Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online


 

E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:PHR:2016:1183
Parket bij de Hoge Raad, 15/04744

Inhoudsindicatie:

Belanghebbende is producent van tapijt. Bij de productie daarvan gebruikt belanghebbende garenklossen, bestaande uit kartonnen kokers (de zogenoemde ‘cones’, lengte ca. 30 cm) met daaromheen gewikkelde garens. De producent van de garens heeft deze op de cones gezet, en heeft vervolgens de garenklossen als eenheid geleverd aan belanghebbende. Wanneer de garens in het productieproces van belanghebbende bijna verbruikt zijn, worden de cones verwijderd. De verwijderde cones worden door belanghebbende daarna (door)verkocht.

Verpakkingenbelasting werd, tot 1 januari 2013, op grond van artikel 82, eerste lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag geheven ter zake van:

• de verpakking van ter beschikking gestelde producten, voorzover die verpakking voor het eerst door een producent in Nederland ter beschikking wordt gesteld aan een ander;

• de verpakking van producten, ingeval de importeur van de verpakte producten zich van die verpakking ontdoet; of

• verpakkingen die zijn ontworpen en bedoeld om op het verkooppunt te worden gevuld, ingeval die verpakkingen voor het eerst door een producent in Nederland ter beschikking worden gesteld aan een ander.

Belanghebbende heeft (aanvankelijk) aangifte verpakkingenbelasting voor het jaar 2008 gedaan, zonder daarin de cones als belaste verpakkingen op te nemen. Nadien heeft belanghebbende aan de Inspecteur meegedeeld dat voor het jaar 2008 een hoeveelheid cones buiten de aangifte verpakkingenbelasting is gelaten. Belanghebbende heeft de Inspecteur verzocht die brief als een suppletie op de aangifte aan te merken. Vervolgens heeft de Inspecteur een naheffingsaanslag verpakkingenbelasting opgelegd ter zake van de cones. Dit acht belanghebbende onjuist.

Belanghebbende vindt dat de cones geen verpakking zijn in de zin van de Wbm, zodat zij terzake geen verpakkingenbelasting verschuldigd is. Tevens heeft belanghebbende gesteld dat het feit dat de cones niet zijn opgenomen in de uitzonderingslijst (ook aangeduid als ‘de exotenlijst’) schending van het gelijkheidsbeginsel en/of het verbod op willekeur oplevert.

In hoger beroep heeft het Hof de Inspecteur in het gelijk gesteld. Het Hof heeft geoordeeld dat een cone een verkoop- of primaire verpakking is. Daartoe heeft het Hof overwogen: ‘Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat de garens op cones worden gezet omdat de machine de garens anders niet kan verwerken. Belanghebbenden hecht daarom eraan dat de garens op de cones worden gezet. Belanghebbende zou de garens ook zelf op de cones kunnen zetten, maar het is efficiënter om dat aan de producent van de garens te vragen, aldus belanghebbende. Het Hof concludeert daaruit dat de cone, in termen van de (…) totstandkomingsgeschiedenis, een logisch onderdeel is van de verkregen verkoopeenheid (de garenklos) en het product (de garens) aantrekkelijker maakt voor de verkoop. Gelet hierop oordeelt het Hof dat de cone een verkoop- of primaire verpakking is.’

Voorts heeft het Hof geoordeeld dat uit de Verpakkingenrichtlijn van de Europese Commissie van 7 februari 2013 niet kan worden afgeleid dat de cones niet als verpakking moeten worden aangemerkt. Het Hof heeft daartoe redengevend geacht dat de cones worden gebruikt om het product als verkoopeenheid te presenteren. Het Hof ziet de cones niet als onderdeel van een productieapparaat, omdat zij na gebruik tijdens het productieproces worden verwijderd (en doorverkocht).

Belanghebbende heeft bij het Hof ook gesteld dat het gelijkheidsbeginsel dan wel het verbod van willekeur is geschonden, omdat in artikel 32 van de Uitv. Wbm alleen kernen, spoelen en haspels met een lengte van meer dan 50 centimeter worden vrijgesteld. Belanghebbende stelt dat die grens willekeurig is gesteld. Het Hof heeft echter geoordeeld dat hier van een schending van het gelijkheidsbeginsel geen sprake is, omdat de wetgever gemotiveerd heeft aangegeven waarom bepaalde eisen worden gesteld aan afmetingen.

In het eerste middel stelt belanghebbende dat het Hof ten onrechte, althans op gronden die de beslissing niet kunnen dragen, heeft beslist dat sprake is van een verpakking, in de zin van een primaire, secundaire of tertiaire verpakking, zoals omschreven in de Wbm.

In het tweede middel betoogt belanghebbende dat het Hof ten onrechte, althans op gronden die de beslissing niet kunnen dragen, heeft beslist dat hier geen sprake is van een productieapparaat zoals omschreven in bijlage I bij de Verpakkingenrichtlijn.

Het derde middel houdt in dat het Hof ten onrechte, althans op gronden die de beslissing niet kunnen dragen, heeft beslist dat hier geen sprake is van schending van de algemene beginselen van behoorlijke wetgeving, in het bijzonder het gelijkheidsbeginsel en/of het verbod van willekeur.

De A-G meent dat de middelen alle falen, zodat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug