Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online


 

E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:PHR:2014:2252
Parket bij de Hoge Raad, 13/06195

Inhoudsindicatie:

Heden neem ik conclusie in de zaak met nummer 13/06195 naar aanleiding van het beroep in cassatie van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Amsterdam, alsmede het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende, tegen de uitspraak van het gerechtshof te Den Haag van 6 november 2013, nr. BK-12/00734, ECLI:NL:GHDHA:2013:4127, BB 2013/522, V-N 2014/8.2.4.

Belanghebbende heeft op 26 september 2011 een aanvraag tot het aan hem verstrekken van een Nederlandse identiteitskaart (NIK) ingediend bij de gemeente Amsterdam. Naar aanleiding daarvan heeft de heffingsambtenaar bij schriftelijke kennisgeving van dezelfde datum een bedrag van € 43,85 aan rechten geheven terzake van de aanvraag van een Nederlandse identiteitskaart.

Bij arrest van 9 september 2011 had de Hoge Raad geoordeeld dat het in behandeling nemen van een NIK-aanvraag, gelet op de functie die de NIK voor de bezitter heeft met betrekking tot zijn algemene identificatieplicht, geen dienst is in de zin van artikel 229, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet. Dat betekende dat uit hoofde van een legesverordening, wegens gebrek aan formeel wettelijke grondslag in de Gemeentewet, terzake geen leges konden worden geheven. Daarin beoogt de Reparatiewet van 13 oktober 2011 te voorzien, met terugwerkende kracht tot en met 22 september 2011.

Deze procedure ziet op de vraag of de heffingsambtenaar de NIK-leges heeft mogen heffen van belanghebbende. In geschil is gebracht: of de heffing berustte op de verordening van het Stadsdeel Centrum dan wel op de Legesverordening 2011 van de gemeente Amsterdam, of de heffing door het bevoegde bestuursorgaan is opgelegd en op welk tijdstip belanghebbende zijn aanvraag heeft ingediend. Verder is meer principieel in geschil of de Reparatiewet een deugdelijke grondslag bood voor deze legesheffing en, zo ja, of die grondslag met terugwerkende kracht kon worden verschaft.

Het Hof heeft geoordeeld: (1) dat is geheven op basis van de Legesverordening 2011, (2) dat de heffingsambtenaar als heffend bestuursorgaan is opgetreden, (3) dat op 26 september 2011 een aanvraag voor een identiteitskaart is ingediend, en verder (4) dat artikel 3 van de Reparatiewet, dat de terugwerkende kracht regelt, niet in strijd is met het Eerste Protocol bij het EVRM en dat terugwerkende kracht die volgt uit de Reparatiewet overigens niet kan worden getoetst. Tot slot heeft het Hof geoordeeld (5) dat artikel 2, lid 1, van de Reparatiewet op zichzelf voor de aanslag geen deugdelijke juridische grondslag bood, terwijl de Legesverordening 2011 niet (tijdig) door de gemeenteraad was gewijzigd, zoals mogelijk zou zijn geweest ingevolge de Reparatiewet om de onderhavige heffing mogelijk te maken. Daarom heeft het Hof de aanslag vernietigd wegens gebrek aan juridische grondslag.

De A-G merkt op dat artikel 1 van de Reparatiewet voorziet in een nieuwe formeel wettelijke grondslag voor de heffing van rechten (leges), krachtens een gemeentelijke (leges)verordening, ten behoeve van de aanvraag van een NIK. Artikel 2, lid 1, van de Reparatiewet bewerkstelligt dat (bestaande) gemeentelijke belastingverordeningen ter zake van het heffen van de in artikel 1 van de Reparatiewet bedoelde rechten niet langer berusten op artikel 229, lid 1, letter b, van de Gemeentewet, maar vanaf de inwerkingtreding van de Reparatiewet berusten op artikel 1 van de Reparatiewet.

Dat betekent volgens de A-G dat ten tijde van de inwerkingtreding van de Reparatiewet geldende gemeentelijke legesverordeningen zonder aanpassing de grondslag bieden voor het heffen van de in die verordeningen genoemde bedragen in verband met het aanvragen van een NIK. De A-G meent dan ook dat het Hof de Reparatiewet onjuist heeft uitgelegd door te oordelen dat de ongewijzigde Legesverordening 2011 evenmin kan worden geacht te zijn gebaseerd op artikel 1 van de Reparatiewet. Dat kan volgens de A-G aldus wel dat de Reparatiewet de formeel wettelijke grondslag is gaan bieden die de Gemeentewet, volgens eerder arrest van de Hoge Raad, niet bood. Daarmee slaagt het middel van het College van B&W van de gemeente Amsterdam.

Belanghebbende heeft voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie ingesteld, waarin hij stelt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld:

(1) dat de toetsing van de Reparatiewet aan algemene rechtsbeginselen en/of nationaalrechtelijke normen, zoals vervat in artikel 4 van de Wet algemene bepalingen, de Aanwijzingen voor de regelgeving, de Notitie terugwerkende kracht in fiscale wetgeving en uitgangspunten van de Raad van State, afstuit op artikel 120 van de Grondwet;

(2) dat de aan de Reparatiewet verleende terugwerkende kracht niet in strijd is met het Eerste Protocol bij het EVRM;

(3) dat de onderwerpelijke aanslag (...) [kan] worden geacht te zijn gebaseerd op de

Legesverordening 2011 van de Gemeente en de bij die verordening behorende tarieventabel.

De A-G constateert dat tijdens het debat in de Tweede en Eerste Kamer de aan de Reparatiewet verleende terugwerkende kracht uitvoerig aan de orde is gekomen en vervolgens, op inhoudelijke gronden, is aanvaard. Dat is dus een bewuste keuze van de wetgever geweest. De A-G is van mening dat de wetgever hier is gebleven binnen de hem toekomende ruime beoordelingsmarge.

Voorts meent de A-G dat het Hof heeft mogen oordelen dat een last van € 43,85 gezien belanghebbendes ambt en inkomenspositie niet als buitensporig kan worden aangemerkt.

De incidentele middelen van belanghebbende falen ook overigens.

De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van B & W van de gemeente Amsterdam gegrond dient te worden verklaard en het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug