Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online


 

E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:PHR:2014:632
Parket bij de Hoge Raad, 13/02961

Inhoudsindicatie:

1. Tiende middel van verdachte. De door de bp-en gevorderde kosten voor rechtsbijstand. V.zv. het middel erover klaagt dat de toegewezen kosten deels zijn gemaakt t.b.v. bp-en die in hun vorderingen geheel of gedeeltelijk n-o zijn verklaard, miskent het middel dat die enkele omstandigheid niet eraan in de weg staat dat de uitspraak een beslissing dient te bevatten over de verwijzing in de door de bp-en gemaakte kosten en voorts dat die enkele omstandigheid niet meebrengt dat het Hof gehouden was de t.b.v. die bp-en gemaakte kosten geheel of gedeeltelijk af te wijzen. Voor het overige faalt het middel omdat het miskent dat de wettelijke voorschriften m.b.t. de motivering van rechterlijke uitspraken zich niet uitstrekken tot de daarin opgenomen beslissing omtrent het bedrag der kosten noch tot de vaststelling van wat tot die kosten moet worden gerekend (vgl. ECLI:NL:HR:2001:AB1819, rov. 5.9.4).

2. Tweede en vijfde middel van de bp-en. N-o verklaring van de vorderingen van de kinderen, daarin vertegenwoordigd door hun ouders, t.z.v. geleden materiële schade. De bestreden uitspraak bevat niet een motivering van deze n-o verklaring. 's Hofs oordeel is in zoverre zonder motivering niet begrijpelijk. Dit leidt evenwel niet tot cassatie nu thans reeds vaststaat dat na verwijzing of terugwijzing van de zaak de vorderingen van de bp-en op de voet van art. 361.3 Sv in verbinding met art. 415 Sv in zoverre n-o zullen worden verklaard op de grond dat vorderingen als de onderhavige een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Immers, het Hof dat na verwijzing of terugwijzing op de vorderingen van de bp-en dient te beslissen, zou dan per bp per onderdeel van de gevorderde vergoeding t.z.v. geleden materiële schade moeten vaststellen of het betreft schade van het kind die als rechtstreekse schade i.d.z.v. art. 51f.1 Sv is aan te merken, dan wel verplaatste schade in de zin van art. 6:107 BW of schade van de ouder(s) zelf. In redelijkheid kan niet anders worden geoordeeld dan dat dit – in deze zaak – een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Op diezelfde grond dat die vaststelling een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, kan ook het tweede middel – dat is gericht tegen het oordeel van het Hof dat de bp-en n-o zijn in hun vorderingen voor zover zij aanspraak maken op kosten die moeten worden aangemerkt als verplaatste schade i.d.z.v. art. 6:107 BW – niet tot cassatie leiden.

Middelen voor het overige: art. 81.1 RO. Ambtshalve: vermindering van de opgelegde gevangenisstraf wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug