Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Personen- en familierecht. Machtiging curatele (art. 1:386 BW). Verkoop van een pand (art. 1:345 lid 1 BW). Belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1 Rv.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Conclusie



Zaaknr. 14/05498

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 3 april 2015 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[verzoeker]

tegen

1. [verweerder 1]

2. [verweerster 2]

3. [verweerster 3]

De moeder van verzoeker tot cassatie is onder curatele gesteld wegens een geestelijke stoornis. Zijn broer en zus zijn tot curator benoemd. Verzoeker tot cassatie woont en werkt in een pand te Utrecht dat in eigendom toebehoort aan zijn moeder. Zijn broer heeft als curator de kantonrechter verzocht om een machtiging tot verkoop van dit woon/winkelpand te [plaats] te verlenen om de restschuld naar aanleiding van de verkoop van de woning van hun moeder te [plaats] te kunnen betalen.

In cassatie wordt opgekomen tegen het oordeel van het hof dat verzoeker tot cassatie in deze procedure niet als belanghebbende in de zin van artikel 798 lid 1 Rv kan worden aangemerkt.

1. Feiten en procesverloop

1.1 Verweerster in cassatie onder 3 is de moeder van verzoeker tot cassatie (hierna: [verzoeker]), evenals van verweerder in cassatie onder 1 (hierna: [verweerder 1]) en van verweerster in cassatie onder 2 (hierna: [verweerster 2]).

1.2 De moeder is bij beschikking van 23 mei 2013 van de rechtbank Den Haag, sector kanton, locatie Leiden onder curatele gesteld wegens een geestelijke stoornis met benoeming van [verweerder 1] en [verweerster 2] tot curator (hierna: de curatoren).

1.3 [verzoeker] is bewoner en huurder van het woon/winkelpand aan de [a-straat] te [plaats] (hierna: het pand).

1.4 [verweerder 1] heeft – met instemming van [verweerster 2] – de kantonrechter bij inleidend verzoek van 16 september 2013, ingekomen ter griffie van de rechtbank Den Haag, sector kanton, locatie Leiden op 18 september 2013, verzocht hem toestemming te verlenen om initiatieven tot verkoop van het pand te ondernemen, dat onlangs was getaxeerd voor een marktwaarde van € 150.000,- in bewoonde staat.

Aan dit verzoek heeft hij ten grondslag gelegd dat de verkoop van het appartement van de moeder in [plaats] heeft geresulteerd in een restschuld van ongeveer € 27.000,- die niet volledig kan worden voldaan uit het spaartegoed van hun moeder, dat € 15.000,- bedraagt. Onderzocht is, aldus [verweerder 1], of het mogelijk zou zijn het pand aan [verzoeker] te verkopen voor de marktwaarde in bewoonde staat, maar dat is gebleken dat [verzoeker] over onvoldoende leningscapaciteit beschikt. De conclusie is dan ook dat niets anders rest dan het pand in [plaats] zo snel mogelijk in bewoonde staat te verkopen, zodat [verzoeker] en zijn gezin hierin kunnen blijven wonen en de verkoop van het appartement van de moeder in [plaats] kan worden geëffectueerd.

1.5 De kantonrechter heeft bij beschikking van 17 oktober 2013 toestemming verleend voor de verkoop van het pand in bewoonde staat tegen een minimale verkoopprijs van € 150.000,-.

1.6 [verzoeker] is, onder aanvoering van twee grieven, van deze beschikking in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Den Haag. Hij heeft het hof daarbij verzocht de beschikking van de kantonrechter te vernietigen en opnieuw rechtdoende slechts een machtiging tot verkoop aan hem te verlenen, dan wel het verzoek tot machtiging tot verkoop geheel af te wijzen.

1.7 [verweerder 1] heeft een verweerschrift ingediend en het hof daarin verzocht – verkort weergegeven – de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

1.8 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld op 14 mei 2014, in aanwezigheid van [verzoeker] en zijn advocaat, [verweerder 1] en zijn advocaat, en van [verweerster 2]. Ter zitting is de zaak pro forma aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen een minnelijke schikking te bereiken. Nadat het hof op 13 juni 2014 was gebleken dat partijen niet tot een minnelijke oplossing waren gekomen, heeft het hof bij brief van 20 juni 2014 partijen vervolgens in staat gesteld zich schriftelijk uit te laten over de vraag of [verzoeker] ontvangen kan worden in zijn hoger beroep in het licht van de uitspraken van de Hoge Raad van 11 januari 2002 (ECLI:NL:HR:2002:AD4932) en 24 januari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:160).

Beide partijen hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

1.9 Het hof heeft [verzoeker] bij beschikking van 6 augustus 2014 niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.

1.10 [verzoeker] heeft tegen de beschikking tijdig cassatieberoep ingesteld.

Verweerders in cassatie 1-3 zijn in de gelegenheid gesteld om een verweerschrift in te dienen. Zij hebben daarvan geen gebruik gemaakt.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel, dat opkomt tegen de rechtsoverwegingen 5-7, richt zich in feite tegen rechtsoverweging 6, waarin het hof als volgt heeft geoordeeld:

“Naar analogie van de genoemde uitspraken [zie hiervoor onder 1.8, toev. W-vG] overweegt het hof evenwel dat het ook bij een machtigingsprocedure (artikel 1:386, lid 1 van het Burgerlijk Wetboek in verbinding met artikel 1:345 BW ) gaat om een beperkte regeling, waarbij slechts de curanda en de curatoren zijn betrokken. De machtigingsprocedure waarover het in het onderhavige geding gaat, kan niet worden aangemerkt; als een ‘zaak van curatele' als bedoeld in artikel 798, lid 2 Rv , nu de in die bepaling opgenomen uitbreiding van de kring van belanghebbenden niet in overeenstemming is met de aard en strekking van een dergelijke procedure. Appellant kan als zoon dan ook niet als belanghebbende in de zin van artikel 798, lid 2 Rv worden aangemerkt. Evenmin is hij belanghebbende in de zin van het eerste lid van dit artikel. De zaak heeft immers, niet rechtstreeks betrekking op zijn rechten of verplichtingen. De conclusie is, dat de appellant niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn hoger beroep.”

2.2

Kernklacht is dat het oordeel van het hof dat [verzoeker] niet als belanghebbende in de zin van het eerste lid van art. 798 Rv kan worden aangemerkt nu de zaak niet rechtstreeks betrekking heeft op zijn rechten of verplichtingen, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd.

Inleidende opmerkingen

2.3

Het oordeel van het hof, dat [verzoeker] geen belanghebbende is in de zin van art. 798 lid 2 Rv omdat de machtigingsprocedure waartegen het hoger beroep zich richt niet kan worden aangemerkt als een ‘zaak van curatele’, wordt in het cassatieberoep niet bestreden.

Het gaat dus in cassatie uitsluitend om het oordeel van het hof dat in de laatste drie volzinnen van rechtsoverweging 6 is opgenomen, waarin het hof heeft geoordeeld dat [verzoeker] geen belanghebbende is in de zin van het eerste lid van art. 798 Rv omdat de zaak immers (curs. W-vG) niet rechtstreeks betrekking heeft op zijn rechten of verplichtingen.

Het in cassatie niet bestreden oordeel dat [verzoeker] geen belanghebbende is in de zin van het tweede lid van art. 798 Rv wordt door het hof in het eerste gedeelte van rechtsoverweging 6 gemotiveerd. Het ‘immers’ wordt door het hof niet nader ingevuld, waardoor een motivering van het oordeel (nagenoeg) ontbreekt. Deze nadere invulling is evenwel ook niet eenvoudig, zoals uit het hierna volgende blijkt.

2.4

Het antwoord op de vraag of iemand als belanghebbende kan worden aangemerkt in de verzoekschriftprocedure in het algemeen moet volgens vaste rechtspraak worden afgeleid uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen. Daarbij zal een rol spelen in hoeverre iemand door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat hij daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang, of in hoeverre hij anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen (vgl. HR 10 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY8290, NJ 2007/45, en HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9961, NJ 2012/339).

Voor zaken betreffende het personen- en familierecht, anders dan scheidingszaken, geeft de eerste afdeling van Titel 6 van Boek III Rv een afwijkend voorschrift: voor de toepassing van deze afdeling wordt onder 'belanghebbende' verstaan: degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft (art. 798 lid 1 Rv).

2.5

In zaken betreffende het personen- en familierecht is dus het begrip rechtstreeks toegevoegd teneinde, zo blijkt uit de parlementaire geschiedenis, om de in beginsel ruime kring van belanghebbenden enigszins in te perken. In de memorie van toelichting wordt daarover het volgende opgemerkt:

“Wat er zij van de betekenis van het begrip belanghebbende in de algemene regeling van de verzoekschriftprocedure, voor de familieverzoekschriftprocedure wordt een nadere bepaling van dit begrip voorgesteld om zo de in beginsel ruime kring van belanghebbenden bij deze procedures enigszins in te perken. Belanghebbend is degene, op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. (…) De zaak moet rechtstreeks betrekking hebben op zijn rechten en verplichtingen, wil iemand als belanghebbende kunnen worden aangemerkt. Iemand die een indirect belang heeft, is geen belanghebbende in de zin van artikel 798. Naar mijn mening kan op deze wijze worden voorkomen dat er allerlei prealabele procedures ontstaan waarin eerst moet worden beslist wie belanghebbende is.”

Ook sympathie voor de kwestie waarover wordt geprocedeerd of emotionele belangen bij een zaak maken iemand nog geen belanghebbende.

2.6

De wetgever heeft het begrip ‘belanghebbende’ in het kader van de familieverzoekschriftprocedure niet uitputtend nader willen omschrijven omdat een catalogus van belanghebbenden per procedure nooit volledig zou zijn en in strijd zou komen met verdragsrechtelijk beschermde grondrechten van burgers.

Dat deze keuze van de wetgever tot veel rechtspraak over het begrip ‘belanghebbende’ leidt, kan o.a. worden afgeleid uit de omstandigheid dat de Hoge Raad in 2014 daarover een aantal uitspraken heeft gedaan, waaronder de door het hof in de bestreden beschikking genoemde uitspraak van 24 januari 2014.

2.7

Deze uitspraak betrof het volgende. Nadat de goederen van de man onder bewind waren gesteld, verzocht de bewindvoerder de kantonrechter hem op de voet van art. 1:441 lid 2 BW te machtigen om over te gaan tot opheffing van de in 1960 gesloten huwelijksvoorwaarden. Nadat de kantonrechter het verzoek had ingewilligd, gingen de zoons van betrokkene in hoger beroep, alwaar zij door het hof niet-ontvankelijk werden verklaard omdat zij geen belanghebbenden zijn als bedoeld in art. 798 lid 1 Rv en ook niet op de voet van art. 798 lid 2 Rv. Op de in cassatie aangevoerde klacht dat de zoons als belanghebbenden in de zin van art. 798 lid 1 Rv hadden moeten worden aangemerkt, oordeelde de Hoge Raad (in rov. 3.4) dat niet kan worden gezegd dat het verzoek van de bewindvoerder op de rechten (of verplichtingen) van de zoons rechtstreeks betrekking heeft, zoals art. 798 lid 1 Rv eist. De door de bewindvoerder beoogde opheffing van de huwelijksvoorwaarden is, aldus de Hoge Raad, weliswaar van invloed op de omvang van het vermogen van hun vader, maar daarbij zijn hun eigen rechten niet, en zeker niet rechtstreeks, in het geding. Verwezen wordt naar de parlementaire geschiedenis (Kamerstukken II, 1991/92, 22 487, nr. 3, p. 8).

2.8

In haar noot onder dit arrest stelt Wortmann zich op het standpunt dat de rechten en verplichtingen bedoeld in art. 798 lid 1 Rv, persoonlijke, actuele en concrete rechten en verplichtingen betreffen en dat de rechten en verplichtingen van de zoons niet rechtstreeks betrokken zijn bij de zaak waarom het gaat, namelijk de machtiging tot opheffing van de huwelijkse voorwaarden. Zij merkt op dat weliswaar de opheffing van de huwelijkse voorwaarden de omvang van hun nalatenschap na overlijden van hun vader zal kunnen beïnvloeden, dat betreft evenwel niet de eigen rechten en verplichtingen van de zoons, laat staan dat deze rechtstreeks bij het verzoek om machtiging zijn betrokken.

2.9

Het oordeel of iemand is aan te merken als een belanghebbende is in hoge mate feitelijk omdat de beoordeling afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval.

Het cassatiemiddel

2.10

De hiervoor onder 2.2 weergegeven kernklacht wordt – zakelijk weergegeven – toegelicht met het betoog dat het hof de stellingen van [verzoeker] die ertoe leiden dat de zaak rechtstreeks betrekking heeft op zijn rechten en verplichtingen, ten onrechte als onvoldoende heeft aangemerkt. Dit betreft, aldus het middel, in de eerste plaats het argument van [verzoeker] dat hij verschillende aan de onroerende zaak verbonden rechten heeft, waaronder huurrechten en het recht van eerste koop. Volgens het middel stond in hoger beroep tussen partijen vast dat de rechten van [verzoeker] op de onroerende zaak voortvloeien uit een legaat in het testament van de overleden vader en een legaat in het testament van de moeder. In de tweede plaats heeft [verzoeker] als argument aangevoerd dat hij een recht op levering van het pand heeft verkregen nu beide curatoren hem de gelegenheid hebben gegeven om het pand te kopen.

2.11

Het middel stelt voorop dat tussen partijen in confesso is dat de moeder in haar testament het pand aan [verzoeker] heeft gelegateerd (nr. 3.8) en betoogt vervolgens dat het hof de rechten van [verzoeker] uit het legaat als rechtstreeks betrokken had moeten kwalificeren in de zin van art. 798 lid 1 Rv. Het onderdeel doet daarbij een beroep op (een gedeelte van) de noot van J. de Boer bij HR 11 januari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD4932, NJ 2002/463, waarin hij de vraag opwerpt of een legataris niet als ‘belanghebbende’ in de zin van het eerste lid van art. 798 Rv dient te worden aangemerkt “indien de bewindvoerder weet dat een goed door de rechthebbende gelegateerd is en machtiging aan de rechter vraagt om dat goed te vervreemden, waardoor het legaat zal vervallen (zie HR 10 november 2000, NJ 2002, 363, met noot van M.J. Klein)”.

2.12

M.i. dient de door De Boer gestelde vraag bevestigend beantwoord te worden en dient [verzoeker] als belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1 Rv te worden aangemerkt. Door zijn positie als bewoner en gebruiker van het pand en voorts zijn positie als legataris is sprake van een persoonlijk en actueel recht dat – mogelijkerwijs – in het geding is als het pand wordt verkocht. In dat opzicht wordt [verzoeker] m.i. dan ook rechtstreeks getroffen. Het hof had [verzoeker] derhalve als belanghebbende dienen aan te merken, zodat het middel in zoverre slaagt.

2.13

Door de in hoger beroep gevolgde procedure heeft een inhoudelijk debat plaatsgevonden over de door [verzoeker] gestelde rechten met betrekking tot het pand.

Met betrekking tot het legaat wordt in het cassatieverzoekschrift (onder 3.7) verwezen naar de in cassatie nog relevante stellingen van [verzoeker], te weten: dat hij in het pand een zaak heeft, waar hij eerder met de vader een zaak had; dat hij het pand als legaat van de vader zou hebben verkregen indien deze zou komen te overlijden gelijktijdig met diens echtgenote en dat een soortgelijke bepaling was of vermoedelijk spiegelbeeldig is opgenomen in het testament van de moeder; dat in een concepttestament van de moeder van 7 februari 2005 eveneens het pand aan [verzoeker] wordt gelegateerd; dat in de testamenten is vastgelegd dat [verzoeker] het pand mocht kopen tegen inbreng van de waarde in verhuurde staat indien het ooit zou worden verkocht en dat daarmee het recht van [verzoeker] op eerste koop onlosmakelijk aan het pand is verbonden en daarmee deel uitmaakt van de mondelinge huurovereenkomst. Nu verkoop eerder dan na de dood van de langstlevende aan de orde komt, dient, aldus [verzoeker], uiteraard ook in die situatie zijn recht van eerste koop te worden geëerbiedigd conform zijn bedoelingen en die van zijn ouders, zoals dat uit het testament blijkt en zij met elkaar en met [verzoeker] zijn overeengekomen.

2.14

In het verweerschrift in appel wordt allereerst uitdrukkelijk betwist dat [verzoeker] huurrechten heeft, dat er een overeenkomst tussen beide ouders zou bestaan waarbij zij zijn overeengekomen dat [verzoeker] na hun dood eigenaar van het pand zou kunnen worden en dat [verzoeker] rechtstreeks rechten aan het testament van de overleden vader en het testament van de moeder kan ontlenen.

In het verweerschrift wordt niet betwist dat [verzoeker] een bijzondere positie heeft ten opzichte van het pand op grond van het legaat in het testament van de moeder, maar daaraan wordt toegevoegd dat de voorwaarde op grond waarvan [verzoeker] het pand kan verkrijgen wel is dat de waarde hiervan in de nalatenschap wordt voldaan, maar dat [verzoeker] niet in staat is gebleken om de getaxeerde waarde te voldoen en ook niet aannemelijk is dat hij de waarde van het pand in de nalatenschap zal kunnen voldoen.

2.15

Volgens [verweerder 1] kan [verzoeker] aan het legaat in het testament van de vader geen rechten ontlenen nu hieraan de voorwaarde was verbonden dat de vader gelijktijdig of na de moeder zou komen te overlijden, wat niet is geschied. [verzoeker] kan volgens [verweerder 1] evenmin aan het testament van de moeder en het hierin opgenomen legaat ten behoeve van [verzoeker] rechten ontlenen nu de moeder nog in leven is.

2.16

Dit is juist. Art. 4:117 lid 1 BW omschrijft het legaat als een uiterste wilsbeschikking waarin de erflater aan één of meer personen een vorderingsrecht toekent. Het vorderingsrecht van de legataris schept een schuld van de nalatenschap in de zin van art. 4:7 BW, dat het legaat uitdrukkelijk noemt in lid 1 onder h. De legataris verkrijgt zijn vorderingsrecht op het moment van het overlijden van de erflater van rechtswege (art. 4:201 BW). Een legataris kan dan ook niet een vervreemding van het gelegateerde goed tegengehouden vóór het overlijden van de erflater. Dit was wellicht anders geweest indien in het testament van de vader was bepaald dat de moeder niet meer vrijelijk over het pand kon beschikken en het niet aan een ander dan [verzoeker] mocht verkopen, maar een dergelijke bepaling ontbreekt in het testament van de vader en [verweerder 1] heeft betwist dat er een mondelinge afspraak zou bestaan tussen de ouders met die strekking. Nu [verzoeker] zijn stelling slechts heeft herhaald (bijvoorbeeld in de brief van zijn advocaat van 27 juni 2014 aan het hof), maar deze niet nader heeft geadstrueerd en er daarnaast ook geen juridische grondslag voor zijn betoog valt aan te wijzen, had het hof de grieven van [verzoeker] die ertoe strekken dat de kantonrechter de machtiging tot verkoop (aan een derde) niet had mogen verlenen, niet gegrond behoeven te vinden.

2.17

Met betrekking tot het door hem gestelde recht op levering van het pand (het tweede argument) heeft [verzoeker] primair gesteld dat hij het pand heeft gekocht, subsidiair dat hij een optierecht heeft verkregen en meer subsidiair dat het [verweerder 1] niet meer vrijstond met Berkhout (de koper van het pand, W-vG) te contracteren. [verzoeker] heeft zijn primaire en subsidiaire stelling gebaseerd op de in hoger beroep bij akte overgelegde producties.

2.18

In het verweerschrift wordt erkend dat door de curatoren is getracht tot een minnelijke oplossing te komen door [verzoeker] een aanbod te doen het pand te kopen tegen de waarde in bewoonde staat maar wordt betwist dat [verzoeker] daartoe in staat was. Voorts wordt erkend dat [verweerder 1] op 18 november 2013 aan [verzoeker] een termijn heeft gegeven om voor 15 januari 2014 financiering te verkrijgen van tenminste € 150.000,- voor de aankoop van het pand. Op 14 januari 2013 heeft [verzoeker] aan [verweerder 1] bericht dat hij financiering kan verkrijgen van twee particulieren tot een bedrag van € 140.000,- en dat hij zelf € 10.000,- kan inbrengen. In het verweerschrift wordt daartegenover gesteld dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat er een concreet financieringsaanbod onder normale voorwaarden aan [verweerder 1] is getoond.

2.19

Uit de gedingstukken blijkt het volgende.

[verweerder 1] heeft gesteld dat het pand op 17 december 2013 aan een derde is verkocht voor een bedrag van € 200.000,- onder voorbehoud van het onherroepelijk worden van de machtiging, die van 17 oktober 2013 dateert. In de tussentijd heeft [verweerder 1] bij brief van 18 november 2013 aan [verzoeker] het volgende aanbod gedaan:

“Ik herhaal dat ik een kandidaat-koper heb voor de [a-straat]. Niettemin geef ik jou tot 15 januari 2014 de gelegenheid om een adequate financiering te regelen van tenminste € 150.000. Indien je op deze datum geen concrete financieringsaanbieding onder normale voorwaarden hebt ontvangen en aan mij hebt getoond, zal ik met de kandidaat koper verder in overleg treden om de koop definitief af te ronden.”

2.20

[verzoeker] heeft bij brief van 14 januari 2014 op dit aanbod gereageerd met de mededeling dat hij twee particulieren bereid heeft gevonden om hem € 140.000,- te lenen en dat hij zelf € 10.000,- kan inbrengen.

In deze brief is de volgende opmerking van [verzoeker] opgenomen:

“Ik ga ervan uit dat bovenstaande voldoende uiting geeft aan mijn intentie om het pand op de [a-straat] te kopen.”

2.21

[verweerder 1] heeft hierop op dezelfde datum (14 januari 2014) als volgt gereageerd:

“Zoals je weet (zie mijn brief van 5 november 2013) heb ik een koper gevonden voor de [a-straat]: [A] die ongezien bereid was/is een bedrag van € 200.000,- te betalen voor het pand in de huidige staat.

Ik heb jou toen gevraagd voor 11 november mij te kennen te geven dat je deze koopsom (€ 200.000,-) zelf wilde en zou kunnen opbrengen. Hieraan wilde ik dan graag een bevestiging van een financier zien die bereid was aan jou een lening te verstrekken ter grootte van deze koopsom.

(…)

Dat betekent, [verzoeker], dat er sinds medio december 2013 sprake is van een schriftelijke overeenkomst tot koop en verkoop van de [a-straat] met [A] voor een koopsom van € 200.000,-.

(…)

Dit alles betekent dat de [a-straat] niet (meer) aan jou verkocht kan worden.”

2.22

In het verweerschrift in appel heeft [verweerder 1] gesteld (onder 25) dat hij er zich van bewust is dat hij het pand heeft verkocht vóór het verstrijken van de aan [verzoeker] vergunde termijn omdat hij ervan uitging dat [verzoeker] de financiering niet rond zou krijgen.

2.23

Met betrekking tot de stelling van [verzoeker] dat hij een recht van levering heeft verkregen als gevolg van een koopovereenkomst met de curatoren, heeft [verweerder 1] ter zitting van het hof op 14 mei 2014 het volgende standpunt ingenomen:

“Er is met appellant steeds gesproken over de financiën. Dit is nog geen koop. Wij zijn er uiteindelijk niet uitgekomen. De waarde van het pand is € 450.000,--. Als appellant het pand voor € 150.000,-- had gekocht, dan had hij het leeg kunnen verkopen en dan had hij € 300.000,-- in zijn zak. Ik heb daar bezwaar tegen. Dat is niet eerlijk. Hij onttrekt dan een deel aan de nalatenschap van onze vader. Er is nog gedacht aan een antispeculatiebeding. Appellant heeft dit afgewezen.”

2.24

Hierop heeft [verzoeker] ter zitting gereageerd met de volgende opmerking:

“Wij hadden overeenstemming bereikt over een bedrag van € 150.000,--. Ik begrijp niet dat er nu wordt gesproken over een bedrag van € 450.000,--.”

2.25

Uit het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de stelling van [verzoeker] dat hij met [verweerder 1] een koopovereenkomst heeft gesloten dan wel van [verweerder 1] een koopoptie op het pand heeft verkregen minst genomen nader onderzoek vergt. Zo heeft [verweerder 1] bijvoorbeeld in de appelprocedure verschillende bedragen als koopprijs genoemd (zie hiervoor onder 2.19, 2.21 en 2.23) en verschillende data waarop de financiering rond zou moeten zijn (zie hiervoor onder 2.19 en 2.21). Gegeven de gegrondbevinding van de klacht dat het hof [verzoeker] als belanghebbende had moeten aanmerken, betekent deze conclusie dat het hof niet ongemotiveerd aan genoemd argument van [verzoeker] had mogen voorbijgaan.

Dit brengt mee dat de bestreden beschikking moet worden vernietigd en dat het geding moet worden verwezen naar een ander hof om dit feitelijke onderzoek te doen.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 6 augustus 2014 en tot verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Zie p. 1 en 2 van de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 6 augustus 2014.

Zie productie 6D onder tab 2 van het door [verzoeker] in cassatie overgelegde dossier.

In de bij het verzoek behorende bijlage 1.

De kantonrechter Den Haag heeft [verweerder 1] bij beschikking van 24 juni 2013 gemachtigd om deze onroerende zaak te verkopen en te leveren voor een bedrag van € 136.000,- k.k. (zie prod. 6C onder tab. 2).

Medecurator [verweerster 2] is door het hof aangemerkt als belanghebbende (zie ook de aanhef van de bestreden beschikking van 6 augustus 2014).

Het cassatieverzoekschrift is op 4 november 2014 ingekomen ter griffie van de Hoge Raad.

Zie het cassatieverzoekschrift onder 1.12.

Kamerstukken II 1991/92, 22487, nr. 3, p. 6 en 7.

Zie de noot van S.F.M. Wortmann bij HR 17 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3641, NJ 2013, 382 met verwijzing naar Kamerstukken II 1991/92, 22 487, nr. 3, p. 6.

ECLI:NL:HR:2014:160, NJ 2014/168 m.nt. S.F.M. Wortmann. Zie voorts HR 12 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2665, NJ 2014/482 m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.3.6 en HR 5 december 2014, ECLI: NL:HR:2014:3535, RvdW 2015/32, rov. 3.5.2.

Zij verwijst daarbij naar haar eerdere noot bij HR 17 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3641, NJ 2013/382 en vermeld dat dit criterium is ontleend aan de jurisprudentie op art. 1:2 eerste lid Awb, waarnaar de toelichting bij art. 798 Rv verwijst.

Zie bijv. E.A. Mink, Sdu Commentaar Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, artikel 798, aant. C.1.1 (2013).

Het cassatiemiddel is niet verdeeld in onderdelen waarin de klachten per onderwerp of bestreden rechtsoverweging worden besproken. De formulering en uitwerking van de klachten is opgenomen onder 3.1-3.19.

Zie het cassatieverzoekschrift onder 3.3-3.10.

Zie het cassatieverzoekschrift onder 3.11-3.14.

Het complete citaat luidt als volgt: “Het voorgaande betrof de beperkende uitleg van het tweede lid van art. 798 Rv en laat m.i. in beginsel onverlet het eerste lid (hierboven onder 2 geciteerd). In het onderhavige geval moest ervan worden uitgegaan dat een zoon geld had uitgegeven aan een advocaat ter veiligstelling van het vermogen van zijn bejaarde moeder, wier vermogen onder bewind was gesteld. De bewindvoerder vroeg machtiging aan de rechter om de zoon diens kosten (gedeeltelijk) te vergoeden. Voor de hand ligt te redeneren dat die procedure niet rechtstreeks mede op de rechten (als crediteur uit zaakwaarneming) van de zoon betrekking heeft, omdat zijn vordering als zodanig daardoor niet wordt beïnvloed. Maar wordt daarmee niet teveel afbreuk gedaan aan zijn belang om niet opnieuw een advocaat te moeten inschakelen, nu om zijn bejaarde moeder aan te spreken? En, om een ander voorbeeld te geven: indien de bewindvoerder weet dat een goed door de rechthebbende gelegateerd is en machtiging aan de rechter vraagt om dat goed te vervreemden, waardoor het legaat zal vervallen (zie HR 10 november 2000, NJ 2002, 363, m.nt. WMK), geldt dan die legataris niet mede als belanghebbende? Wat hiervan zij, het was fraaier geweest als de Hoge Raad in casu, toen hij de zaak zelf afdeed, ook had gemotiveerd waarom de zoon evenmin op grond van het eerste lid van art. 798 Rv niet-ontvankelijk was.”

In nr. 35 van het verweerschrift in appel.

In nr. 36 van het verweerschrift in appel.

In de nrs. 38 en 39 van het verweerschrift in appel.

Uit het bij het inleidend verzoek aan de kantonrechter overgelegde taxatierapport blijkt dat het pand vrij van huur en gebruik is getaxeerd op € 450.000,- en in bewoonde staat op € 150.000,-. Tevens is daarin opgenomen dat [verzoeker] een bedrag van € 800,- per maand als huur betaalt. [verweerder 1] noemt deze bedragen ook in zijn verweerschrift in appel onder 20, 23 en 26 en stelt tevens dat de markthuurprijs van het pand € 5.250,- bedraagt (zie onder 49).

Zie nr. 40 en 44 van het verweerschrift in appel.

Zie prod. 2 bij het beroepschrift onder F.

Zie prod. 3 bij het beroepschrift onder B.

Zie p. 3 van het proces-verbaal van de zitting van 14 mei 2014.

Zie o.a. Asser/Perrick 4 2013/554-562, Klaassen/Luijten&Meijer II, Erfrecht, Deventer: Kluwer, 2008, nrs. 205-214 en J.B. Vegter, ‘Opmerkingen over het legaat aan een erfgenaam mede in het kader van de verdeling van de nalatenschap’, WPNR 2015/7047.

In het cassatieverzoekschrift worden onder 3.12 de relevante stellingen van partijen opgesomd.

Zie prod. 6 bij het verweerschrift.

Zie prod. 6 bij het verweerschrift.

Zie het verweerschrift in appel onder 28.

Verweerschrift in appel onder 22-23.

Zie het verweerschrift in appel onder 24 en prod. 6, p. 4 bij dit verweerschrift.

Prod. 7 bij het verweerschrift.

Deze personen worden in die brief niet bij naam genoemd. [verzoeker] heeft wel verklaringen van hen in het geding gebracht, zie prod. 18 en 19 bij de akte houdende uitlating producties.

Prod. 13 onder tab 7 van de Akte houdende uitlating producties.

Dienaangaande heeft [verweerder 1] in het verweerschrift in appel onder 19-20 gesteld dat hij samen met [verzoeker] financieel advies heeft ingewonnen, dat [verzoeker] zijn financiële gegevens heeft aangeleverd en dat op basis daarvan door een gecertificeerd financieel planner is vastgesteld dat [verzoeker] een maximale hypothecaire geldlening zou kunnen verkrijgen van € 56.000,-.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature