Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online


 

E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:PHR:2016:1241
Parket bij de Hoge Raad, 15/05939

Inhoudsindicatie:

In deze procedure is in geschil of belanghebbende tijdig een verzoek heeft gedaan om toepassing van een overgangsregeling waarin is voorzien bij de afschaffing van de afvalstoffenbelasting per 1 januari 2012. Het van toepassing zijn van deze overgangsregeling zou betekenen dat belanghebbende recht heeft op een hogere teruggaaf aan afvalstoffenbelasting dan zij, naar aanleiding van de door haar ingediende aangifte, toegekend heeft gekregen.

Belanghebbende exploiteerde een stortplaats, zijnde een inrichting waar afvalstoffen werden verwijderd in de zin van de Wet belastingen op milieugrondslag (Wbm). Belanghebbende was als houder van de inrichting belastingplichtig over de aan haar ter verwijdering afgegeven afvalstoffen en heeft steeds afvalstoffenbelasting voldaan, zowel over aan de inrichting afgegeven brandbaar als niet brandbaar afval. Belanghebbende heeft daartoe maandelijks aangifte gedaan.

Belanghebbende heeft voor het in 2010 en 2011 afgraven en afvoeren van dat (eerder gestorte) afval teruggaaf van afvalstoffenbelasting gevraagd en gekregen.

Op 1 januari 2012 is de afvalstoffenbelasting afgeschaft. Hierdoor is ook de verminderingsregeling van artikel 27 van de Wbm, op basis waarvan belanghebbende een vermindering kon toepassen op de door haar af te dragen afvalstoffenbelasting, komen te vervallen. Er is een overgangsregeling getroffen welke voorziet in een laatste mogelijkheid om teruggaaf te verkrijgen.

Belanghebbende heeft op 1 februari 2012 aangifte gedaan van de door haar over het tijdvak december 2011 verschuldigde afvalstoffenbelasting. In deze aangifte wordt vermeld een bedrag van negatief € 846.887. De Inspecteur heeft bij voor bezwaar vatbare beschikking van 29 februari 2012 aan belanghebbende over voornoemd tijdvak een teruggaaf van afvalstoffenbelasting verleend van € 846.887.

Belanghebbende heeft vervolgens bij brief van 7 maart 2012 bezwaar gemaakt tegen de eigen aangifte afvalstoffenbelasting over het tijdvak december 2011 en heeft daarbij verzocht om een teruggaaf van € 6.963.648 voor na 1 januari 2012 nog af te voeren brandbaar afval. De berekening van dit bedrag is als zodanig thans niet in geschil.

Bij uitspraak op bezwaar van 12 april 2013 is het bezwaar ongegrond verklaard en heeft de Inspecteur besloten de door belanghebbende gevraagde vermindering niet te verlenen.

Het Hof heeft dat verzoek om teruggaaf niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft het Hof overwogen dat uit de wet en wetsgeschiedenis volgt dat het verzoek om teruggaaf van afvalstoffenbelasting, als bedoeld in artikel 89, zevende lid, van de Wbm , diende te geschieden bij de aangifte over het laatste tijdvak in 2011. Deze aangifte diende uiterlijk 31 januari 2012 bij de Inspecteur binnen te zijn. Nu de aangifte, met daarin begrepen het verzoek om teruggaaf van € 846.887, op 1 februari 2012 door de Inspecteur is ontvangen, is het verzoek om teruggaaf te laat ingediend. Bij belanghebbende is niet het in rechte te honoreren vertrouwen gewekt dat ook bij een te laat ingediend verzoek om teruggaaf het verzoek ontvankelijk is. Overigens heeft het Hof geoordeeld dat belanghebbendes ter zitting gedane verzoek om schadevergoeding te laat is gedaan.

Thans komt belanghebbende in cassatie op tegen de uitspraak van het Hof, onder aanvoering van drie middelen.

In het eerste middel wordt gesteld dat het verzoek om teruggaaf op basis van artikel XXXVIc van het Belastingplan 2012 , de overgangsregeling, wel tijdig is ingediend, zodat het Hof ten onrechte het bij de aangifte gedane verzoek om teruggaaf niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Het lijkt de A-G dat een op de Overgangsregeling gebaseerd teruggaafverzoek (in principe) moet worden gedaan bij de aangifte over december 2011. Dat heeft belanghebbende inderdaad gedaan. Daarna beschikt belanghebbende over de rechtsmiddelen van bezwaar en beroep. In dat kader kan belanghebbende volgens de A-G later een grotere teruggaaf verlangen. Hetzelfde geldt, naar de A-G meent, mutatis mutandis waar belanghebbendes bezwaar geacht moet worden mede betrekking te hebben op de door de Inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking van 29 februari 2012 aan belanghebbende verleende teruggaaf van afvalstoffenbelasting van € 846.887.

De A-G heeft noch in de wetsgeschiedenis van de Overgangsregeling, noch in de AWR, noch in vergelijkbare bepalingen uit andere heffingswetten, enige steun gevonden voor de stelling dat de laatste dag waarop de desbetreffende aangifte moet worden gedaan, een fatale datum oplevert voor een beroep op de Overgangsregeling.

Aldus slaagt het eerste middel, zodat het tweede middel, ziende op verschoonbaarheid van eventuele termijnoverschrijding, geen verdere behandeling behoeft.

Het derde middel strekt ten betoge dat belanghebbendes verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb , dat als een subsidiaire onderbouwing van haar eerdere beroep op artikel 1 Eerste Protocol van het EVRM heeft te gelden, tijdig is gedaan.

De A-G is van mening dat een verzoek om schadevergoeding tijdig en in heldere bewoordingen moet worden gedaan. Daarvan is zijns inziens in casu geen sprake, zodat het derde middel faalt.

De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug