Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Overeenkomstenrecht. Uitleg onderwijsovereenkomst hbo. Toezeggingen omtrent te verwerven graad MA? Tekortkoming? Toerekenbaar? Wijziging van eis in hoger beroep, rechtsmiddelenverbod (art. 130 lid 2 Rv).

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Conclusie



15/03764

mr. Keus

Zitting 11 november 2016

Conclusie inzake:

SNR Schouten & Nelissen Recovery B.V.

(hierna: SNR)

eiseres tot cassatie

advocaat: mr. E.M. Tjon-En-Fa

tegen

1. [verweerder 1]

2. [verweerster 2]

3. [verweerster 3]

4. [verweerster 4]

5. [verweerder 5]

6. [verweerder 6]

7. [verweerder 7]

8. [verweerster 8]

9. [verweerder 9]

(hierna gezamenlijk: [verweerders])

verweerders in cassatie

advocaat: mr. P. Kuipers

In deze zaak vorderen [verweerders] schadevergoeding van SNR, omdat aan een door hen gevolgde en door SNR verzorgde postinitiële hbo-opleiding een andere titel bleek te zijn verbonden dan aan hen zou zijn toegezegd. Het geding in cassatie spitst zich toe op de vraag of het hof heeft kunnen aannemen dat SNR onvoldoende heeft betwist dat aan [verweerders] was toegezegd dat zij na afronding van de betrokken opleiding de titel “Master of Arts” zouden verkrijgen en of het hof heeft kunnen oordelen dat SNR toerekenbaar in de nakoming van de studieovereenkomsten is tekortgeschoten. SNR betoogt onder meer dat het hof buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden door in zijn oordeel documenten te betrekken die niet door partijen zijn overgelegd en waarop partijen geen beroep hebben gedaan. Ook voert SNR aan dat het hof onvoldoende heeft gerespondeerd op haar beroep op rechtsverwerking en/of strijd met de goede procesorde met betrekking tot een wijziging van de grondslag van de vordering in appel.

1 Feiten en procesverloop

1.1

In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:

a) SNR is een commerciële onderwijsinstelling. Uit hoofde van tussen partijen gesloten studieovereenkomsten zijn [verweerders] in 2002 (cohort II) of 2003 (cohort III) gestart met de door SNR aangeboden deeltijdopleiding “Stressmanagement & Reïntegratiedeskundige” (hierna: de opleiding). De opleiding betreft een postinitiële hbo-opleiding. Op het aanmeldingsformulier, de prospectus en het cursusboek van de opleiding staat “Deeltijdse Masteropleiding (MA) Stressmanagement & Reïntegratiedeskundige” vermeld.

b) Per 1 september 2002 is de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) gewijzigd en is een bachelor-masterstructuur in Nederland ingevoerd. Voor 1 september 2002 waren de graden Bachelor en Master nog niet in de wet verankerd. Verschillende Nederlandse instellingen in het wetenschappelijk- en hoger beroepsonderwijs gingen, indien zij toch een Master-graad wilden verlenen, in de periode voor 1 september 2002 samenwerkingsverbanden aan met hogescholen en universiteiten in het buitenland. Op grond van dergelijke samenwerkingsverbanden was het in sommige gevallen mogelijk om studenten aan een Nederlandse wo- of hbo-instelling na afronding van hun studie een Master-graad van de betreffende buitenlandse universiteit of hogeschool te verlenen. Aan de wetswijziging per 1 september 2002 is een uitvoerige, openbare consultatie- en adviesperiode voorafgegaan, die onder meer heeft geleid tot een notitie van de Minister van OCW “Naar een open hoger onderwijs” over de invoering van een bachelor-masterstructuur. Deze notitie is in november 2000 naar het parlement gestuurd (Kamerstukken II 2000/01, 27 496, nr. 1). Deze notitie is mede gebaseerd op het namens de Onderwijsraad uitgebrachte advies van de commissie Rinnooy Kan. Met betrekking tot graden en titulatuur is in de notitie de volgende passage opgenomen:

“Graden in hbo en wo

Ik neem het voorstel van de commissie-Rinnooy Kan over om in de internationale graden het onderscheid tussen hbo en wo uit te drukken. Er moet echter opgepast worden voor overregulering. Er is geen behoefte aan fijnmazige regelgeving rond de precieze naamgeving van bachelor- en mastergraden. Bovendien zijn er internationaal verschillende voorbeelden van zelfregulering, waarbij kan worden aangesloten. Een voorbeeld zijn MBA-studies, waarbij sprake is van een betrekkelijk uniforme naamgeving en waarbij in Europa en Noord-Amerika reeds een praktijk van kwaliteitszorg en accreditatie bestaat.

De graden bachelor en master of science en arts worden gereserveerd voor wo-opleidingen. Het recht om deze graden te verlenen vloeit voort uit de accreditatie als wo-opleiding. De titel master of philosophy krijgt geen beschermde status, omdat er naar mijn mening geen behoefte is aan een aparte mastergraad voor op onderzoek gerichte opleidingen. De M.Phil is bovendien ook in de Angelsaksische landen geen gemeengoed.”

Na de wetswijziging per 1 september 2002 mag op grond van het bepaalde in art. 7.10a WHW de graad “Master of Arts” alleen nog verleend worden aan degenen die met goed gevolg een universitaire masteropleiding hebben gevolgd. Art. 7.10a WHW bepaalt:

“Artikel 7.10a. Verlening van graden

1. Het instellingsbestuur verleent de graad Bachelor en de graad Master aan degene die met goed gevolg het afsluitend examen van een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs onderscheidenlijk het afsluitend examen van een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs heeft afgelegd. Afhankelijk van het vakgebied waarin het met goed gevolg afgelegde afsluitend examen van een bacheloropleiding onderscheidenlijk het met goed gevolg afgelegde examen van een masteropleiding is afgelegd, wordt aan de verleende graad toegevoegd «of Arts» dan wel «of Science». Bij ministeriële regeling kan voor een opleiding of een groep van opleidingen met betrekking tot een in dit lid bedoelde graad een andere toevoeging dan die, bedoeld in de tweede volzin, worden vastgesteld.

2. Het instellingsbestuur verleent de graad Bachelor en de graad Master aan degene die met goed gevolg het afsluitend examen van een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs onderscheidenlijk het afsluitend examen van een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs heeft afgelegd. Afhankelijk van het vakgebied waarin het met goed gevolg afgelegde afsluitend examen van een bacheloropleiding onderscheidenlijk het met goed gevolg afgelegde afsluitend examen van een masteropleiding is afgelegd, wordt aan de verleende graad de toevoeging verbonden die op grond van artikel 5a.2, lid 2 a, onder a, met positief resultaat is getoetst.

(...)”

Bij wet van 23 september 2004 (Stb. 2005, 32) is in art. 7.19a lid 2 WHW onder meer opgenomen dat de graad “Master of Arts” wordt aangeduid/afgekort als MA en de graad “Master of Science” als MSc.

c) In juni 2003 heeft [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]), decaan van SNR, aan onder meer [verweerders] een e-mail verzonden met daarin de volgende passage:

“Dat houdt in dat wij de studenten van de eerste twee inschrijfjaren een erkend MA-diploma mogen verschaffen”

d) In juli 2003 heeft de Dutch Validation Council (hierna: DVC) aan SNR bericht:

“Met genoegen deel ik namens de Dutch Validation Council mede, dat de navolgende opleiding is toegelaten tot het kandidaatsregister van het “DVC Masterregister”.

- Master in Stressmanagement en Reïntegratie deskundigheid

Dit verleent u het recht om vanaf juni 2003 de genoemde titel aan maximaal twee uitstromende cohorten afgestudeerden van de genoemde opleidingen te mogen verlenen.

(...)”

e) [betrokkene 1] heeft namens SNR [verweerders] een brief van 24 september 2004 gestuurd. Deze brief vermeldt, voor zover van belang:

“Gisteren, 16 september 2004, ontving ik van cohort III een bezorgde brief (overigens met de datum 21 september) over de status van de opleiding Stressmanagement en Reïntegratiedeskundige. (...) De NVAO is vanaf eind 2003 de enige instantie die accreditaties kan verstrekken. (...)

Er worden in Nederland veel nieuwe masteropleidingen aangeboden; zowel door universiteiten, hogescholen als private ondernemingen. De laatste twee zijn betrekkelijk nieuwe spelers in het veld. De wet staat hen toe dit type van onderwijs aan te bieden. Ook private aanbieders kunnen hun bachelor- en masteropleidingen dus laten accrediteren bij de NVAO. Schouten & Nelissen heeft vanaf het begin (2001) het voornemen uitgesproken de door hen ontwikkelde en te ontwikkelen masteropleidingen te laten accrediteren.

In dat kader hebben wij de masteropleiding Stressmanagement en Reïntegratiedeskundige destijds aangeboden aan de toenmalige accrediterende instantie, de DVC. Onze opleiding is medio 2003 aan de DVC, dus voordat de NVAO actief was, aangeboden ter kandidaatsaccreditatie als een MA-SR, als een Master of Arts opleiding dus. Als zodanig is de opleiding inderdaad kandidaatsgeaccrediteerd door de DVC. Dit betekent dus dat alle studenten die toegezegd is dat zij recht hebben op de MA-titel, en dat zijn de cohorten I t/m III, deze inderdaad kunnen voeren. Zij kunnen kiezen tussen de ‘oude’ titel MA-SR of de ‘nieuwe’ titel MSR. Het cohort IV is medegedeeld dat zij af zal studeren als MSR.

Overigens hebben wij de aanduiding MA-SR niet op het diploma gezet van de eerste groep afgestudeerden. Dit omdat inmiddels duidelijk was geworden dat de titel Master of Arts voor dit type onderwijs zijn langste tijd had gehad. Onder invloed van de nieuwe Wet op de Accreditatie werd duidelijk dat de Master of Arts titel bestemd is voor het initiële universitaire hoger onderwijs, evenals de Master of Science (MSc), en bovendien dat de Master of Arts titel niet thuis hoort in de gamma-wetenschappen, eerder in de wereld van de alfa-studies.

(...)

Desondanks willen wij de studenten van cohort I t/m III tegemoet komen door op hun diploma onder andere te vermelden dat de opleiding kandidaatsgeaccrediteerd is door de DVC als Master of Arts in Stressmanagement- en Reïntegratiedeskundigheid (MA-SR). (...).”

f) Bij brief van 21 december 2004 heeft de Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie (hierna: NVAO) aan SNR bericht:

“Besluit strekkende tot positieve beoordeling van de aanvraag Toets nieuwe opleiding voor de hbo-master Stressmanagement & Reïntegratie

Bij brief d.d. 24 december 2003 heeft [betrokkene 2], voorzitter van de raad van bestuur Schouten & Nelissen Groep, hierna SN, bij de Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie in oprichting, hierna: NVAO i.o. een aanvraag Toets nieuwe opleiding, als bedoeld in artikel 5a.1 1 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderwijs, hierna: WHW (Stb. 2002, 302), ingediend voor de opleiding “Stressmanagement & Reïntegratie”, een hbo-master-opleiding, leidend tot de graad Master Stressmanagement en Reïntegratie (MSR). Het betreft een postinitiële hbo-master, die als deeltijdopleiding wordt aangeboden. De opleiding wordt verzorgd op de cursuslocatie in Amersfoort.

De NVAO i.o. heeft voor de beoordeling van de aanvraag een panel van deskundigen ingesteld. Het panel kende de volgende samenstelling: Prof. Dr. H. T. van der Molen, voorzitter, Prof. Dr. J. von Grumbkow en Dr. G. Methorst. De beoordeling van het panel is verricht aan de hand van het Toetsingskader nieuwe opleidingen hoger onderwijs (Stcrt. 2003, 120).

Het panel heeft over de aanvraag een positief advies uitgebracht aan de NVAO i.o. Het panel beoordeelt alle facetten met een voldoende. In de vergadering van 1 juni 2004 heeft het DB vastgesteld dat het onderwerp programma onvoldoende is. Het DB heeft vervolgens contact opgenomen met SN. In een overleg met SN op 6 juli heeft het DB toegelicht dat het onderwerp programma nog niet van masterniveau is en de instroomeisen onvoldoende zijn. Het DB heeft in een gesprek het panel over dit standpunt geïnformeerd.

Vervolgens heeft SN, rekening houdende met de genoemde kritiekpunten, op 1 oktober 2004 een herziene aanvraag ingediend, waarin het programma en de instroomeisen zijn aangepast. De herziene aanvraag is door de NVAO i.o. beoordeeld. Het panel is bij deze beoordeling niet betrokken vanwege het al gegeven positieve advies over de eerste aanvraag.

(…)”

g) In 2005 en 2006 hebben [verweerders] elk een diploma van SNR met daarop de titel “Master of Arts in Stressmanagement en Reïntegratiedeskundigheid (MA-SR)” ontvangen. SNR heeft in verband met dit diploma op 7 april 2008 een brief met bijlagen aan [verweerders] verstuurd. Deze brief vermeldt, voor zover van belang:

“U bent in (...) afgestudeerd aan de Schouten & Nelissen University en heeft daarbij een diploma ontvangen met de titel Master of Arts in Stressmanagement en Reïntegratiedeskundigheid (MA-SR). Onlangs is gebleken dat de titel op uw diploma niet juist is. In deze brief lichten wij de achtergrond toe van deze onjuistheid en hoe deze tot stand is gekomen. In de bijlagen vindt u een brief van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap hierover en een nieuw diploma met aangepaste titel.

In 2003 is uw studie kandidaatsgeaccrediteerd bij de Dutch Validation Council (DVC). Destijds werd ervan uitgegaan dat bij afstuderen de titel Master of Arts in Stressmanagement en Reïntegratiedeskundigheid (MA-SR) kon worden verleend. In de looptijd van uw studie is echter de Nederlands Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO) opgericht die in Nederland als enige wettelijke organisatie de accreditaties verleent. De NVAO heeft de studie uiteindelijk op 21 december 2004 geaccrediteerd met de titel: Master Stressmanagement en Reïntegratie (MSR).

Bij uw afstuderen is op uw diploma de titel: MA-SR vermeld. Omdat de uiteindelijke accreditatie echter niet door de DVC werd verleend, maar door de NVAO bleven hier vragen over bestaan. De Raad van Bestuur van SNR Services B.V., moedermaatschappij van o.a. de Schouten & Nelissen University heeft vanaf de accreditatie op 21 december 2004 laten onderzoeken wat de juiste titel is, verbonden aan de door u gevolgde studie.

(…)

De duidelijkheid is pas op 11 februari jl. definitief en eenduidig gegeven door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. In de bijlage treft u een kopie van deze brief van het Ministerie aan. Tevens treft u aan een brief van de NVAO d.d. 17 januari j.l. Op basis van deze brief zijn wij tot de conclusie gekomen dat op het aan u uitgereikte diploma een onjuiste titel is vermeld. Daarom ontvangt u bij deze tevens een nieuw diploma met daarin vermeld de juiste titel. Het oude diploma komt daarmee te vervallen.

Het spijt ons dat het zo lang heeft geduurd voordat er duidelijkheid kon worden gegeven over de titel die verbonden is aan de door u gevolgde studie. (...)”

h) SNR heeft als bijlagen bij voorgenoemde brief van 7 april 2008 de aan haar gestuurde brieven van 22 januari 2008 van de NVAO en van 11 februari 2008 van het Ministerie van OCW toegevoegd. De brief van 22 januari 2008 van de NVAO houdt onder meer in:

“(...) Aan een positief beoordeelde postinitiële hbo-masteropleiding is de graad Master verbonden zonder het predikaat of Arts dan wel of Science. Sedert juli 2007 is aan postinitiële wo-master opleidingen de graad Master of Arts dan wel Master of Science gekoppeld.

Een student die na augustus 2002 is afgestudeerd aan een door de NVAO positief beoordeelde postinitiële hbo-masteropleiding heeft recht op de graad Master en komt niet in aanmerking voor de titel Master of Arts of Master of Science. Dit geldt ook voor studenten die met de opleiding zijn gestart voorafgaand aan de accreditatie van de opleiding en na accreditatie zijn afgestudeerd. (...)”

De brief van 11 februari 2008 van het Ministerie van OCW vermeldt, voor zover van belang:

“(...) De opleiding Stressmanagement & Reïntegratie is op 21 december 2004 als HBO-master geaccrediteerd. (...)

Door de accreditatie van de bovengenoemde opleiding worden de wettelijke bepalingen, inclusief de bepalingen omtrent graadverlening, van toepassing. Op grond van de genoemde wet is de graad MA (en MSc) voorbehouden aan het wetenschappelijk onderwijs. Aan een hbo-opleiding (bachelor en master) kan geen ‘of Arts’ of ‘of Science’ zijn verbonden. Aan een hbo-opleiding is de graad bachelor respectievelijk master verbonden waarbij de instelling een relevante toevoeging kan plegen (met uitzondering van ‘of Arts’ of ‘of Science’).

Ander geformuleerd: degene die afstudeert nadat de opleiding is geaccrediteerd, studeert af aan een geaccrediteerde (dus formeel erkende) opleiding - ook al was de opleiding gedurende een groot deel van zijn of haar studietijd niet geaccrediteerd - en verkrijgt een formeel erkende graad en dito getuigschrift. Wat betreft de graad betekent dat voor een hbo-opleiding géén MA of MSc. Dit geldt ook voor opleidingen die door de DVC waren beoordeeld. Bij deze opleiding gaat het blijkbaar om de graad MSR.”

i) [verweerders] hebben uiteindelijk bij voornoemde brief van 7 april 2008 een diploma van SNR ontvangen waarop staat aangegeven dat hun de graad Master Stressmanagement en Reïntegratie (MSR) is verleend.

j) Bij brief van 4 februari 2011 hebben [verweerders] SNR aansprakelijk gesteld voor de door hen geleden schade als gevolg van het niet ontvangen van de MA-graad na afronding van de opleiding.

1.2

Bij dagvaarding van 26 juli 2011 hebben [verweerders] de onderhavige procedure bij de rechtbank Arnhem ingeleid. Daarbij hebben zij gevorderd:

1) voor recht te verklaren dat SNR jegens hen is tekortgeschoten in de nakoming van de uit de tussen partijen gesloten studieovereenkomst voortvloeiende verplichtingen en voor de geleden schade jegens hen volledig aansprakelijk is; en

2) SNR te veroordelen tot betaling van schadevergoeding en wettelijke rente daarover aan hen wegens genoemde tekortkoming, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

1.3

SNR heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen.

1.4

Nadat de rechtbank Arnhem bij tussenvonnis van 28 september 2011 een comparitie van partijen had gelast, welke comparitie op 13 januari 2012 heeft plaatsgehad, heeft zij bij tussenvonnis van 22 februari 2012 overwogen dat ter comparitie is gebleken dat [verweerders] aan hun vordering niet (langer) ten grondslag leggen dat zij niet de titel “Master of Arts” hebben gekregen maar dat zij zijn overeengekomen dat ze een opleiding zouden volgen met een universitair niveau (leidend tot een daarbij behorende graad) en dat zij daarentegen een opleiding op hbo niveau (leidend tot een master graad) hebben gekregen. Gelet daarop behoefde de oorspronkelijke grondslag volgens de rechtbank geen beoordeling meer. Daarbij kwam, naar het oordeel van de rechtbank, dat met name tegenover het standpunt van SNR dat de vermeende tekortkoming, gelet op de wetswijziging, niet toerekenbaar is, [verweerders] niet hadden aangevoerd op welke gronden dat wel het geval is, reden waarom de vordering op de oorspronkelijke grondslag bovendien niet toewijsbaar was (rov. 4.3). De rechtbank heeft vervolgens [verweerders] toegelaten tot het bewijs van hun stelling dat zij met SNR zijn overeengekomen dat zij een opleiding zouden krijgen (Stressmanagement & Reïntegratiedeskundige) op universitair niveau (rov. 4.5, 4.9 en 5.1).

1.5

Nadat op 31 augustus 2012, 7 september 2012 en 2 november 2012 verschillende getuigen waren gehoord, onder wie [verweerders], heeft de rechtbank (inmiddels: de rechtbank Oost-Nederland) bij eindvonnis van 16 januari 2013 geoordeeld dat is komen vast te staan dat [verweerders] met SNR zijn overeengekomen een opleiding op universitair niveau te krijgen (rov. 2.4), maar dat niet is gebleken dat de opleiding het overeengekomen niveau niet had. Daarmee is volgens de rechtbank niet komen vast te staan dat SNR in de nakoming van haar verplichtingen voortvloeiende uit de tussen partijen gesloten studieovereenkomst is tekortgeschoten. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat [verweerders] de stelling dat de genoten opleiding niet het overeengekomen niveau had, slechts hadden onderbouwd door een verwijzing naar de titel die uiteindelijk voor het succesvol afronden van de opleiding is toegekend. Daarover had de rechtbank echter in rov. 4.3 van haar tussenvonnis van 22 februari 2012 reeds overwogen en beslist dat tegenover de stelling van SNR dat het niet verlenen van een universitaire titel een gevolg van wetgeving was en daarmee niet aan SNR toerekenbaar is, door [verweerders] onvoldoende verweer is gevoerd. De rechtbank heeft de vorderingen van [verweerders] afgewezen (rov. 2.5 en 3.1).

1.6

Bij dagvaarding van 19 maart 2013 zijn [verweerders] bij het hof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep gekomen van de vonnissen van 22 februari 2012 en 16 januari 2013 met conclusie dat het hof deze vonnissen zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, voor zover in cassatie relevant:

1) voor recht zal verklaren dat SNR jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld en gehouden is de uit dat onrechtmatig handelen ontstane, door hen geleden en nog te lijden schade aan hen te vergoeden;

2) voor recht zal verklaren dat SNR jegens hen toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen en gehouden is de uit dat tekortschieten ontstane, door hen geleden en nog te lijden schade aan hen te vergoeden;

3) SNR zal veroordelen, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, tot betaling aan hen van de door hen geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; en

4) SNR zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 2.500,- per appellant ten titel van voorschot op de geleden schade.

1.7

SNR heeft zich gemotiveerd tegen het appel verweerd en geconcludeerd tot verwerping daarvan.

1.8

Bij tussenarrest van 20 januari 2015 heeft het hof overwogen dat [verweerders] in hoger beroep onmiskenbaar aan hun vorderingen ten grondslag hebben gelegd dat SNR is tekortgeschoten in de door haar met [verweerders] gesloten studieovereenkomsten en de in dat kader gedane toezegging dat deze opleiding zou leiden tot de MA-graad en voorts dat SNR door geen MA-graad aan [verweerders] te verlenen onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld (rov. 4.3). Het hof heeft daarop geoordeeld dat SNR door het niet verlenen van de MA-graad, althans met het eerst verlenen en daarna intrekken van de MA-graad, is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomsten met [verweerders] (rov. 4.6). Vervolgens heeft het hof geconcludeerd dat SNR onvoldoende heeft gesteld om haar beroep op overmacht te doen slagen en dat aldus als vaststaand moet worden aangenomen dat de tekortkoming van SNR - zo al niet aan schuld te wijten - in ieder geval voor haar risico behoort te blijven (rov. 4.11). Voorts heeft het hof overwogen dat voor toewijzing van een vordering tot vergoeding van schade nader op te maken bij staat, naast de vaststelling van de aansprakelijkheid, wat het element schade betreft voldoende is dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is, en dit naar het oordeel van het hof hier het geval is (rov. 4.16). Om redenen van proceseconomie heeft het hof partijen nog in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de vraag of zij direct verwijzing naar de schadestaatprocedure wensen of naar aanleiding van het tussenarrest eerst tijdens een comparitie van partijen willen onderzoeken of een minnelijke regeling tussen hen tot de mogelijkheden behoort (rov. 4.17). Ten slotte heeft het hof het gevorderde voorschot op de schadevergoeding van € 2.500,- per appellant bij gebreke van enige inhoudelijke onderbouwing van de hoogte van de gevorderde voorschotten afgewezen (rov. 4.18), het bewijsaanbod van SNR gepasseerd (rov. 4.19), de zaak naar de rol verwezen en iedere verdere beslissing aangehouden (rov. 5 en 6).

1.9

Nadat op 10 maart 2015 een comparitie van partijen had plaatsgehad, heeft het hof bij eindarrest van 24 maart 2015 overwogen dat het treffen van een regeling niet mogelijk is gebleken (rov. 2.1). Het heeft vervolgens de in hoger beroep bestreden vonnissen vernietigd en, opnieuw rechtdoende - voor zover in cassatie relevant - voor recht verklaard dat SNR toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de studieovereenkomsten met [verweerders] en voor de daaruit voortvloeiende schade aansprakelijk is. Voorts heeft het hof SNR veroordeeld tot vergoeding van de door [verweerders] geleden schade als gevolg van het toerekenbaar tekortschieten in de nakoming van die overeenkomsten, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, en het meer of anders gevorderde afgewezen (rov. 6).

1.10

SNR heeft tegen deze beide arresten - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. [verweerders] hebben geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht. Vervolgens hebben zij gere- en gedupliceerd.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

De schriftelijke toelichting van [verweerders] maakt melding van het feit dat de cassatiedagvaarding niet, zoals op grond van art. 407 jo art. 111 lid 2 sub j jo 140 lid 2 Rv is vereist, het rechtsgevolg aanzegt dat intreedt indien er meer gedaagden zijn en niet alle gedaagden op de voorgeschreven wijze in het geding verschijnen. Dit rechtsgevolg betreft het feit dat, indien er meer gedaagden zijn en ten minste een van hen in het geding verschijnt en indien ten aanzien van de overige gedaagden de voorgeschreven formaliteiten en termijnen in acht zijn genomen, tegen dezen verstek wordt verleend, tussen de eiser en de verschenen gedaagden wordt voortgeprocedeerd en tussen alle partijen één vonnis wordt gewezen dat als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd.

Verweerders in cassatie stellen zich op het standpunt dat, conform art. 418a jo art. 120 Rv., sprake is van een voorschrift dat op straffe van nietigheid in acht moet worden genomen en dat, nu geen exploot is uitgebracht voor de roldatum tot herstel van dit gebrek, derhalve van een nietige dagvaarding sprake is.

2.2

Dit beroep dient mijns inziens te falen. Nog daargelaten of, zoals [verweerders] betogen, SNR daadwerkelijk heeft verzuimd het voorschrift van art. 407 jo art. 111 lid 2 onder j Rv in acht te nemen (art. 111 lid 2 onder j Rv verlangt niet meer dan dat de dagvaarding het in art. 140 lid 3 Rv genoemde rechtsgevolg vermeldt en dat rechtsgevolg wordt naar mijn mening in de cassatiedagvaarding op p. 2 onder b op zichzelf correct omschreven), geldt op grond van art. 407 jo 122 lid 1 Rv dat, als verweerders in cassatie, zoals in het onderhavige geval, in het geding verschijnen en zich beroepen op de nietigheid van het exploot van dagvaarding, de rechter dat beroep verwerpt indien naar zijn oordeel het gebrek de verweerders niet onredelijk in hun belangen heeft geschaad. Naar mijn mening is dat laatste het geval. [verweerders] hebben in hun schriftelijke toelichting niet gesteld dat en waarom het beweerde gebrek hen onredelijk in hun belangen zou hebben geschaad, terwijl dat laatste ook niet zonder meer valt in te zien.

2.3

SNR heeft één middel van cassatie voorgesteld. Dat middel omvat een “algemene klacht” (onder 3), die (blijkens het gestelde onder 3.1) is gericht tegen de rov. 3.2, 3.7, 4.3-4.6, 4.8-4.12, 4.19 en het dictum van het arrest van 20 januari 2015, alsmede de rov. 2.1-2.3 en het dictum van het arrest van 24 maart 2015. Volgens de korte toelichting onder 3.2 houdt die algemene klacht in dat het hof ten onrechte, althans op onvoldoende begrijpelijk gemotiveerde wijze tot het oordeel is gekomen dat SNR aan [verweerders] voor hun rechtsverhouding met SNR relevante toezeggingen heeft gedaan welke SNR niet zou zijn nagekomen, waardoor zij in de nakoming van haar verplichtingen is tekortgeschoten, alsmede dat dit aan SNR zou zijn toe te rekenen.

2.4

De “algemene klacht” wordt onder 4 in zes, hierna als onderdelen aan te duiden “specifieke klachten” (A-F) en onder 5 in een “veegklacht” uitgewerkt

2.5

Onderdeel A klaagt (onder 4.1) dat het hof buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden door - in ieder geval in de rov. 3.2 en 4.9 - documenten in de beoordeling te betrekken die door partijen niet zijn overgelegd en waarop partijen geen beroep hebben gedaan en door uit te gaan van een verkeerde versie van de wet, die in de relevante periode niet van kracht was.

De klacht met betrekking tot het hanteren van een onjuiste versie van art. 7.10a WHW

2.6

Wat betreft het gebruik van een verkeerde versie van de wet, klaagt het onderdeel (onder 4.4) dat het hof in rov. 3.2 de tekst van art. 7.10a WHW heeft weergegeven zoals die luidt sinds de inwerkingtreding op 1 september 2013 van de wet van 10 juli 2013, Stb. 2013, 298, waarbij het tweede lid van dit artikel op een voor de onderhavige zaak relevante wijze is gewijzigd. Voor de beoordeling van deze zaak gaat het om de WHW zoals die luidde vóór 1 september 2002 en vervolgens met ingang van 1 september 2002 tot uiterlijk 29 oktober 2002 (de datum waarop de laatste onderwijsovereenkomst met [verweerders] is gesloten). In die tekst werd ten aanzien van HBO-mastergraden nog niets gesteld over de toevoegingen “of science” en “of arts”. Pas bij wet van 23 december 2004, Stb. 2005, 32 (in werking getreden op 1 maart 2005) werd hierover een volzin aan het tweede lid van art. 7.10a WHW toegevoegd (onderdeel onder 4.5). Dat is volgens het onderdeel relevant, omdat volgens de wet zoals deze luidde in de periode waarin [verweerders] hun onderwijsovereenkomst sloten, voor HBO-masteropleidingen uiteraard wel de graad “master” mocht worden toegekend, maar de wet nog geen verbod bevatte op het daarbij gebruiken van de aanduidingen “of science” en “of arts”; dat verbod trad pas in werking op 1 maart 2005 (onderdeel onder 4.6). Wel was in de memorie van antwoord (Eerste Kamer) van het op 1 september 2002 in werking getreden wetsvoorstel vermeld dat de toevoegingen “of science” en “of arts” waren voorbehouden aan wetenschappelijke bachelor- en masteropleidingen (onderdeel onder 4.8). SNR heeft dan ook in eerste aanleg gesteld dat eventuele onduidelijkheid (pas) bij de Aanpassingswet, die op 1 maart 2005 in werking trad, is weggenomen (onderdeel onder 4.9). Kennelijk heeft het hof geoordeeld dat de wettelijke regeling duidelijk was, maar heeft zich daartoe buiten de rechtsstrijd van partijen begeven en niet geoordeeld op basis van de in de relevante periode toepasselijke wettelijke bepalingen, hoewel SNR daarop wel een beroep had gedaan en de relevante wetteksten ook uitgebreid had besproken (onderdeel onder 4.10).

Het onderdeel wijst nog erop dat het hof zelf in de laatste alinea van rov. 3.2 naar de wetswijziging van 23 december 2004 (door het hof ten onrechte gedateerd op 23 september 2004), Stb. 2005, 32, die in werking is getreden op 1 maart 2005 heeft verwezen, echter niet naar de daarbij in art. 7.10a WHW aangebrachte wijziging, maar naar de wijziging van art. 7.19a lid 2 WHW, waarbij de afkorting “MA” in de wet werd geregeld (onderdeel onder 4.11). Het hof heeft verder niets over deze wijziging van art. 7.19a WHW overwogen, maar lijkt te hebben miskend dat ook de aanduiding “MA” voor 1 maart 2005 niet duidelijk in de wet was geregeld (onderdeel 4.12).

2.7

In de feitelijke instanties hebben beide partijen zich op de tekst van art. 7.10a WHW beroepen. Dat SNR dit heeft gedaan, blijkt reeds uit het onderdeel, onder meer onder 4.10; voor een beroep van [verweerders] op de genoemde bepaling kan onder meer op de memorie van grieven onder 2.2 worden gewezen. Door zich (mede) op de tekst van die bepaling te baseren, is het hof derhalve niet buiten de rechtsstrijd van partijen getreden, óók niet als het daarbij van een onjuiste versie van die bepaling zou zijn uitgegaan. Mogelijk heeft het hof in dat laatste geval wél van een onjuiste rechtsopvatting blijk gegeven of heeft het zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Voor zover het onderdeel daarop een beroep bedoelt te doen, wordt de vraag of het hof al dan niet van een onjuiste versie van de bepaling is uitgegaan, hierna besproken.

2.8

Voor de duidelijkheid zal ik allereerst de verschillende versies van de relevante artikelen van de WHW in chronologische volgorde vermelden.

2.9

Voordat art. 7.10a en 7.19a daarin werden opgenomen, bevatte de WHW de volgende regeling betreffende de te voeren titulatuur:

“Artikel 7.20. Titels ir., ing., mr., drs. en bc.

1 Degene die met goed gevolg het afsluitend examen, verbonden aan een opleiding met een studielast van ten minste 168 studiepunten dan wel, wat betreft de opleidingen genoemd in artikel 7.4, derde lid, een examen waarmee een deel van de opleiding dat ten minste 168 studiepunten bedraagt, wordt afgesloten, heeft afgelegd, is gerechtigd tot het voeren van:

a. de titel ingenieur, afgekort tot ir., indien het wetenschappelijk onderwijs betreft op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving of op het gebied van de techniek;

b. de titel ingenieur, afgekort tot ing., indien het hoger beroepsonderwijs betreft op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving of op het gebied van de techniek;

c. de titel meester, afgekort tot mr., indien het wetenschappelijk onderwijs betreft op het gebied van het recht;

d. de titel doctorandus, afgekort tot drs., indien het wetenschappelijk onderwijs betreft waarop de onderdelen a en c niet van toepassing zijn;

e. de titel baccalaureus, afgekort tot bc., indien het hoger beroepsonderwijs betreft waarop onderdeel b niet van toepassing is.

2 De in het eerste lid genoemde titels worden uitsluitend gevoerd door degenen die daartoe op grond van dat lid gerechtigd zijn.

3 De in het eerste lid genoemde titels worden, afgekort, voor de naam geplaatst.

4 In verband met het met goed gevolg afgelegd hebben van een examen aan een instelling voor hoger onderwijs worden voor de naam geen andere aanduidingen gebezigd dan de in het eerste lid genoemde.

Artikel 7.21. Titels Master en Bachelor

1 Degene die op grond van artikel 7.20, eerste lid, onder a, c of d, gerechtigd is tot het voeren van een in de desbetreffende bepaling genoemde titel, is tevens gerechtigd in plaats daarvan de titel Master te voeren.

2 Degene die op grond van artikel 7.20, eerste lid onder b of e, of artikel 7.20a, eerste lid, gerechtigd is tot het voeren van de in de desbetreffende bepaling genoemde titel, is tevens gerechtigd in plaats daarvan de titel Bachelor te voeren.

3 De titels Master en Bachelor worden, afgekort tot onderscheidenlijk M. en B., achter de naam geplaatst en desgewenst gevolgd door een aanduiding van de aard van het afgelegde afsluitend examen.”

2.10

Art. 7.10a en 7.19a zijn bij wet van 6 juni 2002, Stb. 2002, 303 (in werking getreden op 1 september 2002) in de WHW opgenomen, en luidden toen als volgt:

“Artikel 7.10a. Verlening van graden

1 Het instellingsbestuur verleent de graad Bachelor en de graad Master aan degene die met goed gevolg het afsluitend examen van een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs onderscheidenlijk het afsluitend examen van een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs heeft afgelegd. Afhankelijk van het vakgebied waarin het met goed gevolg afgelegde afsluitend examen van een bacheloropleiding onderscheidenlijk het met goed gevolg afgelegde examen van een masteropleiding is afgelegd, wordt aan de verleende graad toegevoegd «of arts» dan wel «of science».

2 Het instellingsbestuur verleent de graad Bachelor en de graad Master aan degene die met goed gevolg het afsluitend examen van een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs onderscheidenlijk het afsluitend examen van een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs heeft afgelegd.

3 Het bestuur van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 5a.1, tweede lid, verleent de graad Master aan degene die met goed gevolg het afsluitend examen van een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3 b, onder a of b, heeft afgelegd.

4 Het instellingsbestuur of het bestuur van de rechtspersoon, bedoeld in het derde lid, voegt aan een graad toe de vermelding van het vakgebied of het beroepenveld waarop de graad betrekking heeft.

Artikel 7.19 a. Graden Bachelor en Master

Degene aan wie op grond van artikel 7.10 a een graad is verleend, is gerechtigd die graad in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen, desgewenst aangevuld met de vermelding, bedoeld in artikel 7.10 a, vierde lid. ”

2.11

Met inwerkingtreding van de wet van 23 december 2004, Stb. 2005, 32 (per 1 maart 2005) kwamen de bepalingen als volgt te luiden:

“Artikel 7.10a. Verlening van graden

1 Het instellingsbestuur verleent de graad Bachelor en de graad Master aan degene die met goed gevolg het afsluitend examen van een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs onderscheidenlijk het afsluitend examen van een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs heeft afgelegd. Afhankelijk van het vakgebied waarin het met goed gevolg afgelegde afsluitend examen van een bacheloropleiding onderscheidenlijk het met goed gevolg afgelegde examen van een masteropleiding is afgelegd, wordt aan de verleende graad toegevoegd «of Arts» dan wel «of Science». Bij ministeriële regeling kan voor een opleiding of een groep van opleidingen aan een in dit lid bedoelde graad een andere toevoeging dan die, bedoeld in de tweede volzin, worden vastgesteld.

2 Het instellingsbestuur verleent de graad Bachelor en de graad Master aan degene die met goed gevolg het afsluitend examen van een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs onderscheidenlijk het afsluitend examen van een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs heeft afgelegd. Het instellingsbestuur kan voor een opleiding of een groep van opleidingen aan een in dit lid bedoelde graad een andere toevoeging dan die, bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, vaststellen.

3 Het bestuur van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 5a.1, tweede lid, verleent de graad Master aan degene die met goed gevolg het afsluitend examen van een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3 b, onder a of b, heeft afgelegd. De tweede volzin van het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.

4 Het instellingsbestuur of het bestuur van de rechtspersoon, bedoeld in het derde lid, voegt aan een graad toe de vermelding van het vakgebied of het beroepenveld waarop de graad betrekking heeft.

Artikel 7.19 a. Graden Bachelor en Master

1 Degene aan wie op grond van artikel 7.10 a een graad is verleend, is gerechtigd die graad in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen, desgewenst aangevuld met de vermelding, bedoeld in artikel 7.10 a, vierde lid.

2 De graad, bedoeld in het eerste lid, en de toevoegingen, bedoeld in artikel 7.10a, eerste lid, worden als volgt aangeduid:

a. Bachelor: B,

b. Master: M,

c. Bachelor met de toevoeging «of Arts»: BA,

d. Bachelor met de toevoeging «of Science»: BSc,

e. Master met de toevoeging «of Arts»: MA, en

f. Master met de toevoeging «of Science»: MSc.

De graad en de toevoeging worden in de naamsvermelding achter de naam geplaatst, desgewenst aangevuld met de vermelding, bedoeld in artikel 7.10 a, vierde lid. ”

2.12

Na de laatste wijziging van deze artikelen bij wet van 10 juli 2013, Stb. 2013, 298 (in werking getreden op 1 september 2013) is de tekst van deze bepalingen uiteindelijk als volgt komen te luiden:

“Artikel 7.10a. Verlening van graden

1 Het instellingsbestuur verleent de graad Bachelor en de graad Master aan degene die met goed gevolg het afsluitend examen van een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs onderscheidenlijk het afsluitend examen van een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs heeft afgelegd. Afhankelijk van het vakgebied waarin het met goed gevolg afgelegde afsluitend examen van een bacheloropleiding onderscheidenlijk het met goed gevolg afgelegde examen van een masteropleiding is afgelegd, wordt aan de verleende graad toegevoegd «of Arts» dan wel «of Science». Bij ministeriële regeling kan voor een opleiding of een groep van opleidingen met betrekking tot een in dit lid bedoelde graad een andere toevoeging dan die, bedoeld in de tweede volzin, worden vastgesteld.

2 Het instellingsbestuur verleent de graad Bachelor en de graad Master aan degene die met goed gevolg het afsluitend examen van een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs onderscheidenlijk het afsluitend examen van een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs heeft afgelegd. Afhankelijk van het vakgebied waarin het met goed gevolg afgelegde afsluitend examen van een bacheloropleiding onderscheidenlijk het met goed gevolg afgelegde afsluitend examen van een masteropleiding is afgelegd, wordt aan de verleende graad de toevoeging verbonden die op grond van artikel 5a.2, lid 2 a, onder a, met positief resultaat is getoetst.

3 Het bestuur van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 5a.1, tweede lid, verleent de graad Master aan degene die met goed gevolg het afsluitend examen van een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3 b, onder a of b, heeft afgelegd. De tweede en derde volzin van het eerste lid zijn van overeenkomstige toepassing op een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3b, onder a. De tweede volzin van het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3 b, onder b.

4 Het instellingsbestuur kan de graad en de toevoeging aanvullen met de vermelding van het vakgebied of het beroepenveld waarop de graad betrekking heeft.

Artikel 7.19 a. Graden Bachelor, Master en Associate degree

1 Degene aan wie op grond van artikel 7.10 a een graad is verleend, is gerechtigd die graad in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen, desgewenst aangevuld met de vermelding, bedoeld in artikel 7.10 a, vierde lid.

2 De graden en de toevoegingen, bedoeld in artikel 7.10 a, worden als volgt aangeduid:

a. Bachelor: B,

b. Master: M,

c. Bachelor met de toevoeging «of Arts»: BA,

d. Bachelor met de toevoeging «of Science»: BSc,

e. Bachelor of Master met een andere toevoeging als bedoeld in artikel 7.10a, eerste lid, de rde volzin,

f. Master met de toevoeging «of Arts»: MA,

g. Master met de toevoeging «of Science»: MSc, en

h. Bachelor of Master met een toevoeging als bedoeld in artikel 7.10a, tweede lid, tweede volzin.

3 Indien artikel 7.10a, eerste lid, de rde volzin, toepassing heeft gevonden, worden de afkorting van de desbetreffende graden met toevoegingen bij ministeriële regeling vastgesteld.

3a Indien artikel 7.10a, tweede lid, tweede volzin, is toegepast, wordt de afkorting van de desbetreffende graden met toevoegingen bij ministeriële regeling vastgesteld.

4 Degene aan wie op grond van artikel 7.10 b de graad Associate degree is verleend, is gerechtigd die graad in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen. De afkorting van die graad is Ad.

5 De graad en de toevoeging worden, afgekort, in de naamsvermelding achter de naam geplaatst, desgewenst aangevuld met de vermelding, bedoeld in artikel 7.10 a, vierde lid. ”

2.13

In rov. 3.2 heeft het hof art. 7.10a WHW aangehaald. Het betreft daar - zoals het onderdeel betoogt - (een deel van) de versie van ná de inwerkingtreding van de wet van 10 juli 2013, Stb. 2013, 298, op 1 september 2013. Ik geef hieronder deze versie weer met daarin gecursiveerd de toevoegingen ten opzichte van de hierboven vermelde eerdere versie die gold met ingang van 1 september 2002:

“Artikel 7.10a. Verlening van graden

1 Het instellingsbestuur verleent de graad Bachelor en de graad Master aan degene die met goed gevolg het afsluitend examen van een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs onderscheidenlijk het afsluitend examen van een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs heeft afgelegd. Afhankelijk van het vakgebied waarin het met goed gevolg afgelegde afsluitend examen van een bacheloropleiding onderscheidenlijk het met goed gevolg afgelegde examen van een masteropleiding is afgelegd, wordt aan de verleende graad toegevoegd «of Arts» dan wel «of Science». Bij ministeriële regeling kan voor een opleiding of een groep van opleidingen met betrekking tot een in dit lid bedoelde graad een andere toevoeging dan die, bedoeld in de tweede volzin, worden vastgesteld.

2 Het instellingsbestuur verleent de graad Bachelor en de graad Master aan degene die met goed gevolg het afsluitend examen van een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs onderscheidenlijk het afsluitend examen van een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs heeft afgelegd. Afhankelijk van het vakgebied waarin het met goed gevolg afgelegde afsluitend examen van een bacheloropleiding onderscheidenlijk het met goed gevolg afgelegde afsluitend examen van een masteropleiding is afgelegd, wordt aan de verleende graad de toevoeging verbonden die op grond van artikel 5a.2, lid 2 a, onder a, met positief resultaat is getoetst.

(…)

De verschillen tussen de door het hof aangehaalde versie en de bij de wet van 23 december 2004, Stb. 2005, 32 (per 1 maart 2005) gewijzigde versie zijn nog minder groot. In die laatste versie kwam, in plaats van de hierboven in art. 7.10a lid 1 gecursiveerde volzin, reeds een goeddeels gelijkluidende volzin voor:

“Bij ministeriële regeling kan voor een opleiding of een groep van opleidingen aan een in dit lid bedoelde graad een andere toevoeging dan die, bedoeld in de tweede volzin, worden vastgesteld.”

En in die laatste, per 1 maart 2005 geldende versie bevatte art. 7.10a in plaats van de hierboven in art. 7.10a lid 2 gecursiveerde volzin, een niet minder pregnante volzin:

“Het instellingsbestuur kan voor een opleiding of een groep van opleidingen aan een in dit lid bedoelde graad een andere toevoeging dan die, bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, vaststellen.”

Uit het voorgaande volgt voorts dat, zoals ook het hof in rov. 3.2 heeft vermeld, eerst bij wet van 23 december 2004, Stb. 2005, 32 (inwerkingtreding 1 maart 2005) in art. 7.19a WHW is bepaald dat de graad “Master of Arts” wordt aangeduid en afgekort als MA en de graad “Master of Science” als MSc.

2.14

De vraag luidt nu of het feit dat het hof de versie van art. 7.10a WHW van na 1 september 2013 heeft aangehaald, het oordeel van het hof onbegrijpelijk maakt en of het oordeel van het hof, in het licht van de eerdere versie van het artikel, niet langer houdbaar zou zijn en het hof derhalve, indien het van de eerdere versie was uitgegaan, tot een ander oordeel zou (moeten) zijn gekomen.

2.15

Het relevante oordeel van het hof is te vinden in rov. 4.7-4.11 (waarin ik de meest relevante passages heb onderstreept):

“4.7 Het hof stelt in dit verband voorop dat op grond van art. 6:75 BW geldt dat een tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend, indien zij niet te wijten is aan schuld, noch krachtens wet, rechtshandeling of in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt. Daarbij geldt dat afdeling 9 van titel 1 BW ook van toepassing is, indien nakoming van een verbintenis van meet af aan onmogelijk is geweest.

4.8

SNR heeft in dit verband betoogd dat haar niet valt te verwijten, althans dat het niet voor haar risico komt, dat zij in de onzekere periode rond de wijziging van de WHW per 1 september 2002 en het daaruit voortvloeiende verbod aan niet universitaire masteropleidingen om de graad “Master of Arts” te verlenen, in onzekerheid verkeerde over de titel die verleend mocht worden aan afgestudeerden van de opleiding. Daarbij heeft SNR gewezen op de nog in 2003 aan de opleiding door de DVC verleende kandidaataccreditatie en haar veronderstelling dat dit betekende dat bij het afstuderen aan de opleiding de graad “Master of Arts” wel degelijk kon worden verleend en op het feit dat het nvao i.o. haar pas in december 2004 informeerde over de juiste graad. SNR betoogt dat eerst op dat moment (december 2004) een eerste signaal is afgegeven dat de opleiding na voltooiing geen recht gaf op de graad “master of arts”, maar op de graad MSR (Master Stressmanagement en Reïntegratie) en dat eerst in februari 2008, met de brief van het Ministerie van OCW, volstrekte duidelijkheid is gecreëerd over de aan de tot 1 juli 2007 aan de opleiding afgestudeerde studenten te verlenen graad, te weten MSR (in plaats van “Master of Arts”).

Naar het oordeel van het hof kunnen de genoemde omstandigheden echter geen rechtvaardiging vormen voor het feit dat SNR de in r.o. 4.4 e.v. vastgestelde toezeggingen aan [verweerders] heeft gedaan. In tegendeel, de gestelde onzekerheid omtrent de te verlenen graad had SNR juist van het doen van die toezeggingen moeten weerhouden, althans haar ertoe moeten bewegen op dit punt een voldoende duidelijk voorbehoud te maken.

4.9

Ook overigens heeft SNR geen concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat haar niet kan worden verweten dat zij voornoemde toezeggingen heeft gedaan, althans dat de niet nakoming van die toezeggingen niet voor haar rekening zou moeten komen. Het hof acht in dit verband onvoldoende de stelling dat SNR is afgegaan op hetgeen de DVC haar had medegedeeld omtrent de bevoegdheid om de MA-graad aan de studenten van de cohorten I t/m III te verlenen. Met de wijziging van de WHW per 1 september 2002 en de invoering van het bachelor/masterstelsel in Nederland bestond immers een belangrijke indicatie om aan te nemen dat SNR als instelling van hoger beroepsonderwijs niet bevoegd was de MA-titel toe te kennen. Aan art 7.10a WHW, zoals dat op die datum is gaan luiden, kan redelijkerwijs niet de uitleg worden gegeven dat een hogeschool die bevoegdheid had. Het eerste lid van het artikel ziet duidelijk op de bevoegdheden van een instellingsbestuur in het wetenschappelijk onderwijs; alleen een zodanig bestuur is bevoegd om de graad “bachelor” respectievelijk “master” te verlenen aan degene die met goed gevolg het afsluitend examen van een bacheloropleiding respectievelijk het afsluitend examen in het wetenschappelijk onderwijs heeft afgelegd. Dit artikellid bepaalt verder dat achter deze graad bachelor of master de woorden “of arts” dan wel “of science” wordt toegevoegd, afhankelijk van het vakgebied waarin het met goed gevolg afgelegde afsluitend examen van een bacheloropleiding onderscheidenlijk het met goed gevolg afgelegde examen van een masteropleiding is afgelegd. Het tweede lid van artikel 7.10a WHW ziet op de bevoegdheden van een instellingbestuur in het hoger beroepsonderwijs en bepaalt dat zodanig bestuur de graad bachelor en de graad master verleent aan degene die met goed gevolg het afsluitend examen van een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs onderscheidenlijk het afsluitend examen van een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs heeft afgelegd. Ook in de handelingen van de Eerste Kamer met betrekking tot wetsontwerp 28 024 (vergaderjaar 2001-2002, 28 024, nr. 232c, memorie van antwoord, bladzijde 39), daterend van de periode vóór de wetswijziging, is reeds te lezen dat de minister in antwoord op vragen van leden van de Eerste Kamer antwoordt:

“Het is juist dat de hogescholen in beginsel zelf binnen het kader van het voorgestelde artikel 7.10 a aangeven welke benaming zij voor een graad gebruiken. De instelling voegt aan de graad de vermelding van het vakgebied of het beroepenveld toe waarop de opleiding betrekking heeft. De toevoegingen “of arts” en “of science ” zijn evenwel voorbehouden aan wetenschappelijke bachelor- en master opleidingen. Het accreditatieorgaan toetst of “de vlag de lading dekt”.

Daarnaast is de in r.o. 3.2 van dit arrest geciteerde notitie van de Minister van OCW van november 2000 relevant, waaruit duidelijk blijkt dat het steeds het voornemen van de Regering is geweest om de graden bachelor en master of science en arts te reserveren voor wo-opleidingen.

SNR heeft niet, althans in onvoldoende mate toegelicht dat en om welke reden zij bij het aangaan van de overeenkomsten met [verweerders] en de in dat kader nog in september 2004 aan [verweerders] gedane toezeggingen niet van de consequenties van de (naderende) wetgeving en de genoemde voorbereidende stukken op de hoogte was of heeft kunnen zijn. Het lag op de weg van SNR zich daarvan wel op de hoogte te stellen, zeker nu zij zich voor het eerst in dit opleidingssegment begaf.

4.10

In het bijzonder nu vaststaat dat belangrijke indicaties bestonden op grond waarvan aan de informatie van de DVC op zijn minst kon worden getwijfeld, lag het op de weg van SNR om niet op de van DVC verkregen informatie af te gaan zonder ook zelf voldoende inspanning en zorgvuldigheid te betrachten om de juistheid van die informatie te verifiëren. In beginsel mag immers redelijkerwijs van een onderwijsinstelling die omtrent de met haar opleidingen te verwerven titulatuur aan (toekomstige) studenten bepaalde toezeggingen doet, worden verwacht dat zij zich er tevoren deugdelijk van vergewist of zij op grond van de toepasselijke (al dan niet toekomstige) wetgeving tot het naleven van haar toezeggingen in staat zal zijn en dat zij, indien op dit punt enige onzekerheid bestaat, de betrokken studenten daarvan in kennis stelt.

SNR heeft aangevoerd dat de nvao pas met ingang van 1 januari 2005 (in de per die datum gewijzigde WHW) als accreditatieorgaan met name werd genoemd en in de periode tussen 1 september 2002 en 1 januari 2005 slechts in oprichting was, zodat SNR er ook daarom vanuit is gegaan dat tot die tijd de DVC accreditaties gelding bleven behouden. Tegen de achtergrond van de hierboven in 3.2 en 4.9 geschetste uitgangspunten van de per 1 september 2002 gewijzigde WHW en het daarin duidelijk vastlegde onderscheid tussen graden in het wo-onderwijs en het hbo-onderwijs, acht het hof deze stellingen, wat daar ook van zij, onvoldoende om aan te nemen dat SNR op dit punt niet tot enig (nader) onderzoek gehouden was.

4.11.

De conclusie uit het voorgaande luidt dan ook dat SNR onvoldoende heeft gesteld om haar beroep op overmacht te doen slagen. Aldus moet als vaststaand worden aangenomen dat de tekortkoming van SNR - zo al niet aan schuld te wijten - in ieder geval voor haar risico behoort te blijven.”

2.16

In de zojuist aangehaalde overwegingen van het hof wordt geen enkele betekenis toegekend aan de in de door het hof aangehaalde versie opgenomen toevoegingen ten opzichte van de eerdere, sedert 1 september 2002 geldende versie van art. 7.10a WHW. Hoewel het hof in rov. 4.9 de tekst van de leden 1 en 2 van dit artikel uitvoerig heeft besproken en deze tekst daarbij nagenoeg volledig en woordelijk heeft aangehaald, doet het hof dat juist niet met betrekking tot de latere toevoegingen. Die latere toevoegingen waren niet bepalend voor de geciteerde overwegingen. Er is daarom geen enkele reden om aan te nemen dat het hof anders zou hebben geoordeeld als het de eerdere versie van art. 7.10a WHV zou hebben aangehaald en ook van die eerdere versie (zonder de daarin later opgenomen toevoegingen) zou zijn uitgegaan.

Het feit dat (eerst) bij wet van 23 september 2004, Stb. 2005, 32 (inwerkingtreding 1 maart 2005) in art. 7.19a WHW is opgenomen dat de graad “Master of Arts” wordt aangeduid als MA en de graad “Master of Science” als MSc, heeft het hof blijkens rov. 3.2 (en de verwijzing naar die rechtsoverweging in de laatste zin van rov. 4.10) kennelijk in zijn beoordeling betrokken. Temeer waar de aanduiding MA ook al vóór de wettelijke verankering daarvan in art. 7.19a WHW voor het inmiddels al wel in art. 7.10a lid 1 WHW geregelde begrip “Master of Arts” placht te worden gebruikt, behoefde de latere wettelijke verankering van de aanduiding MA het hof niet te weerhouden van zijn oordeel dat in de relevante periode (voor 1 maart 2005) reeds belangrijke indicaties bestonden op grond waarvan minst genomen moest worden betwijfeld of SNR de graad Master of Arts aan haar opleiding mocht verbinden en dat SNR de volgens het hof gedane toezeggingen daarom niet zonder enig nader onderzoek had mogen doen.

2.17

Het onderdeel betoogt nog dat in de tekst van de eerdere versie van art. 7.10a WHW ten aanzien van HBO-mastergraden niets werd gesteld over de toevoegingen “of science” en “of arts”. Pas bij wet van 23 december 2004, Stb. 2005, 32 werd hierover volgens het onderdeel een volzin aan het tweede lid van art. 7.10a WHW toegevoegd. Dit is volgens het onderdeel relevant, omdat blijkens de wettekst zoals die luidde in de relevante periode, waarin [verweerders] hun onderwijsovereenkomst sloten, voor HBO-masteropleidingen uiteraard wel de graad “master” mocht worden toegekend, maar de wet nog geen verbod bevatte op het daarbij gebruiken van de aanduidingen “of science” en “of arts”; dat verbod trad pas op 1 maart 2005 in werking.

2.18

Dat in de per 1 september 2002 geldende versie van art. 7.10a lid 2 WHW niets werd gesteld over de toevoegingen “of science” en “of arts”, was (in de terminologie van het hof) een sterke indicatie dat dergelijke toevoegingen voor HBO-mastergraden niet waren beoogd. Dat art. 7.10a lid 1 die toevoegingen voorschreef voor de WO-mastergraden en art. 7.10a lid 2 daarover met betrekking tot de HBO-mastergraden zweeg, impliceerde dat laatstgenoemde bepaling slechts verlening van een mastertitel zonder die toevoegingen toestond. Weliswaar bepaalde art. 7.10a lid 4 dat het instellingsbestuur of het bestuur van de rechtspersoon (waarbij met instellingsbestuur zowel op het in het eerste lid als het in het tweede lid bedoelde instellingsbestuur werd gedoeld) aan een graad een vermelding toevoegde van het vakgebied of het beroepenveld waarop de graad betrekking had, maar die bepaling had onmiskenbaar geen betrekking op de toevoegingen “of arts” en “of science”, die (uitsluitend) in het eerste lid regeling hadden gevonden.

Per 1 maart 2005 bepaalde art. 7.10a lid 2 WHW dat het instellingsbestuur voor een opleiding of een groep van opleidingen aan een mastergraad een andere toevoeging dan die, bedoeld in het eerste lid, tweede volzin (de toevoegingen “of Arts” en “of Science”) kan vaststellen. Met de wijziging per 1 maart 2005 was het dus nog steeds niet toegestaan aan HBO-mastergraden de toevoeging “of Arts” te verbinden. Overigens is óók in de per 1 maart 2005 geldende versie van art. 7.10a WHW de toevoeging van de vermelding van het vakgebied of het beroepenveld waarop de graad betrekking heeft, in het vierde lid afzonderlijk geregeld. De toevoeging van een dergelijke vermelding is derhalve, óók in de per 1 maart 2005 geldende versie van de bepaling, iets anders dan de toevoeging “of Arts” dan wel “of Science”.

In de per 1 september 2013 geldende versie van de bepaling is evenmin sprake van toevoeging van “of Arts” dan wel “of Science” aan HBO-mastergraden. Weliswaar is in toevoegingen, afhankelijk van het vakgebied, voorzien, maar die toevoegingen moeten met positief resultaat zijn getoetst door het accreditatieorgaan op grond van art. 5a.2 lid 2a onder a WHW. Ook in de per 1 september 2013 geldende versie is de vermelding van het vakgebied of het beroepenveld waarop de graad betrekking heeft, afzonderlijk in het vierde lid geregeld (“Het instellingsbestuur kan de graad en de toevoeging aanvullen met de vermelding van het vakgebied of het beroepenveld waarop de graad betrekking heeft.”).

Anders dan het onderdeel betoogt, zijn er tussen de verschillende versies van art. 7.10a WHW hooguit graduele verschillen met betrekking tot de duidelijkheid waarmee de bepaling uitsluit dat aan HBO-mastergraden de toevoeging “Master of Arts” wordt verbonden. Die verschillen zijn niet van dien aard dat zij het hof hadden moeten weerhouden van het oordeel dat SNR minst genomen had moeten twijfelen over de toelaatbaarheid van een dergelijke toevoeging, óók over de relevante periode (vóór 1 maart 2005), en de volgens het hof gedane toezeggingen daarom niet zonder nader onderzoek had mogen doen, althans een duidelijk voorbehoud had moeten maken.

De klacht met betrekking tot het gebruik van niet door partijen overgelegde stukken

2.19

Met betrekking tot de klacht dat het hof in zijn beoordeling documenten heeft betrokken die niet door partijen zijn overgelegd en waarop partijen geen beroep hebben gedaan, vermeldt het onderdeel (onder 4.2) dat het hof in rov. 3.2 heeft verwezen naar een door het hof veronderstelde uitvoerige, openbare consultatie- en adviesperiode die aan de wetswijziging van 1 september 2002 zou zijn voorafgegaan, waarvan een advies van de commissie Rinnooy Kan en een notitie van de minister van OCW van november 2000 (Kamerstukken II 2000/01, 27 496, nr. 1) deel zouden hebben uitgemaakt. Voorts wijst het onderdeel erop dat het hof in rov. 4.9 naar de genoemde notitie heeft verwezen en die notitie kennelijk relevant heeft geacht, omdat daaruit duidelijk blijkt dat het steeds het voornemen van de regering is geweest om de graden bachelor en master of science en arts voor wo-opleidingen (wat de onderhavige opleiding niet is) te reserveren. Het onderdeel klaagt (onder 4.3) dat geen van beide partijen op die notitie (en ook niet op de door het hof veronderstelde consultatie) een beroep heeft gedaan, noch daarover iets in het geding heeft gebracht. De bedoelde stukken maken volgens het onderdeel ook geen deel uit van de parlementaire documenten met betrekking tot de hier relevante wetswijziging. Door deze toch aan te halen en relevant te achten voor de beoordeling van de zaak, is het hof buiten de rechtsstrijd van partijen getreden, aldus het onderdeel.

2.20

Bij de behandeling van de klacht stel ik voorop dat het hof de bedoelde stukken en meer in het bijzonder de notitie van de minister (alsmede de veronderstelling dat aan de wetswijziging per 1 september 2002 een uitvoerige, openbare consultatie- en adviesperiode is voorafgegaan) niet (mede) ten grondslag heeft gelegd aan een (rechts)oordeel met betrekking tot de uitleg van de WHW, hetgeen het hof naar mijn mening zou hebben vrijgestaan, ook als de bedoelde stukken en de bedoelde consultatie- en adviesperiode niet in het partijdebat zouden zijn betrokken. Het hof heeft die stukken (en de veronderstelde consultatie- en adviesronde) daarentegen ten grondslag gelegd aan zijn oordeel dat belangrijke indicaties bestonden op grond waarvan SNR had moeten twijfelen over de toelaatbaarheid van de verlening van de graad Master of Arts voor de door haar verzorgde opleiding en die met zich brengen dat SNR toerekenbaar in de uitvoering van de studieovereenkomsten is tekortgeschoten door zonder nader onderzoek en zonder duidelijk voorbehoud de door het hof bedoelde toezegging te doen dat na afronding van die opleiding de graad van Master of Arts zou worden verleend.

2.21

Ik roep in dit verband de opbouw van het bestreden arrest in de herinnering. Na in rov. 4.6 de conclusie te hebben getrokken dat SNR in de nakoming van de overeenkomsten is tekortgeschoten, heeft het hof in rov. 4.7 onder ogen gezien dat vervolgens de toerekenbaarheid van die tekortkoming dient te worden onderzocht. In rov. 4.8 heeft het hof onderkend dat SNR ter zake verweer heeft gevoerd en daarbij onder meer op de door DVC verleende kandidaataccreditatie heeft gewezen. Om de in de rov. 4.9 en 4.10 uiteengezette redenen schiet dat verweer volgens het hof tekort, “(i)n het bijzonder nu vaststaat dat belangrijke indicaties bestonden op grond waarvan aan de informatie van de DVC op zijn minst kon worden getwijfeld” en het “op de weg van SNR (lag) om niet op de van DVC verkregen informatie af te gaan zonder ook zelf voldoende inspanning en zorgvuldigheid te betrachten om de juistheid van die informatie te verifiëren” (de geciteerde passages zijn ontleend aan rov. 4.10, eerste volzin). In rov. 4.12, eerste volzin, heeft het hof geconcludeerd dat “SNR toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de studieovereenkomsten met [verweerders]”.

2.22

Bij dit alles is bovendien van belang dat in eerste aanleg uitdrukkelijk over de toerekenbaarheid van een eventuele tekortkoming was beslist. In rov. 4.3 van het tussenvonnis van 22 februari 2012 oordeelde de rechtbank:

“(…) Daar komt bij dat met name tegenover het standpunt van SNR dat de vermeende tekortkoming, gelet op de wetswijziging, niet toerekenbaar is, [verweerders] niet hebben aangevoerd op welke gronden dat wel het geval is. Daarom is de vordering op de oorspronkelijke grondslag (de onmogelijkheid de graad Master of Arts aan de door SNR verzorgde opleiding te verbinden; LK) bovendien niet toewijsbaar.”

In rov. 2.5 van het eindvonnis heeft de rechtbank die eerdere beslissing nog eens herhaald:

“(…) De rechtbank heeft echter in rechtsoverweging 4.3 van haar tussenvonnis van 22 februari 2012 overwogen en beslist dat tegenover de stelling van SNR dat het niet verlenen van een universitaire titel een gevolg van wetgeving was en daarmee niet aan SNR toerekenbaar is, door [verweerders] onvoldoende verweer is gevoerd.”

[verweerders] zijn met grief IV tegen rov. 4.3 van het tussenvonnis opgekomen. In hun toelichting op die grief hebben zij onder meer het volgende gesteld:

“4.4.5 De rechtbank stelt voorts ten onrechte dat appellanten niet zouden hebben aangevoerd op welke gronden het tekortschieten door SNR aan SNR toerekenbaar zou zijn. Op pagina 6, alinea 1 van de dagvaarding in eerste aanleg hebben appellanten aangegeven dat de toerekenbaarheid volgt uit het feit dat het SNR is geweest dat aan appellanten heeft gecommuniceerd dat appellanten door het volgen van de studie in het bezit van de MA titel zouden kunnen komen. Daartegenover heeft SNR gesteld dat het niet kunnen nakomen van die toezegging niet toerekenbaar zou zijn op grond van een wetswijziging waarvoor SNR niet verantwoordelijk gehouden zou kunnen worden.

4.4.6

Onder deze omstandigheden kan de rechtbank niet stellen dat appellanten niet hebben aangevoerd op grond waarvan de tekortkoming toerekenbaar is. De rechtbank in eerste aanleg had daarentegen moeten onderzoeken of het verweer dat SNR daartegen voerde er toe kon leiden dat de tekortkoming niet kon worden toegerekend aan SNR. (…)”

SNR heeft bij memorie van antwoord de grief onder meer als volgt bestreden:

“81 SNR heeft uiteraard al bij Conclusie van Antwoord aangevoerd dat, zo er al sprake zou zijn van een tekortkoming, die haar niet toerekenbaar is. De Rechtbank heeft dit dus correct vastgesteld. (…)

82. Appellanten hebben daar niets tegenover gesteld, noch bij gelegenheid van de Comparitie van antwoord (kennelijk is hier bedoeld: de comparitie van partijen; LK), noch later in de procedure, bijvoorbeeld bij gelegenheid van de Conclusie na Enquête. Zowel in het licht van de oorspronkelijke grondslag voor de vorderingen van appellanten als in het licht van de gewijzigde grondslag voor de vorderingen is de Rechtbank dus tot de feitelijk juiste conclusie gekomen dat het verweer van SNR dat een eventuele tekortkoming aan haar niet toerekenbaar is door appellanten niet bestreden is. De conclusie is absoluut niet gebrekkig gemotiveerd.

(…)

86 Anders dan appellanten in paragraaf 4.4.5 van de Memorie van Grieven veronderstellen heeft de Rechtbank in r.o. 4.3 van het vonnis van 22 februari 2012 niet geoordeeld dat appellanten in hun inleidende dagvaarding geen toerekenbaarheid van SNR hadden gesteld - dat is inderdaad op p. 6 van die dagvaarding kort gesteld -, maar dat appellanten niet meer zijn ingegaan op de gemotiveerde betwisting daarvan door SNR bij Conclusie van Antwoord en bij Comparitie van partijen. Die vaststelling van de Rechtbank is correct. Anders dan appellanten in paragraaf 4.4.6 van de Memorie van Grieven stellen hoefde de Rechtbank in dat licht niet ambtshalve te onderzoeken of toch sprake was van toerekenbaarheid. Dat staat geheel los van de wijziging van de grondslag van de vordering.”

2.23

De vierde grief van [verweerders] lijkt inderdaad uit te gaan van de misvatting dat de rechtbank [verweerders] zou hebben tegengeworpen zich niet op toerekenbaarheid van de aan SNR verweten tekortkoming te hebben beroepen. Wat de rechtbank [verweerders] heeft tegengeworpen, is dat [verweerders] niet hebben gerespondeerd op het gemotiveerde verweer van SNR dat een eventuele tekortkoming haar niet kan worden toegerekend en in het bijzonder niet hebben gesteld waarom dat laatste anders zou zijn. Ter ontkrachting van dat verwijt kan uiteraard niet (zoals in de memorie van grieven wordt gedaan) worden teruggegrepen op de “beginstelling” van [verweerders] in de inleidende dagvaarding dat de toerekenbaarheid volgt uit het feit dat SNR nu eenmaal aan [verweerders] heeft gecommuniceerd dat [verweerders] door het volgen van de studie in het bezit van de MA titel zouden kunnen komen. Wat de rechtbank miste, was voortgezet debat naar aanleiding van het gemotiveerde beroep van SNR op het ontbreken van toerekenbaarheid van een eventuele tekortkoming, welk voortgezet debat (overigens niet alleen in eerste aanleg, maar ook in hoger beroep) inderdaad ontbrak, laat staan dat [verweerders] zich in dat verband zouden hebben beroepen op de door het hof in rov. 4.9 genoemde voorbereidende stukken, die, naar het oordeel van het hof in rov. 4.10, belangrijke indicaties waren dat SNR niet zonder meer had mogen aannemen dat de graad Master of Arts (nog) aan de door haar verzorgde opleiding kon worden verbonden en dat zij zich niet zonder meer naar het ter disculpatie door haar aangevoerde standpunt van DVC had mogen richten.

2.24

Het hof heeft grief IV van [verweerders] niet afzonderlijk besproken. Wel heeft het in rov. 4.6, slot, uitdrukkelijk overwogen dat stelplicht en bewijslast ter zake van het ontbreken van toerekenbaarheid op SNR rusten. Dat is op zichzelf juist, maar vormt niet een weerlegging van het oordeel van de rechtbank dat [verweerders] onvoldoende verweer hebben gevoerd met betrekking tot het wel degelijk door SNR gestelde ontbreken van toerekenbaarheid. [verweerders] hebben dergelijk verweer in hoger beroep niet alsnog gevoerd, maar hebben gesuggereerd dat het geheel aan de rechtbank was om te onderzoeken of hetgeen SNR had aangevoerd ertoe kon leiden dat de tekortkoming niet aan SNR kon worden toegerekend. Dat laatste is in die zin juist dat het uiteraard mogelijk is dat uit de stellingen van de partij op wie de stelplicht en de bewijslast rusten, de door die partij beoogde rechtsgevolgen niet voortvloeien (in welk geval die partij dus niet naar behoren aan haar stelplicht heeft voldaan). Dat geval deed zich naar het oordeel van de rechtbank klaarblijkelijk niet voor, maar ook niet naar het oordeel van het hof, dat de stellingen van SNR weliswaar onvoldoende achtte, maar slechts in het licht van het bestaan van bepaalde indicaties, onder meer gevormd door de door het hof genoemde voorbereidende stukken, waaronder de in rov. 3.2 geciteerde (maar door [verweerders] niet ingeroepen en in het geding überhaupt niet aan de orde gestelde) notitie van de minister van OCW van november 2000. Daarbij heeft het hof bovendien voor mogelijk gehouden dat SNR niet van die stukken op de hoogte was of had kunnen zijn, maar is het aan die mogelijkheid voorbijgegaan “omdat SNR (…) niet, althans in onvoldoende mate (heeft) toegelicht dat en om welke reden zij bij het aangaan van de overeenkomsten met [verweerders] (…) niet van (…) de genoemde voorbereidende stukken op de hoogte was of heeft kunnen zijn.”

2.25

Waar de toerekenbaarheid van de door het hof aangenomen tekortkoming afhing van het bestaan van de door het hof bedoelde indicaties (en de veronderstelling dat SNR met die indicaties bekend was of had kunnen zijn), had het op de weg van [verweerders] gelegen zich - naar aanleiding van het verweer van SNR dat een eventuele tekortkoming haar niet kon worden toegerekend - op die indicaties te beroepen en is het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden door, waar [verweerders] zulks hebben verzuimd, die indicaties en die stukken waaraan die indicaties konden worden ontleend, waaronder in het bijzonder de notitie van de minister van OCW, ambtshalve bij te brengen. Bovendien heeft het hof daarmee in strijd met art. 149 lid 1 Rv gehandeld, nu de rechter slechts die feiten aan zijn beslissing ten grondslag mag leggen die in het geding aan hem ter kennis zijn gekomen en zulks met betrekking tot de bedoelde notitie niet het geval was. Uit het oordeel van het hof kan mijns inziens niet worden afgeleid dat het hof heeft geoordeeld dat de bedoelde notitie is te beschouwen als een feit van algemene bekendheid in de zin van art. 149 lid 2 Rv. Dat de notitie uit openbare bron kenbaar was, is in dit verband niet beslissend. Waar het om gaat, is of het betrokken stuk deze zonder noemenswaardig onderzoek uit algemeen toegankelijke bronnen kan worden achterhaald. Voor de door het hof bedoelde notitie gold dat laatste naar mijn mening niet, waarbij mede betekenis toekomt aan de omstandigheid dat die notitie geen onderdeel vormde van de Kamerstukken met betrekking tot de relevante wijziging van de WHW en zij kennelijk ook is ontgaan aan [verweerders], die haar immers niet (mede) aan hun vordering ten grondslag hebben gelegd. Door (mede) de bedoelde notitie aan zijn oordeel ten grondslag te leggen, heeft het hof voorts het recht van hoor en wederhoor (art. 19 Rv) geschonden, doordat SNR zich ten processe niet over de betekenis van die notitie voor het onderhavige geding heeft kunnen uitlaten; dat laatste klemt temeer nu het hof SNR nota bene heeft aangerekend dat zij “(…) niet, althans in onvoldoende mate (heeft) toegelicht dat en om welke reden zij bij het aangaan van de overeenkomsten met [verweerders] (…) niet van (…) de genoemde voorbereidende stukken op de hoogte was of heeft kunnen zijn”. Dat het hof SNR minst genomen gelegenheid had moeten bieden zich over de notitie uit te laten, geldt naar mijn mening ook in het geval dat, anders dan ik meen, die notitie als feit van algemene bekendheid zou hebben te gelden.

2.26

Het hof heeft de toerekenbaarheid van de tekortkoming van SNR afgeleid uit de som van belangrijke indicaties die SNR over de juistheid van het standpunt van DVC hadden moeten doen twijfelen. Naar mijn mening kan niet zonder meer worden aangenomen dat het hof exact tot hetzelfde oordeel zou zijn gekomen als het dit oordeel niet mede op de bedoelde notitie had kunnen doen steunen. De aan de bedoelde notitie te ontlenen indicatie was in de gedachtegang van het hof kennelijk niet de minst belangrijke; het hof heeft die notitie “relevant” genoemd en geoordeeld dat daaruit “duidelijk blijkt dat het steeds het voornemen van de regering is geweest om de graden bachelor en master of science en arts te reserveren voor wo-opleidingen”. Bovendien was de bedoelde notitie van eerdere datum dan de overige indicaties (de tekst van art. 7.10a WHW en de eveneens door het hof aangehaalde passage uit de Kamerstukken (Eerste Kamer)). In het geval dat de bedoelde notitie van november 2000 buiten beschouwing moet worden gelaten en niet mag worden uitgegaan van de vroegtijdige bekendheid van SNR met het regeringsstandpunt dat de toevoegingen “of science” en “of arts” voor wo-opleidingen zouden moeten worden gereserveerd, zal per individueel geval nader moeten worden onderzocht of op het moment dat SNR de door het hof aangenomen toezeggingen (“voorafgaand aan en bij het sluiten (van) de studieovereenkomsten met [verweerders]”, “bij het aangaan van de overeenkomsten met [verweerders]” c.q. “voor of bij aanvang van de opleidingen van [verweerders]”; zie voor deze uiteenlopende formuleringen rov. 4.5) deed, reeds voldoende indicaties bestonden om SNR daarvan te weerhouden. Zo blijkt uit de stukken dat de aanmeldingsformulieren van [verweerder 1] en [verweerster 7] (productie 1 bij de conclusie van antwoord) op 6 mei 2001 en 15 november 2001 zijn gedateerd; dat was dus ruimschoots vóór de inwerkingtreding van art. 7.10a WHW op 1 september 2002, maar ook vóór de memorie van antwoord (Eerste Kamer), genoemd in rov. 4.9 (die is ontvangen op 8 mei 2002 en gepubliceerd op 21 mei 2002). Overigens wijs ik erop dat [verweerders] in hun memorie van grieven ervan zijn uitgegaan dat SNR eerst medio 2002 wist, althans behoorde te weten dat zij niet tot het verlenen van de graad MA kon overgaan, omdat zij bekend zou moeten worden verondersteld met de brief van de HBO-raad van 27 juni 2002.

2.27

De klacht van onderdeel A over de consequenties die het hof heeft verbonden aan de notitie van de minister van OCW acht ik derhalve gegrond. Het bestreden arrest kan daarom niet in stand blijven.

2.28

Onderdeel B klaagt dat onjuist en in het licht van de gedingstukken onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 3.7 heeft overwogen dat [verweerders] in 2005 en 2006 elk een diploma van SNR zouden hebben ontvangen met daarop de titel “Master of Arts in Stressmanagement en Reïntegratiedeskundigheid (MA-SR)”. Volgens het onderdeel is voor deze zaak relevant - althans zou relevant kunnen zijn - dat op dergelijke diploma’s de aanduiding “of Arts” voorkomt. Bij inleidende dagvaarding zijn diploma’s met een dergelijke aanduiding (als productie 11) overgelegd ten aanzien van [verweerster 2], [verweerster 4], [verweerder 6] en [verweerster 8]. SNR heeft in haar conclusie van antwoord (onder 34) bestreden dat aan andere verweerders in cassatie dergelijke diploma’s zijn afgegeven. [verweerders] hebben geen nader bewijs overgelegd, zodat onbegrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat in alle gevallen dergelijke diploma’s aan [verweerders] zijn uitgereikt.

2.29

Dat [verweerders] elk een diploma met daarop de vermelding als in rov. 3.7 weergegeven zouden hebben ontvangen, is door SNR betwist, en is blijkens de gedingstukken ook onjuist. Zo hebben [verweerster 7], [verweerster 3], [verweerder 5] en [verweerder 9] - gelet op de producties 17-20 bij de inleidende dagvaarding - een diploma ontvangen waarop de verkregen graad voluit is geschreven als “Master in Stressmanagement en Reïntegratie”. Dat het hof als vaststaand heeft aangenomen dat [verweerders] elk een diploma van SNR met daarop de titel “Master of Arts in Stressmanagement en Reïntegratiedeskundigheid (MA-SR)” hebben ontvangen, is daarom onbegrijpelijk. Ik acht de klacht gegrond, waarbij ik aanteken dat SNR belang erbij heeft dat de rechter na een eventuele verwijzing in cassatie van de juiste feiten zal uitgaan.

2.30

Onderdeel C klaagt onder 4.16 dat het hof in rov. 4.3 heeft geoordeeld dat in het midden kan blijven of verweerders in cassatie de grondslag van hun vordering in eerste aanleg hebben gewijzigd, omdat zij deze immers in hoger beroep opnieuw mochten wijzigen en het hof de vorderingen op basis van de in hoger beroep aangevoerde grondslag zal beoordelen. Op zich is die benadering volgens het onderdeel juist, zij het dat daarop twee beperkingen gelden, die zich in dit geval voordoen.

In de eerste plaats heeft SNR volgens het onderdeel onder 4.17 in haar memorie van antwoord onder 16-20 aangevoerd dat het [verweerders] door hun wijze van procederen in eerste aanleg niet meer vrijstaat op de eerdere wijziging van de grondslag van hun eis terug te komen en dat zij hun recht daartoe hebben verwerkt, althans dat dit in strijd met een goede procesorde zou zijn. Het hof heeft op dat verweer in het geheel niet beslist, zodat het bestreden arrest in ieder geval op dit punt niet naar behoren is gemotiveerd.

Voorts is het door het hof gevolgde uitgangspunt volgens het onderdeel onder 4.18 ook onjuist, voor zover het hof daarmee zou hebben miskend dat SNR in eerste aanleg geen nader verweer hoefde te voeren ten aanzien van de oorspronkelijke, in hoger beroep in feite herleefde grondslag van die vorderingen en ter zake dus ook geen nader bewijs hoefde bij te brengen en zulks, gezien het door de rechtbank geformuleerde bewijsthema, zelfs niet kon.

Nu het hof in feite de hernieuwde wijziging van de eis, althans van de grondslag daarvan, heeft toegelaten en de vorderingen in hoger beroep op die hernieuwde grondslag heeft beoordeeld, had het SNR ook moeten toelaten om ter zake (alsnog) bewijs te leveren. SNR had die grondslag immers - voor de aanvankelijke eiswijziging en wederom in hoger beroep - gemotiveerd bestreden. Het hof heeft dit ten onrechte nagelaten.

2.31

In haar memorie van antwoord onder 16-19 heeft SNR - kennelijk (mede) in reactie op grief I van [verweerders], waarmee deze zich keren tegen het oordeel van de rechtbank dat zij bij comparitie van partijen de grondslag van hun eis hebben gewijzigd - betoogd dat [verweerders] in eerste aanleg op de comparitie van partijen van 13 januari 2012 hebben aangegeven de grondslag van hun vordering in eerste aanleg te wijzigen en daarbij in eerste aanleg zijn gebleven. Onder 20 betoogt SNR vervolgens:

“Door deze proceshouding in eerste aanleg staat het appellanten thans niet meer vrij (…) om daar op terug te komen; zij hebben dat recht verwerkt, althans zou dit in strijd met een goede procesorde zijn. De in de Memorie van Grieven opgenomen nieuwe wijziging van de grondslag van de vorderingen moet dus worden afgewezen.”

2.32

Het hof heeft in rov. 4.3 grief I als volgt besproken:

“Grondslag vorderingen

4.3

Met grief I keert [verweerders] zich tegen het oordeel van de rechtbank dat zij bij comparitie van partijen hun grondslag hebben gewijzigd.

Het hof oordeelt als volgt. Nu in hoger beroep nieuwe grondslagen aan de vorderingen ten grondslag mogen worden gelegd, kan in het midden blijven of uit de processtukken in eerste aanleg een wijziging van grondslag kan worden afgeleid. In hoger beroep hebben [verweerders] immers onmiskenbaar aan hun vorderingen ten grondslag gelegd dat SNR tekort is geschoten in de door haar met [verweerders] gesloten studieovereenkomsten en de in dat kader gedane toezegging dat deze opleiding zou leiden tot de MA-graad (zie onder meer grief III) en voorts dat SNR door [verweerders] geen MA-graad te verlenen onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld (zie onder meer grief V, VI en VII). Het hof zal de vorderingen op basis van deze grondslagen behandelen.”

2.33

Het hiervóór (onder 2.31) opgenomen citaat uit de memorie van antwoord kan mijns inziens niet anders worden verstaan dan dat SNR tegen de (eventuele) eiswijziging in hoger beroep bezwaar heeft gemaakt op de grond dat deze met de eisen van een goede procesorde in strijd zou zijn. Het hof, dat in het midden heeft gelaten of [verweerders] in eerste aanleg hun eis hebben gewijzigd en in dat geval in hoger beroep hun eis opnieuw hebben gewijzigd maar dit een en ander dus niet heeft uitgesloten, heeft niet kenbaar op het bezwaar van SNR tegen de (eventuele) nieuwe wijziging van eis in hoger beroep gerespondeerd. De daarop betrekking hebben de klacht is naar mijn mening terecht voorgesteld.

2.34

Dat, zoals het onderdeel voorts klaagt, SNR door de (eventuele) nieuwe wijziging van eis in hoger beroep in haar bewijspositie zou zijn geschaad, kan ik niet volgen. Dat de bewijsvoering in eerste aanleg was toegespitst op een andere grondslag van de vordering dan die waarover het hof heeft beslist, behoefde SNR niet ervan te weerhouden in hoger beroep (voor het geval dat haar bezwaar tegen de eiswijziging niet zou worden gehonoreerd) nadere stellingen te betrekken en een nader bewijsaanbod te formuleren, toegespitst op hetgeen [verweerders] in hoger beroep opnieuw aan hun vorderingen ten grondslag hadden gelegd. In zoverre is het onderdeel tevergeefs voorgesteld.

2.35

Onderdeel D is gericht tegen de rov. 4.4-4.5. Deze luiden als volgt:

“4.4 De grieven II, III, IV en VII stellen de gestelde tekortkoming van SNR en de daaruit voortvloeiende schade van [verweerders] aan de orde.

Naar het oordeel van het hof heeft SNR onvoldoende gemotiveerd betwist dat zij de studenten van de cohorten I t/m III (waartoe [verweerders] onbetwist behoren) heeft toegezegd dat zij recht hebben op een MA-titel en dat zij hebben mogen begrijpen dat dit een Master of Arts titel betrof. [verweerders] hebben immers ter onderbouwing van hun stelling dat SNR deze toezegging heeft gedaan, verwezen naar de als productie 10 bij inleidende dagvaarding overgelegde brief van [betrokkene 1] d.d. 24 september 2004, waarin deze schrijft: “Dit betekent dus dat alle studenten die toegezegd is dat zij recht hebben op de MA-titel, en dat zijn de cohorten I t/m III, deze inderdaad kunnen voeren.”

Dat [verweerders] mochten begrijpen dat met ‘de MA-titel’ een Master of Arts titel werd bedoeld, volgt uit dezelfde brief, nu daarin ook uitdrukkelijk is opgenomen: “Onze opleiding is medio 2003 aan de DVC, dus voordat de NVAO actief was, aangeboden ter kandidaatsaccreditatie als een MA-SR, als een Master of Arts opleiding dus.”

Het lag gelet op de inhoud van deze brief op de weg van SNR om voldoende concrete feiten en omstandigheden aan te voeren die de conclusie rechtvaardigen dat de toezegging waarover [betrokkene 1] heeft geschreven, niet daadwerkelijk is gedaan, niet bevoegd is gedaan, of op een zodanig moment of op zodanige wijze dat die toezegging niet van invloed kan zijn geweest op de inhoud van de overeenkomsten met [verweerders] SNR heeft dit nagelaten.

4.5

SNR heeft met betrekking tot genoemde brief van [betrokkene 1] van 24 september 2004 aangevoerd dat dit een mededeling betreft van lang na de totstandkoming van de onderwijsovereenkomsten met [verweerders], doch naar het oordeel van het hof is het tijdstip waarop de mededeling is gedaan (24 september 2004) in dezen niet van belang. Uit hetgeen [betrokkene 1] heeft geschreven kan immers worden afgeleid dat hij op een toezegging aan de studenten in het verleden doelt. [verweerders] hebben gesteld, onder verwijzing naar de in eerste aanleg afgelegde getuigenverklaringen van een aantal studenten en van [betrokkene 3], werkzaam voor SNR, dat er toezeggingen zijn gedaan bij het aangaan van de overeenkomsten; SNR heeft dit onvoldoende gemotiveerd betwist. Zo heeft zij niet verwezen naar in dit verband gedane toezeggingen op enig later moment dan voor of bij aanvang van de opleidingen van [verweerders] en heeft zij ook niet aangevoerd dat [betrokkene 1] heeft bedoeld naar dergelijke toezeggingen te verwijzen. Nu SNR evenmin enige andere verklaring heeft gegeven voor hetgeen in de brief van [betrokkene 1] is vermeld, moet er van worden uitgegaan dat de toezeggingen aan de cohorten I t/m III waarnaar [betrokkene 1] verwijst, de toezeggingen betreft die SNR [verweerders] volgens hun stellingen heeft gedaan bij het aangaan van de overeenkomsten met [verweerders]. Van SNR had temeer mogen worden verwacht dat zij haar betwisting nader zou motiveren, nu [verweerders] als producties 7 en 8 bij inleidende dagvaarding aanmeldingsformulieren en de tekst van de prospectus heeft overgelegd, waarop “Deeltijdse Masteropleiding (MA) Stressmanagement & Reïntegratiedeskundige” is vermeld, terwijl SNR niet, althans onvoldoende onderbouwd, heeft betwist dat zij deze stukken indertijd heeft gebruikt voorafgaand aan en bij het sluiten de studieovereenkomsten met [verweerders]

Aan het voorgaande doet niet af dat - zoals SNR heeft aangevoerd - de uit een onderwijsovereenkomst voortvloeiende verbintenissen in vergaande mate bepaald worden door de wet zelf en dat de onderwijsovereenkomsten summier zijn geformuleerd. Ook als dit juist zou zijn, sluit dit immers niet uit dat SNR, zoals [betrokkene 1] heeft geschreven, met betrekking tot de te verwerven titel bepaalde toezeggingen heeft gedaan, en dat zij aan die toezeggingen jegens [verweerders] is gebonden.”

2.36

Het onderdeel stelt onder 4.20 dat het hof in rov. 4.4, nader uitgewerkt in rov. 4.5, heeft geoordeeld dat SNR onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat zij [verweerders] heeft toegezegd dat zij recht hebben op een MA-titel en dat zij mochten begrijpen dat dit een Master of Arts titel betrof. Het onderdeel betoogt dat dit onjuist is en in het licht van de gedingstukken onbegrijpelijk. Deze klacht wordt onder 4.21-4.33 verder uitgewerkt.

2.37

Het onderdeel stelt onder 4.21 onder verwijzing naar vindplaatsen voorop dat SNR ook in hoger beroep gemotiveerd heeft bestreden dat enige toezegging met betrekking tot de graad “Masters of Arts” is gedaan. Volgens het onderdeel heeft SNR, naar zij op de aangegeven vindplaatsen onder meer aan de hand van een bespreking van de afgelegde getuigenverklaringen heeft betoogd, nimmer toegezegd dat aan de door haar verzorgde opleiding de graad van Master of Arts zou zijn verbonden, maar dat zij wel in het vooruitzicht heeft gesteld zich in te spannen accreditatie van die opleiding op een zo hoog mogelijk niveau te verkrijgen.

Voor zover het onderdeel hier beoogt een zelfstandige klacht te formuleren, meen ik dat die klacht doel mist. Het hof heeft blijkens de rov. 4.4-4.5 in de brief van [betrokkene 1] van 24 september 2004 kennelijk een bevestiging gelezen van reeds eerder (ten tijde van het sluiten van de studieovereenkomsten) aan [verweerders] gedane toezeggingen. Tegen die achtergrond heeft het hof SNR niet verweten dat zij de aan [verweerders] gedane toezeggingen onbetwist heeft gelaten, maar dat zij de gevolgtrekkingen die het hof aan de genoemde brief van [betrokkene 1] heeft verbonden, onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken.

2.38

Onder 4.22 herinnert het onderdeel eraan dat de aanduiding MA eerst bij wet van 23 december 2004, Stb. 2005,32, in werking getreden op 1 maart 2005, in de WHW is verankerd.

Aan die constatering verbindt het onderdeel hier geen klacht, maar op het ontbreken van een wettelijke verankering van de aanduiding MA voor de graad “Master of Arts” komt het onderdeel onder 4.25 nog terug.

2.39

Onder 4.23 betoogt het onderdeel dat een aan verweerders in cassatie gedane toezegging voor hun onderwijsovereenkomst (die hun rechtsverhouding met SNR bepaalt) slechts relevant kan zijn als die voorafgaand aan of ten tijde van het sluiten van die overeenkomst is gedaan. Het hof heeft aangenomen dat de laatste onderwijsovereenkomst tot stand is gekomen op 29 oktober 2002 (rov. 4.13). Bovendien heeft SNR gesteld dat de graad Master of Arts niet beschermd was en door haar mocht worden toegekend tot 1 september 2002, hetgeen door verweerders in cassatie (terecht) niet is bestreden.

Het hof heeft in het bijzonder uit de brief van [betrokkene 1] afgeleid dat aan [verweerders] bij het sluiten van de studieovereenkomsten de graad Master of Arts zou zijn toegezegd. Als dat laatste het geval zou zijn, zou aan die toezegging (en het feit dat SNR die toezegging na 1 september 2002 niet gestand kon doen) op zichzelf niet afdoen dat SNR, naar zij heeft gesteld, tot 1 september 2002 de graad Master of Arts mocht toekennen. Voor zover het onderdeel hierop gerichte klachten omvat, is het tevergeefs voorgesteld.

2.40

Onder 4.24 betoogt het onderdeel dat de brief van [betrokkene 1] niet relevant is voor de vaststelling van een eventuele toezegging, omdat, zoals SNR in de feitelijke instanties heeft gesteld, die brief eerste geruime tijd na de relevante periode is verstuurd.

Dat laatste maakt het bestreden oordeel echter niet onbegrijpelijk, omdat in de uitleg die het hof aan de genoemde brief heeft gegeven, de betwiste toezeggingen niet eerst in die brief maar al eerder zijn gedaan en in die brief slechts zijn bevestigd.

2.41

Onder 4.25 wordt, onder verwijzing naar de wettelijke verankering van de aanduiding MA per 1 maart 2005, betoogd dat uit de brief van [betrokkene 1] onmogelijk kan worden afgeleid dat aan [verweerders] reeds ten tijde van het sluiten van de studieovereenkomsten zou zijn toegezegd dat zij de graad Master of Arts zouden krijgen. Het onderdeel wijst erop dat blijkens diezelfde brief de opleiding eerst medio 2003 aan de DVC is aangeboden ter kandidaatsaccreditatie als Master of Arts opleiding.

Dat ten tijde van de studieovereenkomsten de graad Master of Arts nog niet wettelijk was geregeld en dat SNR de opleiding eerste medio 2003 aan de DVC heeft aangeboden ter kandidaatsaccreditatie als Master of Arts, sluit op zichzelf niet uit dat, zoals het hof heeft aangenomen, aan [verweerders] voorafgaand aan en bij het sluiten van de studieovereenkomsten is toegezegd dat bij afronding van de opleiding de graad Master of Arts zou worden verleend. Voor zover het onderdeel een hierop gerichte klacht omvat, is het derhalve tevergeefs voorgesteld.

2.42

Onder 4.26 betoogt het onderdeel dat ook uit het getuigenverhoor van [betrokkene 1] blijkt dat hij er slechts naar streefde accreditatie op een zo hoog mogelijk niveau te verkrijgen. Het onderdeel verwijst hier naar het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 2 november 2012, p. 5 e.v., alsmede naar de conclusie na enquête van SNR onder 12-15.

Onder 4.27 betoogt het onderdeel dat het hof heeft geoordeeld dat uit de brief van [betrokkene 1] kan worden afgeleid dat daarin op een toezegging aan de studenten in het verleden wordt gedoeld. Voorts betoogt het onderdeel dat [verweerders] hebben gesteld dat zulke toezeggingen ook zijn gedaan. SNR zou dat laatste volgens het hof onvoldoende hebben betwist, waarvoor redengevend zou zijn dat SNR niet heeft aangevoerd dat het om later gedane toezeggingen gaat. Ten slotte heeft het hof overwogen dat SNR ook niet enige andere verklaring voor de inhoud van de brief van [betrokkene 1] heeft gegeven.

Onder 4.28 bestrijdt het hof de redenering van het hof als onbegrijpelijk, terwijl het hof niet tot deze conclusie mocht komen zonder SNR tot nader bewijs toe te laten. Dat uit een brief een toezegging kan worden afgeleid, is volgens het onderdeel nog geen bewijs dat die toezegging daadwerkelijk is gedaan. Voorts is het hof kennelijk ervan uitgegaan dat SNR dit laatste had dienen te bestrijden door gemotiveerd aan te tonen dat [betrokkene 1] op een latere toezegging (gedaan na het sluiten van de onderwijsovereenkomsten) doelde. Daarmee lijkt het hof geen ruimte te hebben gelaten door het verweer dat [betrokkene 1] in het geheel geen toezegging heeft gedaan (maar slechts een streven heeft besproken), terwijl dát het voor het hof kenbare verweer van SNR was (conclusie na enquête onder 12-15). Het onderdeel bestrijdt tevens dat SNR ook niet enige andere verklaring voor de inhoud van de brief van [betrokkene 1] heeft gegeven (en verwijst in dat verband wederom naar de conclusie na enquête onder 12-15).

Onder 4.29 bestrijdt het onderdeel dat het hof in dit verband (met betrekking tot de aan de brief van [betrokkene 1] te verbinden gevolgtrekkingen) mede relevant heeft geacht dat op de aanmeldingsformulieren en in de prospectus vermeld werd “Deeltijdse Masteropleiding (MA) Stressmanagement & Reïntegratiedeskundige”. Het onderdeel verwijst naar het in de feitelijke instanties gevoerde verweer dat de inschrijvingsformulieren en de prospectus niets vermelden over de te behalen graad, dat [verweerders] zich in enkele gevallen nog onder de oude regeling hebben aangemeld en dat de aanduiding “MA” eerst met ingang van 1 maart 2005 wettelijk is verankerd.

Onder 4.30 concludeert het onderdeel dat SNR wel degelijk uitgebreid en gemotiveerd verweer heeft gevoerd en dat zij ter zake in haar memorie van antwoord onder 141 een (nader) bewijsaanbod heeft gedaan, waaraan het hof niet, althans niet zonder nadere motivering mocht voorbijgaan.

Onder 4.31 verwijt het onderdeel het hof een innerlijke tegenstrijdigheid, waar het in rov. 4.9, laatste alinea, kennelijk doelend op de brief van [betrokkene 1], heeft gesproken van “de in dat kader nog in september 2004 aan [verweerders] gedane toezeggingen”. Dat laatste zou zich volgens het onderdeel niet verdragen met het oordeel in rov. 4.4 dat uit de brief van [betrokkene 1] kan worden afgeleid dat in het verleden (vóór en bij het sluiten van de studieovereenkomsten) toezeggingen aan [verweerders] zijn gedaan.

Na onder 4.32 eraan te hebben herinnerd dat de beweerdelijke toezegging door [betrokkene 1], die SNR bestrijdt, de enige door het hof gehanteerde grond voor aansprakelijkheid is, besluit het onderdeel onder 4.33 met de slotsom dat het oordeel van het hof op dit punt onbegrijpelijk is.

2.43

De hiervóór (onder 2.42) weergegeven passages van het onderdeel lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

2.44

Uit de passage in de brief van [betrokkene 1] van 24 september 2004 volgens welke “alle studenten die toegezegd is dat zij recht hebben op de MA-titel, en dat zijn de cohorten I t/m III, deze inderdaad kunnen voeren”, heeft het hof in rov. 4.4 bij gebreke van een voldoende gemotiveerde betwisting door SNR afgeleid dat aan [verweerders] daadwerkelijk toezeggingen zijn gedaan. Het hof heeft deze passage vervolgens in rov. 4.5 in verband gebracht met de op de in eerste aanleg afgelegde getuigenverklaringen gebaseerde (en volgens het hof door SNR onvoldoende gemotiveerd betwiste) stelling van [verweerders] dat er toezeggingen zijn gedaan bij het aangaan van de overeenkomsten; het hof heeft aangenomen dat de toezeggingen aan de cohorten I-III waarnaar [betrokkene 1] in zijn brief verwijst, (dus) de toezeggingen zijn die SNR volgens [verweerders] bij het aangaan van de studieovereenkomsten zijn gedaan.

2.45

Het hof heeft naar mijn mening een wel heel zware wissel op de brief van [betrokkene 1] getrokken door uit de geciteerde zinsnede als onvoldoende gemotiveerd weersproken af te leiden dat aan (onder meer) [verweerders] harde en juridisch bindende toezeggingen over de te verlenen graad zouden zijn gedaan.

[betrokkene 1] heeft als getuige in eerste aanleg onder meer verklaard:

“Ik heb in de voorlichting over deze opleiding benadrukt dat we op een nulniveau begonnen qua erkenning, dus een opleiding zonder enige erkenning en dat er zou worden gestreefd naar een zo hoog mogelijk niveau. (…) In het streven naar erkenning heb ik gezegd: de DVC zal benaderd worden. Dus gingen we voor accreditering bij de DVC. (…) Destijds was het zo dat aan de opleidingen die de DVC accrediteerde, de Master of Arts titel werd verbonden, dat is mij bij navraag destijds nog bevestigd door [betrokkene 4], de toenmalige directeur van de DVC. (…) Wat ik destijds bij die voorlichtingsbijeenkomsten, waar ik meestal zelf bij was, steeds heb benadrukt is dat het (bedoeld is: SNR; LK) een private onderneming is, en geen Rijksuniversiteit, en dat er nog geen sprake was van een accreditatie. Ik heb steeds in de veronderstelling verkeerd dat het ons zou gaan lukken.”

In eerste aanleg (in een stadium waarin het geschil zich op het niveau van de opleiding en niet op de daaraan te verbinden graad toespitste) heeft SNR deze verklaring aan haar verweer ten grondslag gelegd. SNR heeft aangevoerd dat [betrokkene 1] in voorlichtingsbijeenkomsten steeds heeft benadrukt dat er nog geen accreditatie was, dat naar accreditatie op een zo hoog mogelijk niveau werd gestreefd en dat [betrokkene 1] hoopte voor de opleiding een accreditatie te verkrijgen die op de graad Master of Arts aanspraak zou geven.

Toen het geding zich in hoger beroep (weer) op de aan de opleiding te verbinden graad toespitste, hebben [verweerders] zich, anders dan in eerste aanleg, op aan hen gedane toezeggingen beroepen. In eerste aanleg hadden [verweerders] dergelijke toezeggingen niet aan hun vordering ten grondslag gelegd. In de inleidende dagvaarding onder 2 hebben zij het (neutraler) aldus geformuleerd dat “(v)oor aanvang van de opleiding (…) gedaagde eisers (heeft) voorgehouden dat aan hen bij het met goed gevolg afleggen van de opleiding de titel van Master of Arts zou worden toegekend.” Opmerkelijk is ook dat [verweerders] de brief van [betrokkene 1] in hun inleidende dagvaarding hebben besproken, zonder daarbij enig verband te leggen met in het verleden (vóór of bij het sluiten van de studieovereenkomsten) aan hen gedane toezeggingen: “Zelfs nadat deze onrust was ontstaan, heeft [betrokkene 1], decaan bij gedaagde, bij brief van 24 september 2004 aangegeven dat de cohorten 1 t/m 3 (…) nog de titel “Master on Arts” zouden mogen voeren (…)”. Tegenover de (op toezeggingen gebaseerde) stellingname van [verweerders] in hoger beroep heeft SNR ontkend toezeggingen te hebben gedaan en heeft zij daarbij naar haar verweer in eerste aanleg verwezen (zie onder meer memorie van grieven onder 27). Weliswaar was dat verweer niet toegespitst op de door het hof in rov. 4.4 aangehaalde passage uit de brief van [betrokkene 1]. Dat verweer, dat inhield dat [betrokkene 1] de onzekere situatie rond de accreditatie steeds heeft benadrukt maar wel goede hoop had dat voor de opleiding een accreditatie zou worden verkregen die op de graad Master of Arts aanspraak gaf, impliceerde echter wél dat [betrokkene 1] in de litigieuze brief met de term “studenten die toegezegd is dat zij recht hebben op de MA-titel”, zich de juridische portée van de term “toegezegd” kennelijk niet bewust, iets anders moet hebben bedoeld dan het hof daaruit heeft opgemaakt. Klaarblijkelijk heeft [betrokkene 1] met “studenten die toegezegd is dat zij recht hebben op de MA-titel” niet meer bedoeld dan de studenten ten aanzien van wie de verwachting was uitgesproken dat accreditatie door DVC op de graad Master of Arts aanspraak zou geven. Dat [betrokkene 1] zijn vertrouwen in een goede afloop wellicht heeft uitgestraald, is iets anders dan dat hij voor de verlening van die graad zou hebben ingestaan en juridisch bindende toezeggingen in de door het hof kennelijk bedoelde zin zou hebben gedaan. Ook dát heeft SNR in haar memorie van antwoord bij herhaling benadrukt, in het bijzonder bij de bespreking van de getuigenverklaringen in eerste aanleg, die hierna (onder 2.46) nog nader aan de orde zullen komen. Zo heeft SNR in die memorie onder 46 gesteld:

“46. (…) In lijn daarmee verklaart zij (getuige [betrokkene 3]; LK), zoals geciteerd in de Memorie van Grieven: “We gingen voor een Master of Arts”. Dat was dus, althans in de visie van mevrouw [betrokkene 3] het streven, maar niet een situatie die al bereikt was. Ook hieruit blijkt dus niets van toezeggingen die op dit punt aan appellanten zouden zijn gedaan.”

En onder 47:

“47. (…) Ook hier ging het dus slechts over toekomstverwachtingen die mevrouw [betrokkene 3] op dat moment had.”

En onder 48:

“48. Uit hetgeen appellanten aanvoeren als bewijs dat aan - sommigen van - hen zou zijn toegezegd dat zij met de opleiding de graad Master of Arts zouden kunnen verkrijgen blijkt dat dus helemaal niet. Hoogstens volgt daar uit dat SNR er naar streefde om die bevoegdheid te verkrijgen, hetgeen echter gezien het wettelijke stelsel niet mogelijk was. Meer dan dat streven heeft SNR nooit aan - sommigen van - appellanten voorgehouden.”

Dat SNR onvoldoende gemotiveerd zou hebben betwist dat zij aan [verweerders] überhaupt toezeggingen zoals door het hof bedoeld heeft gedaan, acht ik in het licht van het voorgaande onvoldoende begrijpelijk.

2.46

Het hof heeft de aan de brief van [betrokkene 1] ontleende “erkenning” van de aan [verweerders] gedane toezeggingen in rov. 4.5 gekoppeld aan de op de getuigenverklaringen in eerste aanleg gebaseerde stelling van [verweerders] dat hun bij het aangaan van de studieovereenkomsten toezeggingen zijn gedaan. Het hof heeft geoordeeld dat SNR ook díe stelling onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, waarbij het, zoals het onderdeel terecht betoogt, kennelijk slechts op een betwisting van het tijdstip van de veronderstelde toezeggingen het oog heeft gehad. Aldus heeft het hof kennelijk voorbijgezien aan het verder strekkende (en, zoals hiervóór onder 2.45 reeds aan de orde kwam, mede op een bespreking van de verschillende getuigenverklaringen gebaseerde) verweer van SNR dat überhaupt geen toezeggingen zijn gedaan en dat [betrokkene 1] (c.q. [betrokkene 3]) juist de onzekerheden rond de accreditatie heeft benadrukt en hooguit zijn (haar) vertrouwen in een goede afloop heeft uitgesproken. Ook het oordeel van het hof in rov. 4.5 acht ik daarom onvoldoende begrijpelijk.

De aan de betwisting door SNR te stellen eisen hangen overigens nauw samen met de mate waarin de bedoelde stelling van [verweerders] daadwerkelijk steun vindt in de getuigenverklaringen waarnaar zij verwijst. Dat laatste blijkt niet of nauwelijks het geval. In de getuigenverklaringen komt de term “toezeggen” of “toezegging” niet voor; veeleer bevestigen die getuigenverklaringen de door SNR aan haar verweer ten grondslag gelegde lezing van de feiten volgens welke [betrokkene 1] en [betrokkene 3] de onzekerheden rond de accreditatie hebben benadrukt en hooguit de verwachting hebben uitgesproken dat de opleiding door DVC zou worden geaccrediteerd en dat die accreditatie bij afronding van de opleiding op de graad Master of Arts aanspraak zou geven.

Getuige [verweerster 7] heeft over het intakegesprek verklaard:

“Ik heb hem ([betrokkene 1]; LK) gevraagd: “er staat MA, betekent dat Master of Arts en is dat hetzelfde als wat je op de universiteit krijgt? Daarop heeft [betrokkene 1] bevestigend gereageerd.”

Getuige [verweerster 4] heeft verklaard:

“Zij ([betrokkene 3]; LK) vertelde dat de opleiding bij de DVC lag en dat het er nog om ging of het een Master of Art of een Master of Science moest worden. Ik heb gevraagd naar de titulatuur die je zou krijgen na de afronding van de opleiding En zij vertelde dat het geen doctorandus titel zou worden maar een Master of Art of een Master of Science. (…) Daarna heb ik besloten de opleiding te volgen. Ik kreeg de studiegids en daarin stond op het voorblad de MA-titel en op bladzijde 6 staat de studienorm die wordt gehanteerd volgens de DVC/VSNU-norm, dat is de vereniging voor de Nederlandse Universiteiten. Er was dus geen enkele reden om eraan te twijfelen dat het anders was dan dat in het gesprek aan de orde was geweest (het academische niveau van de opleiding; LK).”

Getuige [verweerder 1] was blijkens zijn verklaring met de onzekerheden rond de titulatuur bekend:

“Ze ([betrokkene 3]; LK) vertelde dat ze voor een Master of Science gingen maar dat dat nog niet vast stond. Ik heb niet gevraagd waarvan het afhankelijk was en wat er zou gebeuren als het geen Master of Science zou worden.”

Getuige [verweerster 2] heeft verklaard over hetgeen [betrokkene 1] en [betrokkene 3] tijdens een informatieovereenkomst respectievelijk een intakegesprek hebben gezegd:

“Toen ben ik naar een informatiebijeenkomst geweest (…). De accreditatie, zo zei hij ([betrokkene 1]; LK), was zo goed als rond. Toen heb ik een intakegesprek gehad met [betrokkene 3] (…) Ik heb toen weer gevraagd of dit een universitaire opleiding was en daarop heeft [betrokkene 3] bevestigend gereageerd, de accreditatie was zo goed als rond, ze hadden er het volste vertrouwen in. Toen wij met de opleiding begonnen is ons nog gezegd dat de kandidaats accreditatie bij de DVC rond was. Verder is tijdens het geesprek met [betrokkene 3] nog gezegd dat de opleiding academisch was, dat verschillende universiteiten meededen en dat de beste professoren zouden doceren (…).”

In haar getuigenverklaring heeft [verweerster 2] overigens nog verwezen naar haar verklaring bij de comparitie van partijen, bij welke verklaring zij volhardde. Bij die gelegenheid verklaarde zij onder meer:

“Toen heb ik gebeld met gedaagde en mij werd gezegd dat de opleiding in accreditatie was maar dat het in een vergevorderd stadium was en dat er geen twijfel meer over was dat het een universitaire opleiding was. Door gedaagde is gezegd dat de kandidaatregistratie van DBC een reden was om een MA titel te geven.”

Getuige [verweerster 8] heeft verklaard:

“Ze ([betrokkene 3]; LK) heeft gezegd dat de opleiding een Master of Arts titel zou krijgen.”

Getuige [verweerder 6] heeft verklaard:

“Hij ([betrokkene 1]; LK) vertelde mij dat het een academisch niveau had, dat er allerlei professoren aan verbonden waren en dat het een master titel zou opleveren. (…) Welke master titel het precies zou zijn daar hebben we het niet over gehad.”

Getuige [verweerster 3] heeft verklaard:

“Tijdens het loopbaantraject heb ik ook de website van SNR gezien. (…) Daarbij stond vermeld dat het een masteropleiding betrof. Voor de master werden de letters ‘MA’ gebruikt op de website. Zelf ben ik ‘drs.’. Mij is bekend dat in het internationale verkeer voor die drs-titel ‘MA’ wordt gebruikt. (…) Ofwel tijdens de intake ofwel tijdens de voorlichtingsdagen werd de opleiding mij voorgesteld als een samenwerkingsovereenkomst tussen SNR en de universiteit van Utrecht. De naam van [betrokkene 1] werd genoemd. Op grond van die twee factoren was het voor mij aannemelijk dat het om een MA-opleiding ging, een opleiding op universitair niveau.”

Getuige [verweerder 9] heeft verklaard:

“Ik heb [betrokkene 3] gevraagd of er een universitaire titel aan verbonden was. “Ja” zei ze, Master of Arts, MA-SR, dat zou de titel zijn die ik zou krijgen.”

Getuige [verweerder 5] heeft verklaard:

“Het doel van dat gesprek was tweeledig: enerzijds of ik aan de vereisten voldeed en anderzijds of het klopte dat het een academische opleiding was waarmee ik een Master of Arts titel zou verkrijgen. Die vraag heeft mevrouw [betrokkene 3] bevestigend beantwoord, ze zei dat het een academische opleiding was waarmee ik een Master of Arts titel zou krijgen.”

Getuige [betrokkene 3] heeft verklaard:

“Vanaf het begin hebben we de opleiding samengesteld volgens de eisen van de DVC waarbij de titel master kon worden verkregen.

(…)

U houdt mij de verklaring van [verweerster 4] voor, voor zover ze daarbij in gaat op hetgeen wij hebben gesproken. Het lijkt mij sterk dat ik het heb gehad over Master of Science, want dat was toen niet aan de orde. We gingen voor een Master of Arts. De DVC gaf alleen maar Master of Arts uit.

(…)

Op uw vraag waarom wij voor de titel Master of Arts gingen en niet voor de titel master, antwoord ik dat dat [betrokkene 1]’s pakkie an was en niet het mijne.”

Ook de geringe steun die de stelling van [verweerders] met betrekking tot aan hen gedane toezeggingen (in de zin dat SNR jegens hen voor verlening van de graad Master of Arts instond) vindt in de getuigenverklaringen waarnaar zij volgens het hof verwijst, maakt het oordeel van het hof dat SNR die stelling onvoldoende gemotiveerd zou hebben weersproken, mijns inziens onvoldoende begrijpelijk.

2.47

Het hof heeft zijn oordeel dat SNR haar betwisting van de beweerde, bij het aangaan van de studieovereenkomsten gedane toezeggingen nader had moeten motiveren, mede doen steunen op de vermelding “Deeltijdse Masteropleiding (MA) Stressmanagement & Reïntegratiedeskundige” op de aanmeldingsformulieren en de tekst van de prospectus die [verweerders] als de producties 7 en 8 bij de inleidende dagvaarding heeft overgelegd.

Ook in het licht van die vermelding volstond echter het door SNR gevoerde verweer. Dat tijdens de voorlichtingsbijeenkomsten is benadrukt dat nog geen accreditatie was verkregen maar goede hoop bestond op een accreditatie die aanspraak op de graad Master of Arts zou geven, plaatste de vermelding op de door het hof bedoelde materialen (in het geval dat die vermelding al als een verwijzing naar de graad Master of Arts zou zijn begrepen) in het juiste perspectief.

Bovendien (en ook los daarvan) kon de bedoelde vermelding op zichzelf onmogelijk worden opgevat als een juridisch bindende toezegging dat [verweerders] bij afronding van de opleiding de graad Master of Arts daadwerkelijk zouden verkrijgen.

Bij dit alles komt dat uit de getuigenverklaringen in eerste aanleg niet blijkt dat de bedoelde vermelding van noemenswaardige invloed is geweest op de verwachtingen die [verweerders] koesterden. Uit die getuigenverklaringen blijkt evenmin dat [verweerders] de bedoelde aanduiding (“MA”) daadwerkelijk als een ondubbelzinnige verwijzing naar de graad Master of Arts hebben opgevat. Dat is niet onbegrijpelijk, nu zeker in het stadium vóór de wettelijke verankering van de aanduiding MA, de afkorting “ma” ook wel werd gebruikt ter aanduiding van de (enkele) master-graad, bijvoorbeeld in de veel gebruikte term “bama-structuur” (bachelor-masterstructuur). Tegen die achtergrond lag het niet zeer voor de hand de “kale” mastergraad, als die zou zijn bedoeld, in de aanmeldingsformulieren en de prospectus met een enkele M aan te duiden.

2.48

Voor zover het onderdeel klachten omvat die op de hiervóór (onder 2.44-2.47) besproken aspecten zijn gericht, is het naar mijn mening terecht voorgesteld.

2.49

Het onderdeel mist echter doel, voor zover het klaagt over het passeren van het bewijsaanbod in de memorie van antwoord onder 141. In de benadering van het hof had SNR de stellingen van [verweerders] met betrekking tot de beweerdelijk aan hen gedane toezeggingen onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat nadere bewijsvoering niet aan de orde was. Overigens meen ik dat de bewijslast met betrekking tot de aan hen gedane toezeggingen niet op SNR, maar op [verweerders] rust.

2.50

Het onderdeel mist naar mijn mening voorts doel, voor zover het klaagt over een innerlijke tegenstrijd tussen de vaststelling van het hof in de rov. 4.4 en 4.5 dat de brief van [betrokkene 1] op in het verleden gedane toezeggingen betrekking had enerzijds en het feit dat het hof, kennelijk doelend op de brief van [betrokkene 1], aan het slot van rov. 4.9 van “nog in september 2004 aan [verweerders] gedane toezeggingen” heeft gesproken.

In de lezing die het hof kennelijk aan de bedoelde brief heeft gegeven bevatte die brief niet slechts een bevestiging van in het verleden gedane toezeggingen, maar ook de bevestiging (de “toezegging”) dat de betrokken studenten de MA-titel inderdaad kunnen voeren. Op zichzelf is dat niet onbegrijpelijk.

2.51

Onderdeel E klaagt dat het oordeel in de rov. 4.8-4.11 dat het verweer van SNR dat de tekortkoming haar niet kan worden toegerekend dient te worden verworpen, onjuist en in het licht van de gedingstukken onbegrijpelijk is.

2.52

Daarbij is volgens het onderdeel onder 4.35 allereerst van belang dat dit oordeel voortbouwt op het oordeel dat de tekortkoming bestaat uit een door [betrokkene 1] beweerdelijk voor of ten tijde van het sluiten van de onderwijsovereenkomsten gedane toezegging. Als het oordeel over die toezegging wordt vernietigd, moet het oordeel over de toerekenbaarheid dat lot delen, aldus het onderdeel.

2.53

Als onderdeel D slaagt, kan uiteraard ook het oordeel dat de door SNR aangevoerde omstandigheden “geen rechtvaardiging (kunnen) vormen voor het feit dat SNR de in r.o. 4.4 e.v. vastgestelde toezeggingen aan [verweerders] heeft gedaan”, geen stand houden.

2.54

In de tweede plaats is volgens het onderdeel onder 4.36 van belang dat, zoals al eerder aangegeven, het hof voor het oordeel over de toerekening de notitie van de minister van OCW van november 2000 (Kamerstukken II 2000-2001, 27 496, nr. 1) relevant acht, waarmee het hof buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden, nu geen van beide partijen een beroep op deze notitie heeft gedaan. Alleen al om die reden kan het oordeel van het hof over de toerekenbaarheid niet in stand blijven, aldus het onderdeel.

2.55

Als onderdeel A slaagt, tast dat uiteraard ook het in rov. 4.8 vervatte oordeel aan dat de niet-nakoming van de veronderstelde toezeggingen aan SNR dient te worden toegerekend.

2.56

Voorts klaagt het onderdeel dat, voor zover het hof in rov. 4.9 heeft willen oordelen dat het op de weg van SNR lag zich uit eigen beweging van de inhoud van de bedoelde notitie op de hoogte te stellen, dit rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk is. Deze notitie maakte immers niet eens deel uit van de parlementaire stukken van de betreffende wetswijziging. [verweerders] hebben ook helemaal niet gesteld dat deze notitie voor de juiste interpretatie van de wet relevant was, noch dat SNR dit heeft moeten begrijpen.

2.57

SNR heeft geen belang bij de klacht, nu aan de vordering van [verweerders] niet mede ten grondslag ligt dat zij uit eigen beweging van de bedoelde notitie had moeten kennisnemen en, naar reeds uit de bespreking van onderdeel A volgt, het hof de bedoelde notitie en de daaraan te verbinden gevolgtrekkingen hoe dan ook niet aan zijn oordeel over de toerekenbaarheid van de aan SNR verweten tekortkoming ten grondslag heeft mogen leggen.

2.58

Het onderdeel vervolgt onder 4.38 met de klacht dat rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk is het standpunt van het hof in rov. 4.10 dat SNR niet mocht afgaan op haar door DVC verstrekte informatie. In cassatie kan veronderstellenderwijs ervan worden uitgegaan dat, zoals SNR heeft gesteld, DVC in de relevante periode de bevoegde instantie voor de accreditatie was en dat DVC aan SNR had aangegeven dat SNR de graad Master of Arts aan studenten zoals [verweerders] mocht toekennen. De in de wet voorziene instantie, NVAO, werd pas veel later operationeel. Zonder nadere motivering is volgens het onderdeel onbegrijpelijk waarom SNR niet op haar door de DVC, op dat moment de officiële instantie voor accreditatie, verstrekte informatie mocht afgaan. Het onderdeel wijst er hierbij nog op dat, indien de eventuele tekortkoming niet aan SNR toerekenbaar wordt geoordeeld, [verweerders] naar haar mening in beginsel DVC voor vergoeding van hun schade kunnen aanspreken.

Het onderdeel besluit dat het hof in zijn bestreden oordeel het voorgaande heeft miskend, althans - voor zover dat niet het geval zou zijn - dat zijn oordeel zonder nadere, hier ontbrekende toelichting onbegrijpelijk is, zodat het oordeel in rov. 4.11 dat de veronderstelde tekortkoming voor risico van SNR behoort te blijven rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk is.

2.59

Het onderdeel voert geen gronden aan waarom bedoeld oordeel rechtens onjuist zou zijn. Het geeft niet aan van welke onjuiste rechtsopvatting het hof hier zou zijn uitgegaan of welke rechtsregel het hof hier zou hebben miskend.

Voor zover het onderdeel klaagt over de begrijpelijkheid van het oordeel dat SNR niet mocht afgaan op haar door de DVC verstrekte informatie, gaat het ervan uit dat het hof geen nadere motivering van of toelichting op dit oordeel heeft gegeven. Die opvatting is onjuist; het hof heeft niet beslist dat SNR nooit op haar door DVC verstrekte informatie mocht afgaan, maar dat zulks in casu gold nu naar het oordeel van het hof belangrijke indicaties bestonden die SNR aan de juistheid van die informatie hadden moeten doen twijfelen. Op zichzelf is die gedachtegang niet onbegrijpelijk, waaraan op zichzelf niet afdoet dat het hof met de vaststelling van één van die indicaties buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden en die vaststelling niet op hem in het geding gebleken feiten steunt.

Waar het onderdeel tevergeefs is voorgesteld, doet ook de bedoelde doorwerking in rov. 4.11 zich niet voor.

2.60

Onderdeel F klaagt onder 4.41 dat het hof in strijd met het recht, althans onbegrijpelijk, in rov. 4.19 heeft geoordeeld dat SNR niets heeft gesteld, althans niets dat voldoende onderbouwd is, dat, indien bewezen, kan leiden tot het slagen van haar verweer, zodat het hof aan het bewijsaanbod voorbij is gegaan.

Het onderdeel betoogt dat, nu het hof in feite de hernieuwde wijziging van de eis, althans van de grondslag daarvan, heeft toegelaten, en de vorderingen in hoger beroep op die hernieuwde grondslag heeft beoordeeld, het hof SNR ook had moeten toelaten om ter zake (alsnog) bewijs te leveren. SNR had die grondslag immers - voor de aanvankelijke eiswijziging en wederom in hoger beroep - gemotiveerd bestreden.

Voorts voert het onderdeel aan dat bovendien, zoals eerder vermeld, in eerste aanleg is bestreden dat enige toezegging met betrekking tot een graad Master of Arts is gedaan en dat ter zake bewijs is aangeboden. [verweerders] hebben hun aanspraak op verlening van de graad Master of Arts in eerste aanleg niet nader uitgewerkt, omdat zij als gezegd de grondslag van hun vordering bij gelegenheid van de comparitie na antwoord hebben gewijzigd. Eerst in hoger beroep zijn zij daarop teruggekomen. Daarop heeft SNR de opnieuw gewijzigde eis gemotiveerd bestreden en opnieuw bewijs ter zake aangeboden. Het hof had dit bewijsaanbod niet met slechts de daarvoor gegeven motivering, die bovendien onbegrijpelijk is, mogen passeren.

2.61

De door het onderdeel bedoelde hernieuwde grondslag kan niet afdoen aan het feit dat aan bewijslevering door SNR slechts wordt toegekomen indien SNR de stellingen van [verweerders] voldoende gemotiveerd heeft betwist en bewijslevering met betrekking tot de betwiste feiten tot een andere uitkomst van de zaak kan leiden. Het hof heeft aangenomen dat van een voldoende gemotiveerde betwisting van de stellingen van [verweerders] geen sprake is en heeft al om die reden het bewijsaanbod van SNR gepasseerd.

Het oordeel dat SNR de stellingen van [verweerders] niet voldoende gemotiveerd heeft betwist, houdt naar mijn mening geen stand. Bij die stand van zaken zal na verwijzing in cassatie opnieuw over bewijsvoering moeten worden beslist en zal alsnog moeten worden bepaald wie met bewijs zal worden belast.

2.62

Het middel bevat ten slotte onder 5 een laatste klacht (“veegklacht”), volgens welke bij gegrondbevinding van één of meer van de eerdere klachten ook de rov. 4.6, 4.12, 4.19 en het dictum van het arrest van 20 januari 2015, alsmede het arrest van 24 maart 2015 niet in stand kunnen blijven.

2.63

Nu meer van de voorgaande klachten slagen, kunnen inderdaad ook de rov. 4.6, 4.12, 4.19 en het dictum van het arrest van 20 januari 2015, alsmede het arrest van 24 maart 2015 niet, althans niet zonder meer, in stand blijven.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van beide bestreden arresten en tot verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

Volgens de bestreden arresten: [verweerder 6].

Ontleend aan de rov. 3.1-3.10 van het bestreden arrest van 20 januari 2015.

ECLI:NL:RBARN:2012:BV8571.

ECLI:NL:RBONE:2013:BZ0405.

ECLI:NL:GHARL:2015:303.

De cassatiedagvaarding is uitgebracht op 24 juni 2015.

Kennelijk is hier bedoeld: art. 140 lid 3 Rv.

Die bepaling luidt: “Het accreditatieorgaan toetst bij de accreditatie en de toets nieuwe opleiding tevens (…) de door een instellingsbestuur voorgestelde toevoeging aan een graad als bedoeld in artikel 7.10a, tweede en derde lid, op internationale herkenbaarheid aan de hand van een referentielijst die bij ministeriële regeling wordt vastgesteld; (…).”

[verweerders] hebben zich in de memorie van grieven onder 3.2-3.4 wél beroepen op de brief van de HBO-raad van 27 juni 2002, van welke brief SNR, alhoewel niet aangesloten bij de HBO-raad, volgens [verweerders] wel kennis heeft genomen, althans had kunnen en moeten nemen. [verweerders] hebben hieraan de conclusie verbonden dat SNR medio 2002 wist althans had dienen te weten dat zij niet tot het verlenen van de graad MA kon overgaan.

Zie Parl. Gesch. Nieuw Bewijsrecht (1988), p. 85; Asser Procesrecht/Asser 3 (2013), nr. 97. Vgl. ook HR 8 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB6196, NJ 2008/92, waarin wordt overwogen dat de omstandigheid dat een productie - in casu een krantenartikel - (uit) een algemeen kenbare bron (afkomstig) is, is te onderscheiden van een feit van algemene bekendheid. Zie voorts HR 22 juni 1990 (Stichting Cultureel Centrum/Zuidhoek), ECLI:NL:HR:1990:AD1157, NJ 1990/704, waarin werd geoordeeld dat de rechtbank door (het bestaan van) een raadsbesluit geen feit van algemene bekendheid te oordelen, niet blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, en HR 17 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6927, NJ 2007/285 m.nt. C.J.H. Brunner, rov. 4.2, met betrekking tot een door geen van beide partijen in het geding gebrachte en evenmin door hen ingeroepen publicatie. Vgl. ten slotte HR (strafkamer) 29 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:522, NJ 2016/249 m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.4: “(…)Voor zover in die overweging als oordeel van het Hof besloten ligt dat gegevens kunnen worden aangemerkt als van algemene bekendheid in de zin van art. 339, tweede lid, Sv op de enkele grond dat zij aan internetbronnen zijn ontleend, is dat oordeel onjuist. De enkele omstandigheid dat een bepaald gegeven aan openbare bronnen op het internet kan worden ontleend, brengt immers op zichzelf nog niet mee dat zo een gegeven daarom een feit of omstandigheid van algemene bekendheid is in de hier bedoelde zin. Overigens is het oordeel van het Hof dat de onderhavige gegevens kunnen worden aangemerkt als feiten of omstandigheden van algemene bekendheid ook niet zonder meer begrijpelijk. Bij dergelijke feiten of omstandigheden gaat het immers in de regel om gegevens die geen specialistische kennis veronderstellen en waarvan de juistheid redelijkerwijs niet voor betwisting vatbaar is.”

[verweerders] hebben zich in hoger beroep slechts beroepen op de brief van de HBO-raad van 27 juni 2002, van welke brief SNR, alhoewel niet aangesloten bij de HBO-raad, volgens [verweerders] wel kennis heeft genomen, althans had kunnen en moeten nemen; zie voetnoot 9.

Vgl. HR 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5612, NJ 2011/180 en HR 9 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR1654, NJ 2011/409.

Zie ook C.E. Drion, De onderzoekende en/of googelende rechter, NJB 2009/642; W.H. van Boom, M.L. Tuil en I. van der Zalm, Feiten van algemene bekendheid en ervaringsregels - virtuele werkelijkheid?, NTBR 2010/7 onder 7; L. Siemerink, Rechter gewaarschuwd voor googelen, NJB 2010/2145; H.J. Snijders/C.J.M. Klaassen/G.J. Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht (2011), p. 233; J.C. Heuving, Internet en de (minder) lijdelijke rechter, TvPP 2012/1; Asser Procesrecht/Asser 3 (2013), nrs. 94 en 99.

Zie voetnoot 9.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature