare schakel heeft gevormd voor de hartstilstand acht ik – overigens mede in het licht van de voor het bewijs gebruikte oordelen van deskundigen - niet onbegrijpelijk.

12. Het lijdt geen twijfel dat het in de overwegingen van het hof besloten liggende oordeel dat de hartstilstand met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door het verstrekken van ibogaïne is veroorzaakt, bepaald niet onbegrijpelijk is. Op basis van de voor het bewijs gebruikte deskundigenverslagen en de verklaring ter zitting van een deskundige (bewijsmiddelen 5, 6 , 7 en 8) kon het hof tot dit oordeel komen. Wetenschap en ervaring leert de deskundigen het volgende. De stof is cardiotoxisch en kan zelfs tot de dood leiden (bewijsmiddel 5). Er bestaat in ieder geval gevaar voor hartcomplicaties (bewijsmiddel 6) en dat is voor een bewezenverklaring van het oorzakelijk verband toereikend. In verband met (onder meer) cardiotoxiteit is grondig onderzoek door een medicus noodzakelijk (bewijsmiddel 8). In het oordeel van het hof ligt daarmee niet onbegrijpelijk besloten dat het toedienen van ibogaïne naar haar aard reeds geschikt is om een hartstilstand teweeg te brengen en dat zulks zich hier heeft gerealiseerd. Dit oordeel van het hof wordt nog versterkt doordat enige andere oorzaak voor de hartstilstand niet aannemelijk is geworden.

13 Het eerste middel faalt.

14. Het tweede, derde, vierde en vijfde middel klagen over de motivering van de bewezenverklaring van feit 2A. Alvorens ik deze middelen bespreek, geef ik de bewezenverklaring, de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen, alsmede de nadere overwegingen weer.

15. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank voor wat betreft het onder 2A bewezenverklaarde bevestigd. Blijkens het vonnis van de rechtbank is ten laste van verdachte bewezenverklaard dat verdachte:

“in de periode van 01 maart 2011 tot en met 19 maart 2011 te Breukelen, opzettelijk [slachtoffer 2], tot wiens verzorging zij, verdachte, krachtens overeenkomst verplicht was, in een hulpeloze toestand heeft gebracht en gelaten,

- door [slachtoffer 2] te behandelen met iboga(ïne) - zijnde een middel dat na inname van vooral hogere doseringen iboga(ïne) een of meer klinische bijwerkingen kan veroorzaken waaronder (ernstige en/of levensbedreigende en/of risicovolle) bijwerkingen zoals cardiotoxiteit en/of neurotoxiteit -door deze een of meer capsule(s) iboga(ïne) te verstrekken en/of toe te dienen en/of laten innemen,

hebbende zij, verdachte,

- niet adequaat, begeleid na de inname van iboga(ïne) en

- nadat [slachtoffer 2] een nadere dosis iboga(ïne) had ingenomen en hallucineerde en in een verwarde toestand verkeerde naar een hotel gebracht en [slachtoffer 2] daar in een hallucinerende/verwarde toestand alleen achtergelaten zonder te voorzien in adequate (para-)medische zorg;”

16. Hieraan liggen de volgende bewijsoverwegingen ten grondslag:

“4.3.1 Het bewijs

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Ten aanzien van feit 2A

Verdachte heeft verklaard dat op 16 maart 2011 [slachtoffer 2] (de rechtbank begrijpt [slachtoffer 2]) bij haar kwam. De moeder van [slachtoffer 2], [betrokkene 1] heeft verklaard dat [slachtoffer 2] naar Nederland ging om de behandeling met ibogaïne te ondergaan. Van te voren was er contact over hoe de behandeling zou gaan en wat de voorwaarden waren, ook qua gezondheid. De behandeling verliep, blijkens de verklaring van verdachte, goed tot 18 maart 2011 omstreeks 21.00 uur. [slachtoffer 2] begon agressief te worden en had het idee dat hij achtervolgd werd. Op dat moment zat hij echter gewoon tv te kijken. Hij wilde weg en stond erop dat verdachte hem naar een hotel bracht. Onderweg bleef hij agressief en tijdens het rijden begon hij aan het stuurwiel van de auto te trekken. Verdachte heeft hem bij het hotel afgeleverd.

Tijdens een telefoongesprek op 3 april 2011 met een NN-man zegt verdachte het volgende: ‘En plotseling ’s avonds veranderde hij (...). Zijn bewegingen en ogen waren zo agressief. (...) We zijn een eindje gaan rijden (...) hij zei tegen me “er zijn mensen die mij willen vermoorden, in jouw huis of buiten! (...) En ehh toen zei hij: “je moet me naar HOTEL BREUKELEN brengen”. (...) ’t is alsof hij zelfde IBOGA heel snel verbrandde! Weetje, sommige mensen doen dat.’

De vriendin van medeverdachte [betrokkene 2], [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3]) heeft verklaard dat zij op 18 maart 2011 met [betrokkene 2] naar verdachte is gegaan. Verdachte vertelde [betrokkene 3] dat de jongen (de rechtbank begrijpt [slachtoffer 2]) helemaal in paniek was. Hij zag allemaal rare dingen. Verdachte heeft de jongen naar hotel Breukelen gebracht. [betrokkene 3] is vervolgens samen met medeverdachte [betrokkene 2] naar het hotel toe gegaan. De jongen maakte op getuige een paranoia/schichtige indruk.

Getuige [betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 4]) heeft verklaard dat [slachtoffer 2] na aankomst een testdosis heeft ingenomen en diezelfde avond de hoofddosis heeft gehad. Later, voor het ongeluk, heeft hij nog een keer een dosis ingenomen. Dit wist getuige [betrokkene 4] van verdachte.

Ibogaïne is een middel dat na inname van vooral hogere doseringen klinische bijwerkingen kan veroorzaken waaronder ernstige of levensbedreigende bijwerkingen zoals cardiotoxiteit en/of neurotoxiciteit.”

17. Voorts heeft de rechtbank in het door het hof bevestigde vonnis ten aanzien van het onder 2A bewezenverklaarde het volgende overwogen:

“Nadere overwegingen ten aanzien van feit 2A

In de Wet op de geneeskundige behandelovereenkomst (hierna: WGBO) (Burgerlijk Wetboek 7, titel 7, afdeling 5) is de geneeskundige behandelrelatie geregeld als overeenkomst tussen de hulpverlener en de patiënt. De bepalingen van deze regeling zijn niet alleen van toepassing op artsen maar op een ieder die geneeskundige handelingen verricht in de uitoefening van een geneeskundig beroep of bedrijf.

Artikel 7:446 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bepaalt dat onder handelingen op het gebied van de geneeskunst (mede) wordt verstaan alle verrichtingen, het onderzoeken en het geven van raad daaronder begrepen, rechtstreeks betrekking hebbende op een persoon en ertoe strekkende hem van een ziekte te genezen, hem voor het ontstaan van een ziekte te behoeden of zijn gezondheidstoestand te beoordelen.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat tussen verdachte en [slachtoffer 2] een behandelovereenkomst bestond op basis van artikel 7:446 BW . Immers, [slachtoffer 2] liet zich onder behandeling stellen van verdachte, welke behandeling ertoe strekte dat hij door toepassing van iboga/ibogaïne zou worden genezen van zijn verslaving. De behandeling zou bestaan uit het innemen van een bepaalde hoeveelheid ibogaïne.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte - kort gezegd - [slachtoffer 2] in een hulpeloze toestand heeft gebracht en gelaten. Verdachte was op grond van de door haar met [slachtoffer 2] gesloten behandelovereenkomst verplicht hem te verzorgen. Verdachte was op de hoogte van de bijwerkingen van ibogaïne. Gelet hierop had verdachte onder de gegeven omstandigheden (het plotseling optredende paranoïde gedrag vrijdagavond) [slachtoffer 2] niet zonder toezicht in het hotel mogen achterlaten. Door niet bij [slachtoffer 2] in het hotel te blijven (of op andere wijze voor begeleiding te zorgen) heeft verdachte [slachtoffer 2] verwijtbaar in een hulpbehoevende situatie achtergelaten.

Oorzaak van overlijden

Uit het dossier volgt dat [slachtoffer 2] op 18 maart 2011 omstreeks 21.00 uur agressief en paranoïde gedrag begon te vertonen, waardoor verdachte besloot om met [slachtoffer 2] een rondje te gaan rijden om hem te kalmeren. Tijdens deze autorit zou [slachtoffer 2] tegen verdachte gezegd hebben dat zij hem naar het hotel in Breukelen moest brengen. Verdachte heeft dit gedaan. Om 22:24 uur checkte [slachtoffer 2] in bij het hotel in Breukelen. Blijkens verklaringen van het personeel van het hotel Breukelen en de verklaring van [betrokkene 1] heeft [slachtoffer 2] ook die avond in het hotel op verschillende momenten nog paranoïde gedrag vertoond. De rechtbank gaat ervan uit dat [slachtoffer 2] op dat moment hallucineerde als gevolg van de inname van ibogaïne.

Blijkens de camerabeelden van het hotel loopt [slachtoffer 2] om 03:07:45 uur op 19 maart 2011 naar buiten. Om 03:08:5 uur loopt [slachtoffer 2] van links naar rechts over de parkeerplaats. Om 03:08:52 wordt geregistreerd dat [slachtoffer 2] midden op de rijbaan loopt in de richting van de uitgang, welke bestemd is voor de voertuigen. Om 03:09:27 uur is te zien dat [slachtoffer 2] achter de vangrail loopt en vervolgens uit beeld verdwijnt. Of [slachtoffer 2] op dat moment nog hallucineerde kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld.

Diezelfde nacht om 03:55:32 werd de 112-centrale gebeld door [betrokkene 5]. [betrokkene 5] meldde dat er iemand zwaar gewond op de straat lag die net was overgestoken. Later blijkt dit [slachtoffer 2] te zijn. Wat er in de periode tussen het moment waarop [slachtoffer 2] het hotel verliet en het moment waarop hij werd aangereden door een vrachtwagen is gebeurd, is niet bekend. Dat [slachtoffer 2] ten tijde van het ongeval nog steeds, of wederom, in hallucinerende toestand verkeerde kan op basis van de beschikbare bewijsmiddelen niet worden vastgesteld. Dat [slachtoffer 2] mogelijk zelfmoord heeft gepleegd acht de rechtbank niet aannemelijk in het licht van de inhoud van het dossier, maar niet in voldoende mate kan worden uitgesloten dat de aanrijding en de dood van [slachtoffer 2] een noodlottige verkeersongeval betrof. De conclusie is dan ook dat de rechtbank niet zonder redelijke twijfel tot de vaststelling is kunnen komen dat [slachtoffer 2] als gevolg van een hallucinatie de snelweg is overgestoken en daarbij is aangereden door de vrachtwagen.

Nu het causale verband tussen het achterlaten van [slachtoffer 2] in een hulpeloze toestand en zijn dood niet vastgesteld kan worden, spreekt de rechtbank verdachte vrij van dit onderdeel van de tenlastelegging.”

18. Ik begin met het vierde middel, dat bestrijdt dat de door het hof - middels bevestiging van het vonnis van de rechtbank - voor het bewijs gebezigde verklaring van [betrokkene 3] inhoudende dat [slachtoffer 2] een paranoia/schichtige indruk maakte, voldoet aan de in art. 342, eerste lid, Sv vervatte eis dat het moet gaan om een mededeling van feiten en omstandigheden die door de getuige zelf zijn waargenomen of ondervonden.

19. Op basis van de in art. 342, eerste lid, Sv vervatte eis van waarneming of ondervinding, kan een bewezenverklaring niet worden gefundeerd op een getuigenverklaring bestaande uit gissingen of conclusies. Ik meen dat hier geen sprake is van een ongeoorloofde conclusie of gissing. [betrokkene 3] geeft immers een omschrijving van de wijze waarop het gedrag van [slachtoffer 2] op haar overkwam. Dat brengt de getuige ook tot uitdrukking door de reductie van de waarneming tot een indruk. Daarbij merk ik ten overvloede nog op dat de gewraakte passage van de verklaring van de getuige [betrokkene 3] tevens steun vindt in de overige bewijsmiddelen.

20 Het vierde middel faalt.

21. Het tweede, derde en vijfde middel klagen over de motivering van de bewezenverklaring en/of een ontoereikende reactie van het hof op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. De motiveringsklachten betreffen het opzet en de hulpeloze toestand.

22. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 1 september 2015 heeft de raadsman van verdachte verzocht zijn pleidooi zoals gevoerd in eerste aanleg als hier voorgehouden en ingelast te beschouwen. De voorzitter heeft de raadsman vervolgens meegedeeld dat het hof kennis heeft genomen van het pleidooi zoals dit in eerste aanleg is gevoerd en heeft de raadsman de gelegenheid gegeven zijn conclusies kort aan te voeren. Over de al dan niet hulpeloze toestand van [slachtoffer 2] alsmede het opzet van verdachte heeft de raadsman ter terechtzitting van het hof het volgende naar voren gebracht:

“Ik vraag me af waar de opzet van mijn cliënte op gericht zou zijn geweest. Zij heeft mensen die zich aan de onderkant van de samenleving bevonden willen helpen.

(…)

Ten aanzien van het onder 2A tenlastegelegde is het de vraag of we het gedrag van [slachtoffer 2] als het verkeren in een hulpeloze toestand kunnen omschrijven. Ik meen van niet. [slachtoffer 2] was wellicht wat trillerig en schrikkerig, maar hij was goed bij zijn verstand. Hij is afgeleverd bij het hotel, heeft sigaretten gekocht met age coins en heeft aan de bar gezeten en daar een gesprek gevoerd. Zelfs toen er een telefoontje kwam of de politie gebeld kon worden, vonden de medewerkers van het hotel dat niet nodig. Er waren geen zorgen. Er is geen sprake geweest van een hulpeloze toestand.

[slachtoffer 2] ging van kanton naar kanton om middelen te verkrijgen. Hij was aan het einde van zijn Latijn. We weten niet wat [slachtoffer 2] eventueel nog tot zich heeft genomen. Er is immers een flinke periode voorbij gegaan waarin [slachtoffer 2] andere middelen kon nemen of dingen kon doen. In ieder geval is aan hem tweemaal een drankje geserveerd.

[slachtoffer 2] is niet in een hulpeloze toestand achtergelaten. Bovendien zouden de gevolgen sowieso niet voor rekening van mijn cliënte moeten komen.

Ik heb daar persoonlijk gekeken. [slachtoffer 2] heeft een flink eind moeten lopen voordat hij bij de snelweg was. Je moet dan eerst de weg op, waarna je bij een rotonde komt en je onder de snelweg door moet. Vervolgens is er een oprit waar ruimte is gecreëerd voor opkomend verkeer. Daar is [slachtoffer 2] aangereden. Hij is niet over de vangrail geklommen. Hij is gewoon over de weg gelopen. Het is niet onaannemelijk dat iemand licht van het tankstation aan de overkant van de weg ziet en daar vervolgens naartoe wil.”

23. In de pleitnotities van de raadsman in eerste aanleg, welke ter terechtzitting van het hof als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd, is omtrent de al dan niet hulpeloze toestand van Tresh het volgende opgenomen:

“Uit de wetsgeschiedenis bij artikel 255 strafrecht blijkt dat er sprake is van hulpbehoevendheid wanneer er gevaar bestaat voor het leven of de gezondheid van een persoon terwijl de hulpbehoevende zichzelf niet kan redden.

In de zaak Millecam NS 2011.61 overwoog het Gerechtshof te Amsterdam dat de tekst van de wet noch de wetsgeschiedenis dwingen tot de opvatting dat aan het begrip hulpeloze toestand een andere betekenis dient te worden gegeven dan die naar algemeen spraakgebruik.

De verdediging is van mening dat hier geen sprake is van hulpbehoevendheid. [slachtoffer 2] pakt zelf zijn spullen in, vond een hotel, wijst de weg, checkt in, betaalt, loopt rond, koopt sigaretten, bestelt een alcoholisch drankje, voert een gesprek etcetera etcetera. Geen omstandigheid waar hulpbehoevendheid uit blijkt.

Op grond van het voorgaande dient [verdachte] te worden vrijgesproken van het onder 2A ten laste gelegde.”

24. Ten aanzien van het opzet van verdachte, houden de vermelde pleitnotities in:

“OPZET

Allereerst meent de verdediging dat er geen opzet ook niet in voorwaardelijke variant is geweest om [slachtoffer 2] in hulpeloze toestand te brengen of te laten. De opzet van [verdachte] is hulp bij verslavingsproblematiek en heeft zich binnen het redelijke gekweten van haar taak om te bezien of [slachtoffer 2] zich bevond in een gevaarlijke situatie of niet.

In twee instanties heeft [verdachte] zich vergewist van het welbevinden van [slachtoffer 2]. Daarenboven heeft [verdachte] [slachtoffer 2] overgelaten aan de zorg van het hotel en haar personeel.

Dat [slachtoffer 2] zich vervolgens heeft blootgesteld aan aanzienlijke risico’s door het drinken van alcohol, zie de verklaring van [betrokkene 6], de barman, kan en mag niet voor rekening komen van [verdachte] en haar zorgplicht. Bovendien zou [verdachte] niet hebben kunnen voorkomen dat [slachtoffer 2] ook andere drugs of middelen zou nemen. Immers [slachtoffer 2] had zich ondubbelzinnig onttrokken aan de zorg van [verdachte], zonder daarbij signalen te geven dat er sprake was van hallucinerende staat en/of verwarde toestand. [slachtoffer 2] was boos en agressief. Een beeld dat niet past bij mogelijke neveneffecten bij inname van Iboga dan wel Ibogaïne.”

25. De bewezenverklaring houdt in dat verdachte opzettelijk [slachtoffer 2] in een hulpeloze toestand heeft gebracht en gelaten en voor een veroordeling ter zake van art. 255 Sr is bewijs van dat opzet cruciaal. Of in een concreet geval kan worden aangenomen dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

26. Uit de bewijsoverwegingen van het hof volgt dat op verdachte uit hoofde van de met [slachtoffer 2] gesloten behandelovereenkomst de plicht rustte om, mede tegen de achtergrond van de wetenschap die verdachte droeg van de bijwerkingen van het middel ibogaïne en gelet op het plotseling optredende paranoïde gedrag van [slachtoffer 2], zich over [slachtoffer 2] te ontfermen en hem te verzorgen. Het komt er op neer dat, nu verdachte op de hoogte was van de bijwerkingen van ibogaïne, zij onder de gegeven omstandigheden [slachtoffer 2] niet zonder toezicht had mogen achterlaten, omdat zij zich bewust moet zijn geweest van de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 2] door de toediening van het middel ibogaïne in een hulpeloze toestand was komen te verkeren en die kans ook heeft aanvaard. In zoverre lijkt mij het opzet voldoende gemotiveerd. Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid Sv inzake opzet is mijns inziens geen sprake en voor zover daarover anders wordt gedacht bevat de bewijsmotivering van het hof een toereikende reactie.

27. Artikel 255 Sr strekt er toe een hulpbehoevende te beschermen tegen gevaren die hem bedreigen als degene die tot verzorging verplicht is zich daaraan onttrekt. Van het in een hulpeloze toestand brengen is sprake wanneer een hulpbehoevende in gevaar wordt gebracht. Het gaat er om dat gevaar bestaat voor leven of gezondheid, terwijl de hulpbehoevende zichzelf niet kan redden, aldus ook de toelichting op het middel. Vereist is dat de hulpbehoevende zichzelf niet de noodzakelijke zorg kan verschaffen en deze ook niet ontvangt van degene die daartoe verplicht en in staat is.

28. Blijkens de hiervoor weergegeven – door het hof bevestigde - bewijsoverwegingen van de rechtbank, heeft de rechtbank vastgesteld dat tussen verdachte en [slachtoffer 2] een behandelovereenkomst bestond en dat verdachte op grond van deze behandelovereenkomst verplicht was [slachtoffer 2] te verzorgen. De behandeling van [slachtoffer 2] tegen zijn verslavingen vond plaats in de woning van verdachte en bestond er (onder meer) uit dat [slachtoffer 2] het middel ibogaïne werd toegediend. Tevens heeft de rechtbank vastgesteld dat [slachtoffer 2] na de inname van ibogaïne plotseling paranoïde gedrag vertoonde, dat [slachtoffer 2] kennelijk niet langer bij verdachte thuis wilde blijven en aan verdachte vroeg hem naar een hotel te brengen. Verdachte heeft [slachtoffer 2] vervolgens naar een hotel naast de A2 gebracht. Onderweg in de auto bleef [slachtoffer 2] agressief en trok hij aan het stuur van verdachte. Ook tijdens zijn verblijf bij het hotel heeft [slachtoffer 2] nog meerdere malen paranoïde gedrag vertoond. Op basis daarvan gaat de rechtbank er van uit dat [slachtoffer 2] hallucineerde als gevolg van de inname van ibogaïne.

29. Het oordeel van het hof omtrent de hulpeloze toestand van [slachtoffer 2] moet aldus worden verstaan dat, tegen de achtergrond van de bijwerkingen van het middel ibogaïne en gelet op het plotseling optredende paranoïde gedrag van [slachtoffer 2], de hulpeloze toestand van [slachtoffer 2] hieruit bestond dat hij onder invloed van ibogaïne paranoïde gedrag vertoonde en hallucineerde. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Ik neem daarbij ook in aanmerking dat anders dan kennelijk de steller van het middel meent, onderbrenging in een hotel gelet op de omstandigheden van het geval niet een adequate wijze van hulp was. Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid Sv inzake de hulpeloze toestand is mijns inziens geen sprake en voor zover daarover anders wordt gedacht bevat de bewijsmotivering van het hof een toereikende reactie.

30 Het tweede, derde en vijfde middel falen.

31. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

32. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

33. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

HR 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6362, NJ 2012/301 m.nt. N. Keijzer.

HR 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6362, NJ 2012/301 m.nt. N. Keijzer.

Vgl. HR 30 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9666, NJ 2005/69.

HR 3 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6907, NJ 2008/343.

Vgl. HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV8535, NJ 2007/48 en HR 28 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0247, NJ 2007/49.

HR 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6362, NJ 2012/301 m.nt. N. Keijzer, r.o. 2.4.4.

HR 20 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8303, NJ 2006/86, r.o. 3.5.

HR 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6362, NJ 2012/301 m.nt. N. Keijzer, r.o. 2.4.4.

G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2014, (achtste druk), p. 777-779.

Zie voor een soortgelijke getuigenverklaring, waarvan het gebruik door de Hoge Raad toelaatbaar werd geacht HR 28-03-2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8270, NJ 2007/526, r.o. 3.3 en 3.5.

Smidt II, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, (tweede druk), Tweede deel, p. 360.

Smidt II, p. 359-361.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature