Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online


 

E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:PHR:2017:199
Parket bij de Hoge Raad, 16/03040

Inhoudsindicatie:

Belanghebbende woonde in België. Belanghebbende was bestuurder van een B.V., zijnde een houdster- en financieringsmaatschappij, met als enig aandeelhouder de in Israël gevestigde vennootschap [B].

De B.V. heeft in 1999 en 2000 enkele deelnemingen verkocht. Uit de opbrengsten daarvan heeft de B.V. een grote, ongedekte, geldlening verstrekt aan haar moedermaatschappij [B]. De lening van de B.V. aan haar moedermaatschappij beliep in 2002 ruim € 55 miljoen.

Op 24 december 2002 is de feitelijke zetel van de B.V., door uitvoering van een daartoe strekkend stappenplan, verplaatst van Nederland naar Israël. Belanghebbende is na deze verplaatsing afgetreden als bestuurder van de B.V..

In 2008 is de moedermaatschappij [B] in deconfiture geraakt. De vordering van de B.V. op haar moedermaatschappij werd daardoor onverhaalbaar. Hierdoor kon de B.V. niet meer aan haar betalingsverplichtingen voldoen. De B.V. heeft de aan haar opgelegde aanslagen vennootschapsbelasting over de jaren 1999 tot en met 2002 onbetaald gelaten.

De Ontvanger heeft belanghebbende en twee medebestuurders van de B.V., als belast met de verplaatsing van de zetel naar Israël, hoofdelijk aansprakelijk gesteld op grond van artikel 41 van de IW.

Bij het Hof was in geschil of belanghebbende terecht en tot het juiste bedrag op grond van artikel 41, eerste lid, van de IW aansprakelijk is gesteld. Ook was in geschil of belanghebbende zich kan disculperen op grond van artikel 41, tweede lid, van de IW.

Het Hof heeft bij zijn beoordeling van het geschil tot uitgangspunt genomen dat de uitdrukking met de verplaatsing belast persoon in artikel 41, eerste lid, van de IW, gelet op de wetsgeschiedenis inhoudt: degene die verantwoordelijk is voor de verplaatsing van de feitelijke leiding. Het Hof heeft daarbij overwogen dat als uitgangspunt heeft te gelden dat dit doorgaans bestuurders zullen zijn, maar dit niet uitsluit dat ook anderen verantwoordelijk kunnen zijn voor het verplaatsen van de feitelijk leiding.

Het Hof heeft, in navolging van de Rechtbank, geoordeeld dat de verplaatsing van de feitelijke zetel van een vennootschap naar een andere jurisdictie een dermate ingrijpende gebeurtenis is dat het onwaarschijnlijk is dat het bestuur van de desbetreffende vennootschap daarbij in het geheel niet betrokken is en voor de feitelijke uitvoering van de zetelverplaatsing geen verantwoordelijkheid draagt. Het Hof heeft daartoe overwogen dat uit de gedingstukken blijkt dat de verplaatsing van de feitelijke leiding van de B.V. in casu een nauwkeurig geplande operatie is geweest. Het Hof heeft geoordeeld dat de verantwoordelijkheid van het bestuur voor een ingrijpende operatie als de zetelverplaatsing van de B.V. derhalve ook bij belanghebbende berustte, als een van de drie bestuurders van de BV.

Het Hof heeft in dat kader overwogen dat belanghebbende, evenals zijn (voormalige) medebestuurders, in het handelsregister stond ingeschreven als directeur - alleen/zelfstandig bevoegd. Dit betekent naar het oordeel van het Hof dat in casu de bestuurstaak als geheel is opgedragen aan alle bestuurders van de BV en dat ieder der bestuurders verantwoordelijk is voor alle bestuurlijke aangelegenheden.

Het Hof is op grond van een en ander gekomen tot het oordeel dat de Ontvanger de feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt waaruit volgt dat belanghebbende moet worden aangemerkt als een met de verplaatsing belast persoon, in de zin van artikel 41, eerste lid, van de IW. Belanghebbende is er vervolgens, naar het oordeel van het Hof, niet in geslaagd zich te disculperen, in de zin van artikel 41, tweede lid, van de IW.

In de vijf cassatiemiddelen van belanghebbende worden die Hofoordelen bestreden en wordt gesteld dat de gegeven uitleg en toepassing van artikel 41 van de IW, in strijd zou komen met bepalingen van Europees recht.

De A-G is van mening dat de van een bestuurder, zoals belanghebbende, te verwachten zorgplicht voor de voldoening van de door een lichaam verschuldigde belastingen, ook kan inhouden dat een bestuurder die daartoe in de positie was, zich had moeten verzetten tegen de uitvoering van het zogeheten stappenplan, tot verplaatsing van de B.V. naar Israël, op de wijze als daarin voorzien.

Specifiek voor de situatie van belanghebbende is dat hij a) tot 24 december 2002 één van de bestuurders van de B.V. was, en b) heeft verklaard de feitelijke leiding van de B.V. te hebben gehad tot 24 december 2002.

Belanghebbende was belast met de voorbereiden en het indienen van aangiften vennootschapsbelasting. Ook was hij belast met de verplaatsing van de feitelijke zetel en het management personeel naar Israël.

Belanghebbende was kennelijk goed op de hoogte, maar heeft het stappenplan laten voortgaan, zo al niet zelf uitgevoerd. Met name heeft belanghebbende zich er niet tegen verzet dat de B.V. een grote, ongedekte, geldlening heeft verstrekt aan haar moedermaatschappij [B], noch tegen de verplaatsing.

De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug