Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Witwassen. Art. 420bis.1.b Sr. 1. Geldbedragen afkomstig uit enig misdrijf. 2. Omzetten a.b.i. art. 420bis.1.b Sr.

Ad 1. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat de witgewassen geldbedragen afkomstig zijn uit de eveneens bewezenverklaarde bedrieglijke bankbreuk. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daaraan doet niet af dat de bewezenverklaarde periode van beide feiten gelijk is.

Ad 2. Het hof heeft vastgesteld dat verdachte in i bewezenverklaarde periode met geld heeft “geschoven”, het contant heeft opgenomen en het op de bankrekening van zijn zoon heeft gestort. Het oordeel van het hof dat hiermee gelden zijn “omgezet” is onjuist noch onbegrijpelijk. CAG: art. 80a.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Conclusie



Nr. 15/02258

Mr. D.J.C. Aben

Zitting: 6 december 2016

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 8 mei 2015 de verdachte ter zake van 1. “van het plegen van witwassen een gewoonte maken”, 2. “bedrieglijke bankbreuk, meermalen gepleegd” en 3. “handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof een taakstraf opgelegd voor de duur van 180 uren, te vervangen door 90 dagen hechtenis.

2. De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld. Namens hem heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, vier middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt over de afwijzing van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak.

4. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 24 april 2015 wijst uit dat de verdachte aldaar niet is verschenen. Als raadsman is verschenen mr. S. Arts, advocaat te Breda, die desgevraagd heeft verklaard door de verdachte niet uitdrukkelijk te zijn gemachtigd. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 24 april 2015 houdt, voor zover ver voor de beoordeling van het middel van belang, verder onder meer het volgende in:

“De raadsman deelt desgevraagd mede - zakelijk weergegeven - :

Ik verwachtte mijn cliënt vandaag niet. Ik ben ook niet gemachtigd en wil u verzoeken de zaak aan te houden. Ter voorbereiding had ik een bespreking met mijn cliënt gepland, waarbij hij wel op kantoor verschenen is, maar acuut weer is vertrokken wegens medische redenen. Ik kan mij verder niet uitlaten over de medische redenen. Ik heb van hem begrepen dat hij gisteren naar de huisarts moest in verband met een verwijzing naar het ziekenhuis. Ik kan een en ander niet onderbouwen met medische stukken, hoewel ik daar wel mijn best voor heb gedaan. Door deze omstandigheden heb ik de zaak en de door de advocaat-generaal per e-mail van 20 april 2015 voorgestelde wijziging tenlastelegging niet kunnen bespreken met mijn cliënt.

De advocaat-generaal deelt mede - zakelijk weergegeven - :

Ik heb de neiging om erg pragmatisch te werk te gaan en in dit geval af te zien van de door mij voorgestelde wijziging tenlastelegging. Voor de zoveelste keer leidt de medische toestand van verdachte tot een verzoek om aanhouding. De zaak heeft al driemaal, op 6 november 2012, 26 februari 2013 en 21 februari 2014, eerder op een zitting van uw hof gestaan en er is inmiddels sprake van een flink tijdsverloop. Hoewel ik wel wil aannemen dat er sprake is van medische problematiek, is er wat mij betreft een punt bereikt dat het afdoen van deze zaak de doorslaggevende factor zou moeten zijn. De verdachte heeft daarbij de gelegenheid gehad om met zijn raadsman afspraken te maken over de vertegenwoordiging. Dat hij dat niet heeft gedaan, komt voor zijn rekening. Mijns inziens dient het verzoek te worden afgewezen.

Het onderzoek ter terechtzitting wordt onderbroken voor beraad in raadkamer.

Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede:

Het hof wijst het verzoek tot aanhouding af. De behandeling van de zaak heeft een aanvang gemaakt op 6 november 2012, sindsdien zijn er enkele jaren verstreken en staat de zaak vandaag voor de vierde keer op zitting. Het hof heeft oog voor het belang van de verdachte om aanwezig te zijn, hetgeen ook de reden is dat de zaak enkele keren is aangehouden. Thans is het hof echter van oordeel dat het punt is bereikt dat de afdoening van de zaak prevaleert boven het aanwezigheidsrecht van de verdachte. Hierbij is mede in aanmerking genomen dat het hof geen inzicht heeft gekregen in de exacte aard van de afwezigheid van de verdachte.’’

5. Blijkens voornoemd proces-verbaal is het onderzoek ter terechtzitting, vanwege de schorsing ter eerdere terechtzitting van 21 februari 2014 alwaar een gemachtigd raadsman aanwezig was, vervolgens op 24 april 2015 hervat, heeft de procedure op tegenspraak plaatsgevonden en is het onderzoek daarna gesloten.

6. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat, indien een betrokkene door ziekte is verhinderd op de terechtzitting te verschijnen en in verband daarmee schorsing van het onderzoek heeft verzocht of doen verzoeken, de rechter aan dit verzoek voldoet teneinde de betrokkene alsnog de gelegenheid te geven bij de behandeling van zijn zaak op de terechtzitting aanwezig te zijn. Dit spruit voort uit het onder meer in art. 6 EVRM gewaarborgde aanwezigheidsrecht van de betrokkene. Bijzondere omstandigheden kunnen echter meebrengen dat de rechter tot het oordeel komt dat het belang van een behoorlijke strafvordering – welke omvat afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn – ernstig in het gedrang zou komen, indien het onderzoek op de terechtzitting zou worden geschorst en dat dit belang onder de gegeven omstandigheden zwaarder moet wegen dan het belang van de betrokkene om bij de behandeling van zijn zaak tegenwoordig te zijn. Het staat ter beoordeling van de rechter of hij de aangevoerde reden aannemelijk en van voldoende gewicht acht en of het belang van een behoorlijke strafvordering de voorrang moet hebben boven het belang van de betrokkene bij aanhouding. In de regel mag daarom van de betrokkene of diens raadsman worden gevergd dat hij ter staving van het verzoek (alsnog) de gegevens kan verstrekken die de rechter met het oog op de te nemen beslissing wenselijk acht. Aan de rechter staat het vrij om indien een verzoek onvoldoende door bewijsstukken is gestaafd of indien aan diens verlangen tot aanvulling niet of niet genoegzaam is voldaan, daaraan gevolgtrekkingen te verbinden. Oordelen en beslissingen daarover kunnen in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid worden getoetst.

7. Gelet op het voorgaande, is het in de overwegingen van het hof besloten liggende oordeel dat in het licht van de bijzondere omstandigheden van het geval het belang van een behoorlijke strafvordering, in het bijzonder de afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn, zwaarder moet wegen dan het belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak tegenwoordig te zijn, niet onbegrijpelijk. Daarbij wijs ik in het bijzonder op de door het hof overwogen omstandigheid dat de zaak al “enkele keren is aangehouden”, terwijl uit de stukken van het geding blijkt dat het steeds de verdediging is geweest die om aanhouding heeft verzocht. Bovendien heeft het hof daarnaast overwogen dat “het geen inzicht heeft gekregen in de exacte aard van de afwezigheid van de verdachte”. Dit terwijl het proces-verbaal van de terechtzitting van 21 februari 2014 mede inhoudt dat de raadsman en zijn cliënt in de dagen voorafgaand aan de zitting op meerdere momenten contact hebben gehad en tijdens die momenten de niet nader aangeduide “medische redenen” al bekend waren. Van een acuut optredend ziektebeeld is derhalve, anders dan de steller van het middel betoogt, in de onderhavige zaak geen sprake. In het licht van hetgeen de raadsman ter onderbouwing van het verzoek heeft aangevoerd, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering. Aldus heeft het hof het aanhoudingsverzoek op goede gronden en toereikend gemotiveerd afgewezen. De klacht kan klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden.

8. Het eerste middel is evident kansloos.

9. Het tweede middel klaagt over de afwijzing van het verzoek van de verdediging om (vijf) getuigen te horen.

10. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21 februari 2014 heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig een door hem overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“Cliënt acht het noodzakelijk dat de navolgende personen als getuige worden opgeroepen:

1

[betrokkene 3] (…)

Cliënt ontkent het onder 2 ten laste gelegde feit. [betrokkene 3] , de curator, verklaart belastend over cliënt. De verdediging wenst hem te ondervragen over hetgeen precies is voorgevallen.

2

[betrokkene 2] , (…)

Cliënt ontkent het onder 2 ten laste gelegde. [betrokkene 2] , de bewindvoerder, verklaart belastend over cliënt. De verdediging wenst hem te ondervragen over hetgeen precies is voorgevallen.

3

Jessica BONGERS, advocaat.

J. Bongers heeft cliënt bijgestaan in de zaak met betrekking tot de mogelijke tussentijdse beëindiging schuldsanering van maart 2008. Bongers kan, aldus cliënt, de verklaringen van de bewindvoerder en de curator weerleggen.

4

Roel Van FAASSEN, advocaat.

Strafrechtadvocaat Van Faasen, een van mijn voorgangers, is volgens cliënt een goede vriend van de curator en verantwoordelijk voor hoe de veroordeling door de rechtbank tot stand is gekomen.

5

[verbalisant 2] , hoofdagent bij de regiopolitie IJsselland. [verbalisant 2] heeft, aldus cliënt, toegezegd dat als cliënt vrijwillig afstand zou doen van het onder 3 ten laste gelegde mes, de zaak van het mes daarmee zou zijn afgedaan. Ook zou [verbalisant 2] de beste vriendin zijn van de ex-vrouw van cliënt wat bij cliënt onder meer de vraag oproept wat [verbalisant 2] 's invloed is geweest op de loop van het opsporingsonderzoek.

(…) Voorts verzoek ik u de genoemde getuigen te doen oproepen.”

11. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21 februari 2014 houdt voorts onder meer het volgende in:

“De raadsman voert het volgende aan, zakelijk weergegeven:

Het contact tussen mij en mijn cliënt is niet soepel verlopen. Dat heeft te maken met de psychische toestand waarin cliënt verkeert. Dat is de reden waarom ik pas nu een verzoek tot het horen van getuigen heb kunnen indienen.

De advocaat-generaal vordert het volgende, zakelijk weergegeven:

De zaak verkeert al geruime tijd in de fase van hoger beroep. Het verzoek van de verdediging tot het horen van getuigen is ontzettend tardief en mist noodzaak.

De voorzitter deelt als beslissing van het hof op de verzoeken van de raadsman mee, zakelijk weergegeven:

Het hof wijst het verzoek van de verdediging tot het horen van getuigen af.

De noodzaak tot het horen van de door de verdediging gevraagde getuigen is niet gebleken.”

12. Bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het oproepen van getuigen gaat het uiteindelijk om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van – als waren het communicerende vaten – enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen. Bij de beoordeling van de begrijpelijkheid van de beslissing kan ook het procesverloop van belang zijn, zoals het stadium waarin het verzoek is gedaan, in die zin dat het verzoek eerder had kunnen en redelijkerwijs ook had moeten worden gedaan (…).

13. Het hof heeft het ter terechtzitting gedane verzoek om getuigen te horen afgewezen op de grond dat de noodzaak daartoe niet was gebleken. Mede in aanmerking genomen hetgeen door de verdediging aan dat verzoek ten grondslag is gelegd alsook het stadium waarin het verzoek werd gedaan, is dat oordeel niet onbegrijpelijk.

14. Het tweede middel kan klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden.

15. Het derde middel bevat de klacht dat het hof art. 311, vierde lid, Sv heeft geschonden omdat — kort gezegd— uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep niet blijkt dat de (niet gemachtigde) raadsman het recht op het laatste woord is gegeven.

16. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 april 2015 is de verdachte niet verschenen en heeft de raadsman desgevraagd medegedeeld niet te zijn gemachtigd.

17. Verder houdt het voornoemde proces-verbaal onder meer in dat het hof het door de (niet gemachtigde) raadsman gedane verzoek tot aanhouding afwijst, de advocaat-generaal het woord voert, zijn vordering voorleest en hij de op schrift gestelde vordering aan het hof over legt, waarna de voorzitter het onderzoek ter terechtzitting sluit.

18. De toelichting op het middel strekt in de kern ten betoge dat het ook aan de niet-gemachtigde raadsman moet worden gelaten “of hij namens zijn cliënt het laatste woord wenst aan te wenden”. Aldus miskent de steller van het middel vaste rechtspraak waarin de Hoge Raad het in art. 279 Sv besloten liggende stelsel zo uitlegt dat de raadsman die — kort gezegd— niet uitdrukkelijk is gemachtigd door zijn ter terechtzitting afwezige cliënt, geen van de hem bij de wet toegekende rechten en bevoegdheden kan uitoefenen, behoudens het voeren van het woord ter toelichting op de afwezigheid van de verdachte en het verzoeken om aanhouding van de behandeling van de zaak. Het middel is evident kansloos.

19. Het vierde middel komt op tegen de bewezenverklaring van het onder 1 bewezenverklaarde “gewoontewitwassen”.

20. Ten laste van de verdachte is, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, onder 1 en 2 bewezenverklaard dat:

“1.

hij op een of meer verschillende tijdstippen in de periode van 29 oktober 2007 tot en met 17 december 2009, te Wijhe, in de gemeente Olst-Wijhe, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte telkens geldbedragen (in totaal 40.826,40 euro) voorhanden gehad, en omgezet, terwijl hij wist dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit misdrijf;

2.

hij op een of meer verschillende tijdstippen in de periode van 29 oktober 2007 tot en met 17 december 2009 te Wijhe, gemeente Olst-Wijhe, terwijl hij, verdachte, als natuurlijke persoon op 29 oktober 2007 in de WSNP is terechtgekomen en terwijl hij, verdachte, bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te Zwolle van 27 oktober 2008 in staat van faillissement is verklaard,

ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeiser(s),

baten niet heeft verantwoord, immers heeft verdachte in voornoemde periode geldbedragen (in totaal € 62.241,40 euro) buiten bereik en beheer van de bewindvoerder en/of curator gehouden;“

21. Deze bewezenverklaring steunt, met weglating van verwijzingen en voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, blijkens de aanvulling verkort arrest van 7 januari 2016 op de volgende bewijsmiddelen:

“ 1. Een in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 17 december 2009 (…), inhoudende – zakelijk weergegeven –

als verklaring van verdachte:

- V: vraag/opmerking verbalisanten, A: antwoord verdachte—

V: Het gaat over diverse stortingen op rekening van uw zoon. In 2008 is er 72.000 euro op de rekening van uw zoon gestort.

A: Ik heb geld overgehouden aan mijn echtscheiding. Er is wat heen en weer gesleept met het geld. I

2. Een in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 18 december 2009 (…), inhoudende – zakelijk weergegeven –

als verklaring van verdachte:

- V: = vraag A: = antwoord –

A: Het klopt dat ik in 2008 in de schuldhulpsanering heb gezeten.

A: Het heeft te maken met de scheiding en de verkoop van de woning.

V: Wanneer is de echtelijke woning verkocht?

A: Ergens in 2006. Dit gaat om de woning aan de [a-straat] .

V: Had u ook overwaarde?

A: Ja, die is verdeeld.

3. Een in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 22 december 2009 (…), inhoudende – zakelijk weergegeven –

als verklaring van verdachte:

Het verhaal is begonnen met een Leeuwrekening bij de Postbank gerelateerd aan mijn lopende rekening zijnde nummer [001] .

Toen de woning aan de [a-straat] is verkocht heeft mijn ex-vrouw het grootste deel van de overwaarde ontvangen. De woning is verkocht voor een bedrag van 333.000 euro. Het kan kloppen dat de totale overwaarde 126.182 euro was. Het geld van de Leeuwrekening is verrekend met het geld van de overwaarde. Ik heb dus het geld van de Leeuwrekening gehouden en mijn ex-vrouw heeft het grootste gedeelte van de overwaarde ontvangen.

Het geld van de Leeuwrekening stond inmiddels niet meer op de rekening van de Postbank. Het stond op een rekening van een andere bank. Het heeft op rekeningen van meerdere banken gestaan. Deze banken waren onder andere de ABN AMRO, SNS, Ak Bank en mogelijk de Fortis. Deze stonden volgens mij allemaal op naam van mijn zoon [betrokkene 1] .

Het geld dat begin 2008 in een week is gestort, is afkomstig van de Ak bank. Het klopt dat het geld daarna van de ene bank naar de andere bank is geschoven. Dit waren dus de rekeningen van [betrokkene 1] .

Ik weet dat er na mijn aanhouding een doorzoeking is geweest in mijn woning. Ook weet ik dat er tijdens die doorzoeking een geldbedrag van iets meer dan 20.000 euro is aangetroffen. Dit geld is afkomstig van geldopnames welke gedaan zijn bij de SNS. Ik heb dit geld opgenomen.

4. Een in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 22 december 2009 (…), inhoudende – zakelijk weergegeven –

als verklaring van verdachte:

- V: = vraag A: =;antwoord –

A: Rond januari 2008 heb ik de Ak spaarrekening opgeheven en zijn de spaartegoeden naar de tegenrekening overgeboekt.

V: Hoeveel geld is er van de Ak bank naar de SNS en de ABN AMRO gegaan?

A: Dit moet tussen de 60.000 en 70.000 euro zijn.

V: Wat is er met het geld gebeurd nadat het door de Ak bank giraal op de betreffende tegenrekening is gestort?-

A: Ik heb toen het geld contant van de betreffende tegenrekening gehaald en heb het contant op de rekening van [betrokkene 1] gestort bij de ABN AMRO. Volgens een brief van mijn advocaat heb ik dit in vier keer gedaan. Dit kort achter elkaar in februari 2008.

5. Een in de wettelijk vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 23 december 2009 (…), inhoudende – zakelijk weergegeven –

als verklaring van verdachte:

V: Er is contant geld in uw woning aangetroffen. Waar lag volgens u dit geld?

A: Dit geld lag naast mijn bed en zat in een fototasje.

A: [betrokkene 1] doet op financieel gebied helemaal niets. Hij heeft dus ook nooit geld giraal overgemaakt van de ene naar de andere bank.

V: Beschikt u over een pinpas en pincode van de op uw zoons naam staande betaalrekeningen?

A: Ja, deze heb ik.

(…)

6. Een in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 23 maart 2010 (…), inhoudende – zakelijk weergegeven –

als verklaring van verdachte:

V: Wat is de oorsprong van het geld dat we aantroffen op de bankrekening van [betrokkene 1] en bij u thuis contant?

A: De oorsprong van dat geld is spaargeld. De langste tijd heeft het op de Postbank op een Leeuwrekening zijnde een spaarrekening gestaan. Dat was in 2006 of 2007. Na de echtscheiding is het geld in de boedel verdeeld, daarna is het geld gaan zwerven. Dat klopt.

V: Hoeveel spaargeld had u op het moment dat u financieel van uw ex-vrouw ging scheiden?

A: Het spaargeld heb ik gehouden, dat is verrekend met mijn aandeel van de opbrengst van de verkoop van de woning. Ik denk dat het rond om de 60.000 euro moet zijn geweest. Het geld heeft een tijdje bij de ABN-AMRO gestaan, het heeft een tijdje bij een Turkse bank gestaan omdat daar de rente hoog was. Dat was de Ak bank. Vervolgens is het naar de SNS gegaan en een deel heb ik contant thuis gehouden.

A: De SNS rekening staat op naam van [betrokkene 1] . Ik heb het geld zeker opgenomen bij de ABN AMRO en toen waarschijnlijk gestort bij de SNS. Ik denk dat het ergens in 2007 is gebeurd.

V: Waar komt dit eigen vermogen vandaan?

A: Dat heb ik op de rekening van [betrokkene 1] gezet.

V: Klopt het dat dit bedrag verdeeld is over ongeveer 40.000 euro op de rekening van uw zoon, 22.000 euro geparkeerd bij de curator en dat er ongeveer 21.000 euro contant in uw woning was?

A: Dat klopt.

V: Wat heeft u tegen de curator gezegd m.b.t. de hoogte van uw eigen vermogen?

A: Daar is geen communicatie over geweest.

V: Was het u bekend dat u verplicht was de curator die inlichtingen te verstrekken waar hij om vroeg?

A: Ja, dat is mij medegedeeld. Dit is mij vanaf het begin al door het Budget Adviesbureau Deventer (BAD) medegedeeld.

7. Een in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 18 december 2009 (…), inhoudende – zakelijk weergegeven –

als verklaring van [betrokkene 1] :

Ik ben geboren op [geboortedatum] 1992.

Ik woon samen met mijn vader. Ik woon aan de [b-straat 1] in Wijhe.

8. Een in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 22 december 2009 (…), inhoudende – zakelijk weergegeven –

I

als verklaring van [betrokkene 1] :

- V: = Vraag/opmerking verbalisanten, A: = Antwoord –

A: Ik heb een bankrekening van de SNS bank op mijn naam staan. Daar is het rekeningnummer [002] . Maar deze gebruik ik niet. Volgens mij staat er wel geld op. Er staat spaargeld op.

A: Volgens mij heeft mijn vader wel eens een keer gebruik van mijn rekening gemaakt.

A: Het geld wat op de rekening van de SNS staat, is geld van mijn vader. Niet van mij.

A: Ik weet wel dat er een groot bedrag op mijn rekening van de SNS staat.

V: Weet je dat er ook grote bedragen van de een naar de andere rekening ging?

A: Ja, dat wist ik wel; Mijn vader regelde dat allemaal. Het gaat ook steeds om geld van mijn vader. ;

V: Wat weet je van die rekening die op jouw naam heeft gestaan bij de AK BANK?

A: Dat zegt me wel wat. Volgens mij is dit een Turkse bank.

V: Wie maakte gebruik van deze rekening?

A: Mijn vader.

V: Van wie was dat geld?

A: Mijn vader. Mijn vader gebruikte de rekening en ik hielp hem dan met internet bankieren. Mijn vader besliste hoe en wat.

V: Heb je zelf wel eens grote bedragen van een van je rekeningen gehaald?

A: Ja. Ik heb dit wel eens alleen gedaan en soms ook wel met mijn vader.

V: In wiens opdracht?

A: In opdracht van mijn vader.

9. Een in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 22 december 2009 (…), inhoudende – zakelijk weergegeven –

als verklaring van [betrokkene 1] :

- V: Vraag/opmerking verbalisanten, A: Antwoord –

V: Is het jou bekend dat je vader in de schuldhulpsanering heeft gezeten?

A: Ja, dat weet ik. Ik dacht ook dat mijn vader failliet verklaard was.

A: Ik heb wel gevraagd aan mijn vader waarom wij in de schuldsanering zaten, terwijl wij geld hadden. Mijn vader vertelde mij toen, dat hij dat geld wilde bewaren voor mijn toekomst.

10. Een in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 27 april 2010 (…), inhoudende – zakelijk weergegeven –

als verklaring van [betrokkene 2] :

Ik werd als bewindvoerder van [verdachte] benoemd. Op 7 november 2007 ben ik bij hem thuis geweest voor een huisbezoek. Bij het huisbezoek heb ik [verdachte] nogmaals uitgelegd wat de regels zijn waaraan hij zich in de schuldsanering moet houden.

Dit is hem tevens door de rechtbank uitgelegd en ook zijn die regels schriftelijk aan hem bekend gemaakt. [verdachte] heeft voor ontvangst hiervan getekend.

Kort samengevat komen de regels op het volgende neer:

1. Geen nieuwe schulden maken.

2. Werk zoeken.

3. De bewindvoerder voortdurend goed informeren.

Zowel de rechtbank als ikzelf hebben [verdachte] te kennen gegeven dat hij alle informatie ten behoeve van de schuldsanering moest verstrekken. Dus ook eventuele vermogensbestanddelen waarover hij beschikte.

Ik stel u een kopie van het beëindigingsvonnis van de rechtbank Zwolle ter beschikking. Hieruit blijkt dat [verdachte] op géén enkele manier aan het schuldsaneringstraject meewerkte.

Indien mij ter kennis was gekomen dat [verdachte] over vermogenscomponenten in de vorm van giraal- of contant geld beschikte, had ik ervoor gezorgd dat het geld in de boedel was terecht gekomen.

11. Een schriftelijk stuk, te weten een Aangifte terzake vermoedelijke faillissementsfraude d.d. 8 februari 2010 (…), inhoudende – zakelijk weergegeven –

als verklaring van aangever [betrokkene 3] :

Ik ben bij vonnis van de Rechtbank Zwolle-Lelystad d.d. 27 oktober 2008 benoemd tot curator in het faillissement van:

Naam: [verdachte]

Deze aangifte richt zich tegen:

Naam: [verdachte]

Hierbij doe ik aangifte terzake van vermoedelijke overtreding van:

Artikel 341 sub a onder 1° Wetboek van Strafrecht.

Toelichting:

Uit door de [verbalisant 1] (financieel rechercheur van de regiopolitie IJsselland, hierna: [verbalisant 1] ) aan mij verschafte informatie is het vermoeden gerezen dat [verdachte] voornoemd (hierna: [verdachte] ) zich in de periode van 29 oktober 2007 tot en met 8 februari 2010 goederen van substantiële omvang, althans enig goed, aan de boedel heeft onttrokken en thans nog steeds onttrekt.

Op [verdachte] is op 29 oktober 2007 door de rechtbank Zwolle-Lelystad de WSNP van toepassing verklaard.

Deze schuldsanering is op 27 oktober 2008 tussentijds beëindigd, omdat [verdachte] niet voldeed aan zijn informatieplicht, niet de juiste afdrachten aan de boedel deed en nieuwe schulden had laten ontstaan. In appèl is dit beëindigingsvonnis bekrachtigd.

Op 12 januari 2010 deelde [verbalisant 1] mij mede dat [verdachte] in december (het hof leest) 2009 in verzekering was gesteld (en later in bewaring), op verdenking van witwassen. Tevens was er in de woning van [verdachte] circa € 21.000,- aan contanten in beslag genomen en was er conservatoir beslag gelegd op een tegoed van circa € 41.000,- op de rekening van de minderjarige zoon van [verdachte] , [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) bij de SNS-bank.

Gezien het voorgaande lijkt evident dat [verdachte] een totaalbedrag van circa € 62.000,- aan activa voor (eerst) zijn bewindvoerder en (vervolgens) zijn curator heeft verzwegen.

Dat een en ander geschiedde ter bedrieglijke verkorting van de rechten van schuldeisers blijkt uit de volgende omstandigheden:

- [verdachte] heeft voor zover mij bekend geen enkele plausibele verklaring voor zijn handelwijze.

- [verdachte] beschikt over (een) eigen bankrekening(en) en had het geld dus op zijn eigen bankrekening kunnen storten, of op de boedelrekening t.n.v. de curator.

- [verdachte] heeft aan mij medegedeeld dat hij wel over middelen zou kunnen beschikken om een schuldenakkoord te financieren.

- [verdachte] heeft 2 ½ jaar de tijd gehad om aan ofwel zijn bewindvoerder ofwel zijn curator te melden dat hij beschikte over een aanzienlijke hoeveelheid geld, doch hij heeft dit nagelaten.

12. Een schriftelijk stuk, te weten een verdachte betreffend vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Zwolle, d.d. 27 oktober 2008 van de sector civiel met insolventienummer: 07/1087 R (…), waaruit onder meer blijkt dat bij vonnis van dezelfde kamer van 29 oktober 2007 de definitieve schuldsaneringsregeling is uitgesproken ten aanzien van verdachte, de toepassing van de schuldsaneringsregeling per eerstgenoemde datum tussentijds beëindigd wordt en verdachte in staat van faillissement zal verkeren zodra het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.

13. Een schriftelijk stuk, te weten een verdachte betreffend arrest van het Gerechtshof Arnhem, locatie Leeuwarden, d.d. 18 december 2008 met zaaknummer 200.017.355 (…), waaruit onder meer blijkt dat het (hiervoor genoemde) vonnis van 27 oktober 2008 van de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Zwolle, wordt bekrachtigd.

14. Een schriftelijk stuk, te weten een proces-verbaal opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] d.d. 5 september 2010 (…), inhoudende – zakelijk weergegeven –

als verklaring van verbalisant:

In het kader van het Strafrechtelijk onderzoek contra de verdachte:

[verdachte] , verklaar ik het volgende:

Op 17 december 2009 heb ik beslag gelegd op het saldo van de volgende door [betrokkene 1] bij de SNS bank gehouden bankrekeningen:

• Rekening [003] en rekening [002] ten name van [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1992.

15. Een schriftelijk stuk, te weten een gegevensoverzicht van het rekeningnummer [003] bij de SNS Bank op naam van [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1992 (…), waaruit onder meer blijkt dat het saldo op dit rekeningnummer op 30 november 2009 € 39.554,96 bedroeg.

16. Een schriftelijk stuk, te weten een gegevensoverzicht van het rekeningnummer [002] op naam van [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1992 (…), waaruit onder meer blijkt dat het saldo op dit rekeningnummer op 30 november 2009 € 1.271,44 bedroeg.

17. Een in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal van Relaas van inbeslagneming d.d. 22 december 2009 (…), inhoudende – zakelijk weergegeven –

als verklaring van verbalisant:

In het kader van het strafrechtelijk onderzoek onder de naam FLORIJN werd een doorzoeking gedaan ter inbeslagneming in een woning. Op donderdag 17 december 2009, werd op één locatie een doorzoeking gedaan. De woning is in dit proces-verbaal aangeduid met de objectcode A.

De locatie:

1. [b-straat 1] te Wijhe A

OBJECTCODE A: [b-straat 1] .

De woning wordt bewoond door de verdachte genaamd:

Achternaam: [verdachte]

Voornamen: [voornamen verdachte]

Beslag ten behoeve van bewijsvoering:

In de woning zijn onder diverse nummers onder andere administratieve bescheiden in beslag genomen.

Beslag ten behoeve van verbeurd verklaring:

21.415,— euro briefgeld, is in beslag genomen onder nummer: A.05.04.01.

(…)”

22. In de aanvulling verkort arrest heeft het hof verder het volgende overwogen:

“Aanvullende bewijsoverweging ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde:

Het enkel voorhanden hebben van de gelden die contant in de woning van verdachte zijn aangetroffen (totaal 21.415 euro), terwijl vast staat dat deze afkomstig zijn uit een door verdachte begaan misdrijf, zonder dat dat voorhanden hebben heeft bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst, kan niet als witwassen worden gekwalificeerd. Dit is anders ten aanzien van de op de bankrekeningen op naam van de zoon van verdachte aangetroffen geldbedragen (totaal 40.826,40 euro).”

23. Daarnaast heeft het hof in het bestreden arrest van 8 mei 2015, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, nog het volgende overwogen:

“Verdachte heeft zich gedurende een aanzienlijke periode schuldig gemaakt aan bedrieglijke bankbreuk en gewoontewitwassen. Verdachte heeft, terwijl hij in de schuldsanering zat, dan wel (later) failliet was verklaard, aanzienlijke geldbedragen niet bij de bewindvoerder/curator opgegeven. Enkele van deze geldbedragen, die vanwege de bedrieglijke bankbreuk van criminele herkomst zijn, heeft verdachte vervolgens wegens omzetting witgewassen door deze over te zetten naar bankrekeningen van zijn zoon.”

24. Het middel valt uiteen in twee delen en behelst ten eerste de klacht dat uit de gebezigde bewijsmiddelen “vanwege het simultane karakter van feit 1 en 2” geen sprake is van een aan het witwassen voorafgaand misdrijf.

25. De in de aanvulling op het verkort arrest opgenomen bewijsmiddelen houden onder meer in:

 dat de overwaarde van de verkoop van de echtelijke woning in 2006, samen met het spaargeld tussen de verdachte en zijn ex-vrouw werd verdeeld (bewijsmiddel 2 en 3);

 dat de verdachte zijn deel ergens in 2007 op rekening van zijn zoon bij de ABN AMRO, de SNS en Ak bank heeft gezet en dat het geld daarna van de ene naar de andere bank is geschoven (bewijsmiddel 3 en 6);

 dat de definitieve schuldsaneringsregeling ten behoeve van de verdachte op 27 oktober 2007 is uitgesproken door de rechtbank Zwolle-Lelystad (bewijsmiddel 12);

 dat het faillissementsvonnis door dezelfde rechtbank is uitgesproken op 27 oktober 2008 en op 18 december 2008 is bekrachtigd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, vestigingsplaats Leeuwarden (bewijsmiddel 12 en 13);

 dat de som van de geldbedragen op de rekening van verdachte’s zoon op 30 november 2009 € 40.826,40 betrof (bewijsmiddel 15 en 16);

 dat op 17 december 2009 in de woning van de verdachte een huiszoeking plaatsvond, waarbij onder meer € 21.415,00 euro briefgeld in beslag genomen werd (bewijsmiddel 17);

 dat de verdachte bevestigt ongeveer 40.000 euro op een rekening van zijn zoon te hebben ondergebracht, 22.000 euro parkeerde bij de curator en 21.000 euro aan contanten in zijn woning aanwezig had (bewijsmiddel 6).

26. Met de steller van het middel constateer ik dat uit ’s hofs overweging, weergegeven onder 23, volgt dat de onder 2 bewezenverklaarde bedrieglijke bankbreuk het misdrijf betreft waarop het bewezenverklaarde witwassen onder 1 ziet. Anders dan de steller van het middel betoogt, is van volledige gelijktijdigheid van beide misdrijven echter geen sprake. Uit de bewezenverklaring en de daaraan ten grondslag liggende bewijsvoering volgt immers onmiskenbaar dat het witwassen slechts ziet op “enkele” van de geldbedragen die vanwege de bedrieglijke bankbreuk van criminele herkomst zijn. Het onder 2 bewezenverklaarde geldbedrag ad € 61.241,40 is welbeschouwd opgebouwd (i) uit € 40.826,40 aangetroffen op de twee bankrekeningen van verdachte’s zoon, alsook uit (ii) € 21.415 aan contanten waar de politie tijdens de huiszoeking in de woning van verdachte op is gestuit. Ten aanzien van dit laatste geldbedrag heeft het hof in de aanvulling verkort arrest nadrukkelijk overwogen dat het voorhanden hebben daarvan niet als witwassen kan worden gekwalificeerd.

27. Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde geldbedrag geldt het volgende. Vanaf het moment dat de definitieve schuldsaneringsregeling alsmede het faillissement waren uitgesproken, heeft de verdachte steeds nagelaten het geldbedrag waarop het witwassen ziet, in totaal € 40.826,40, op zijn eigen rekening of op de boedelrekening van de curator te storten. In plaats daarvan stortte de verdachte het geld op enig moment op diverse rekeningen van zijn zoon. Zodoende werd het geldbedrag aan de boedel onttrokken en was binnen de bewezenverklaarde periode wel degelijk sprake van een aan het witwassen voorafgaand misdrijf. Dat de verdachte daarnaast simultaan aan het witwassen van de € 40.826,40 het bij hem thuis contant aangetroffen geldbedrag ad € 21.415,00 niet bij de bewindvoerder of curator heeft opgegeven, en hij aldus binnen de bewezenverklaarde periode met betrekking tot dit laatstgenoemde geldbedrag andermaal art. 341 Sr heeft overtreden, doet daaraan niet af. Het betoog van de steller van het middel berust derhalve op een verkeerde lezing van het arrest en is evident kansloos.

28. Daarnaast komt het middel met een rechtsklacht op tegen de bewezenverklaring aangezien daaruit niet zou volgen dat de verdachte de (geld)bedragen heeft omgezet in de zin van art. 420bis Sr. Daartoe is in de toelichting op het middel in de kern aangevoerd dat door het storten van het geld op de rekening van de verdachte’s zoon (i) geen vermenging met diens geld heeft plaatsgehad alsmede dat (ii) verdachte’s geld daardoor niet is vervangen door “een ander voorwerp”. Na het opnemen kreeg de verdachte immers weer zijn ‘eigen’ geld terug.

29. In het onderhavige geval gaat het om het bewezenverklaarde voorhanden gehad hebben en omzetten van geldbedragen die afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf (bedrieglijke bankbreuk) ten aanzien waarvan het hof heeft geoordeeld dat zulks witwassen oplevert. Het hof heeft daartoe vastgesteld dat de verdachte verschillende geldbedragen (in totaal € 40.826,40) giraal op diverse bankrekeningnummers van zijn zoon heeft overgeboekt en dat geld vervolgens, zoals de verdachte heeft verklaard, “van de ene naar de andere bank is geschoven”. Bovendien volgt uit de tot het bewijs gebezigde verklaring van verdachte’s zoon dat hij weleens grote bedragen in opdracht van zijn vader van zijn rekening haalde. Anders dan het enkele storten van geldbedragen op een eigen bankrekening, belichaamt het overmaken naar een rekeningnummer dat een ander toebehoort, het van daaruit laten overmaken naar andere rekeningen op naam van die ander, alsook het door die persoon laten opnemen van geldbedragen (omzetting van giraal naar contant geld), in het licht van de wetsgeschiedenis, het veiligstellen van die geldbedragen en derhalve het omzetten van uit misdrijf verkregen geldbedragen.

30. Ook het vierde middel kan klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden.

31. Aldus berusten de klachten op een onjuiste lezing van het bestreden (verkort) arrest van 8 mei 2015 en de aanvulling daarop van 7 januari 2016, gaan de klachten voorbij aan hetgeen het hof heeft overwogen of miskennen zij vaste rechtspraak.

32. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vgl. HR 12 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1236, rov. 2.5; HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:887, rov. 2.3; HR 21 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH5171, rov. 2.3; HR 7 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH0566, NJ 2009/186, rov. 2.3 alsook HR 9 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5730, NJ 2002/466, rov. 3.3 en 3.4.

Zie de processen-verbaal van 6 november 2012, 26 februari 2013 en 21 februari 2014.

In zoverre verschilt de onderhavige casus onmiskenbaar van de diverse casus in HR 12 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1236, HR 7 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH0566, NJ 2009/186, alsook die in HR 21 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH5171, NJ 2009/323, waarin steeds sprake was van een zich op de dag van de terechtzitting voordoend ziektebeeld (of een plotselinge uiting van een bestaand ziektebeeld), waardoor de raadsman en/of de verdachte niet in de gelegenheid waren het hof stukken ter onderbouwing van de medische klachten over te leggen.

Zie HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, rov. 2.76.

Zie HR 5 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8360, NJ 2007/339, rov. 3.1; HR 8 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4323, NJ 2003/723, rov. 3.3; HR 23 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8860, NJ 2002/338, rov. 3.2 alsook 3.3 en ten slotte HR 23 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4727, NJ 2002/77, m. nt. Reijntjes, rov. 4.8 onder 2.

Uit de bewijsmiddelen volgt immers dat de definitieve schuldsaneringsregeling is uitgesproken op 29 oktober 2007, het faillissementsvonnis op 27 oktober 2008 en het arrest op 18 december 2008 (bewijsmiddel 12 en 13). Dit terwijl de verdachte heeft verklaard “ergens in 2007” de overwaarde van zijn huis op rekening van zijn zoon te hebben gezet (bewijsmiddel 6). Daarnaast houden de bewijsmiddelen 15 en 16 in ieder geval in dat op 30 november 2009 het gehele tenlastegelegde en bewezenverklaarde bedrag ad € 40. 826,40 op rekening van verdachte ’s zoon stond. Dit terwijl de aangifte faillissementsfraude (bewijsmiddel 11) uitwijst dat de verdachte zijn bewindvoerder ofwel curator niet heeft gemeld te beschikken over een aanzienlijke hoeveelheid geld.

Zie bewijsmiddel 6.

Zie bewijsmiddel 3.

Zie bewijsmiddel 8.

Vgl. HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2913, NJ 2014/500, rov. 2.5.3.

Zie Kamerstukken 1999/2000, 27159, nr. 3, p. 15, inhoudende dat onder ‘omzetten’ handelingen worden verstaan waardoor de betrokkene een ander voorwerp verkrijgt dat het voordeel uit het oorspronkelijke misdrijf belichaamt. Als voorbeelden worden genoemd het wisselen, vervangen, ruilen of investeren van de oorspronkelijke opbrengst van het grondmisdrijf.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature