Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online


 

E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:PHR:2014:2267
Parket bij de Hoge Raad, 13/04577

Inhoudsindicatie:

A-G IJzerman heeft conclusie genomen in de zaak met nummer 13/04577 naar aanleiding van het beroep in cassatie van belanghebbende tegen de uitspraak van het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden van 20 augustus 2013, nr. 12/00337, ECLI:NL:GHARL:2013:6286, BB 2013/400, V-N 2013/57.1.4.

De heffingsambtenaar van de gemeente Zeewolde heeft van belanghebbende bij schriftelijke kennisgeving van 19 oktober 2011 ter zake van de aanvraag van een Nederlandse identiteitskaart (NIK) rechten gevorderd tot een bedrag van € 43,85.

Bij arrest van 9 september 2011 had de Hoge Raad geoordeeld dat het in behandeling nemen van een NIK-aanvraag, gelet op de functie die de NIK voor de bezitter heeft met betrekking tot zijn algemene identificatieplicht, geen dienst is in de zin van artikel 229, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet . Dat betekende dat uit hoofde van een legesverordening, wegens gebrek aan formeel wettelijke grondslag in de Gemeentewet, terzake geen leges konden worden geheven. Daarin beoogt de Reparatiewet van 13 oktober 2011 te voorzien.

In deze procedure is in geschil of die rechten zijn geheven op grond van verbindende wettelijke bepalingen. Naast de vraag of de Reparatiewet een deugdelijke (formele) grondslag biedt voor de heffing, is aan de orde of de gemeentelijke wetgever, door verschillende tarieven voor te schrijven voor personen die nog geen veertien jaar oud zijn en personen van veertien jaar en ouder, gelijke gevallen ongelijk behandelt zonder dat daarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat.

Het Hof heeft geoordeeld dat de Reparatiewet tot gevolg heeft dat de ten tijde van de inwerkingtreding van de Reparatiewet geldende gemeentelijke legesverordeningen, althans voor zover ze betrekking hebben op het verrichten van handelingen ten behoeve van de aanvraag van een identiteitskaart, berusten op artikel 1 van de Wet. Dit betekent dat de desbetreffende bepalingen van de ten tijde van de inwerkingtreding van de Wet geldende gemeentelijke legesverordeningen zonder aanpassing een grondslag bieden voor het heffen van de in die verordeningen genoemde bedragen in verband met het aanvragen van een identiteitskaart. Het Hof heeft tevens geoordeeld dat het bij verordening door de Gemeente gemaakte onderscheid in tariefstoepassing - personen jonger dan veertien jaar betalen een lager bedrag dan personen vanaf veertien jaar - niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.

In cassatie stelt belanghebbende: 1) dat heffing op grond van de Reparatiewet niet rechtsgeldig kan plaatsvinden; 2) dat ten tijde van de heffing de Legesverordening niet is gewijzigd, waardoor er geen rechten geheven konden worden; 3) dat de rechten niet hoger mogen zijn dan het bedrag dat een gemeente aan het Rijk verschuldigd is; 4) dat er in de tarieftoepassing sprake is van een ongeoorloofd onderscheid tussen gelijke gevallen, te weten personen ouder en jonger dan veertien jaar.

De A-G merkt op dat artikel 1 van de Reparatiewet voorziet in een nieuwe formeel wettelijke grondslag voor de heffing van rechten (leges), krachtens een gemeentelijke (leges)verordening, ten behoeve van de aanvraag van een NIK. Artikel 2, lid 1, van de Reparatiewet bewerkstelligt dat (bestaande) gemeentelijke belastingverordeningen ter zake van het heffen van de in artikel 1 van de Reparatiewet bedoelde rechten niet langer berusten op artikel 229, lid 1, letter b, van de Gemeentewet , maar vanaf de inwerkingtreding van de Reparatiewet berusten op artikel 1 van de Reparatiewet.

Dat betekent volgens de A-G dat ten tijde van de inwerkingtreding van de Reparatiewet geldende gemeentelijke legesverordeningen zonder aanpassing de grondslag bieden voor het heffen van de in die verordeningen genoemde bedragen in verband met het aanvragen van een NIK. De A-G meent dan ook dat het Hof de Reparatiewet in zoverre juist heeft uitgelegd en toegepast, zodat de daartegen gerichte klachten van belanghebbende falen.

De A-G vervolgt dat de bedragen die gemeenten op grond van artikel 6, lid 2 van het Besluit Paspoortgelden voor de aanvraag van een NIK mogen heffen zijn opgebouwd uit twee kostencomponenten. De eerste component bestaat uit de productiekosten van de NIK die aan het Rijk moeten worden afgedragen. De tweede component bestaat uit de zogeheten apparaatskosten van de gemeenten. De A-G vermag, anders dan belanghebbende kennelijk stelt, niet in te zien hoe uit het arrest van 8 februari 2013 zou kunnen worden opgemaakt dat de Hoge Raad zou hebben geoordeeld dat alleen daadwerkelijke (productie)kosten een individualiseerbaar belang zouden kunnen dienen. Deswege strandt de klacht.

Ten slotte meent de A-G dat het Hof op juiste gronden heeft geoordeeld dat de door belanghebbende met elkaar vergeleken gevallen - personen jonger dan veertien jaar betalen een lager bedrag dan personen vanaf veertien jaar - niet gelijke zijn, reeds omdat in hogere regelgeving waaraan de gemeentelijke wetgever zich dient te houden, het Besluit paspoortgelden, voor een identiteitskaart ten behoeve van een persoon die nog geen veertien jaar oud is, een ander maximum tarief, te weten € 9,22, is voorgeschreven dan voor een identiteitskaart ten behoeve van een persoon van veertien jaar of ouder, te weten € 43,89. Dat onderscheid houdt verband met het vervallen van de mogelijkheid van bijschrijving van deze kinderen op het paspoort van een ouder. De wetgever heeft dit onderscheid mogen maken. Aldus kan ook deze klacht niet tot cassatie leiden.

De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug