Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Arbeidsrecht. Reikwijdte van de ontbindingsprocedure

Uitspraak



Beschikking van 29 maart 2017

Zaaknummer: EJ 2016/286

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Beschikking

in de zaak van

[de werknemer],

wonende te Sint Maarten,

verzoeker,

verweerder in de zelfstandige tegenverzoeken,

gemachtigde: mr. B.B. Brooks

tegen

de naamloze vennootschap [werkgever 1]

de naamloze vennootschap [werkgever 2]

beide gevestigd te Sint Maarten,

verweerders,

verzoeksters in de zelfstandige tegenverzoeken,

gemachtigde: mr. C.J. Koster.

Partijen worden hierna aangeduid als “de werknemer”, “werkgever 1” en “werkgever 2” tenzij anders is vermeld.

1 De procedure

1.1.

Het Gerecht heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

verzoekschrift met producties d.d. 13 december 2016,

verweerschrift met productie,

pleitnota van mr. Koster,

e-mail van mr. Koster d.d. 22 maart 2017.

1.2.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 15 maart 2017 in aanwezigheid van partijen en gemachtigden. Partijen hebben de standpunten toegelicht. De griffier heeft van het verhandelde aantekening gehouden.

1.3.

De beschikking is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Op 1 augustus 2002 is werknemer, geboren op 29 oktober 1963, in loondienst getreden van werkgever 1 in de functie van Kitchen Manager tegen een maandsalaris van laatstelijk USD 3.458,33 bruto.

2.2.

Op 1 december 2009 is werknemer in loondienst getreden van werkgever 2 in de functie van Kitchen Manager tegen een maandsalaris van laatstelijk USD 2.442,00 bruto.

2.3.

Op 11 januari 2015 is werknemer als gevolg van een beroerte en, een maand later, een hartaanval voor 100% arbeidsongeschikt geraakt.

2.4.

Op grond van artikel 7A:1614c lid 1 BW hebben verweerders aan werknemer het loon gedurende drie maanden aan werknemer doorbetaald.

3 De verzoeken over en weer

3.1.

De werknemer verzoekt het Gerecht om de volgende beslissingen te nemen:

“De arbeidsovereenkomsten tussen partijen – wegens gewichtige redenen – met onmiddellijke ingang te ontbinden met toekenning van een vergoeding aan verzoeker.

De vergoedingen berekend volgens de kantonrechtersformule zijn vastgesteld op een bruto bedrag van $67.437.44 voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen verzoeker en [werkgever 1] en een nettobedrag ad US$ 24,000.00 voor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen verzoeker en [werkgever 2].”

3.2.

De werkgevers verzoeken het Gerecht de volgende beslissing te nemen:

“Dat de arbeidsovereenkomsten op kortst mogelijke termijn worden ontbonden, onder toekenning van een vergoeding aan [werknemer] van US $ 12.977,00 bruto ten laste van werkgever 1 en vergoeding van US $ 3.947,00 werkgever 2.”

3.3.

Partijen concluderen over en weer tot afwijzing van het verzoek van de andere partij.

3.4.

Op de argumenten van partijen zal het Gerecht hierna ingaan, voor zover zij relevant blijken voor de uitkomst van de procedure.

4 De beoordeling

Ontbinding

4.1.

Partijen zijn het erover eens dat de arbeidsovereenkomst dient te worden ontbonden wegens gewichtige redenen, bestaande uit veranderde omstandigheden. Het Gerecht ziet geen aanleiding om daar ambtshalve anders over te denken zodat het Gerecht de arbeidsovereenkomst zal ontbinden.

Vergoeding

4.2.

Verweerders verzoeken om aan de werknemer een vergoeding toe te kennen, gelijk aan de wettelijke cessantia-uitkering. Alhoewel de reden voor de beëindiging van het dienstverband (arbeidsongeschiktheid) niet in hun risicosfeer ligt zijn zij bereid, als sociaal voelende werkgevers die meeleven met hun zieke werknemer, onverplicht dit gebaar te maken.

Beroepsziekte?

4.3.

De werknemer stelt dat de werkgevers een veel hogere vergoeding moeten betalen. In het verzoekschrift onder 9: “(…) Aangezien verzoeker niets is te wijten dat hij arbeidsongeschikt is geworden, komt hij in aanmerking voor een schadevergoeding. Verzoeker doet hierbij een beroep op de gehanteerde kantonrechtersformula.”

4.4.

Het Gerecht stelt voorop dat toekenning van een vergoeding van billijkheid aan de langdurig zieke werknemer ten laste van de werkgever enkel mogelijk is als er sprake is van verwijtbaarheid van de werkgever. Als de werkgever voldaan heeft aan al zijn wettelijke en contractuele verplichtingen jegens de werknemer is er geen plaats voor een vergoeding naar billijkheid. De werkgever heeft immers niets gedaan dat aan hem verwijtbaar is of aan hem toegerekend kan worden.

4.5.

Het onder 9 van het verzoekschrift gestelde is dus onvoldoende om onder dit criterium te vallen.

4.6.

Door de werknemer wordt ter zitting gesteld dat hij het slachtoffer is van een beroepsziekte. Hij is namelijk tijdens zijn dienstverband afgebeuld door de werkgevers en mocht niet eens naar de dokter toen hij erom vroeg. Mogelijk was hij niet ziek geworden als hij wel naar de dokter had gemogen.

4.7.

Dit wordt door de werkgevers gemotiveerd betwist.

4.8.

Met de werkgevers is het Gerecht het eens dat er door de werknemer niet eens een begin van bewijs is geleverd voor het bestaan van een beroepsziekte. Echter, niet kan worden uitgesloten dat daarvan wel sprake is. Dat dient echter te worden uitgezocht in een bodemprocedure waarbij stel- en bewijslast in principe bij de werknemer berusten. De ontbindingsprocedure is niet geschikt om vast te stellen of de werkgever op grond van een beroepsziekte jegens de werknemer aansprakelijk is. Het gewone bewijsrecht geldt in principe immers niet, de ontbindingsrechter mag uitgaan van veronderstellingen en er is geen hoger beroep mogelijk tegen de beschikking.

4.9.

Verwijzende naar de zogenaamde Baijings-jurisprudentie (HR 24 oktober 1997, NJ 1998/257) stelt het Gerecht in deze beschikking vast dat het met de stellingen van de werknemer betreffende beroepsziekte geen rekening houdt. Het billijkheidsoordeel ziet dus niet op enige vorm van vergoeding van schade voor de werknemer direct of indirect verband houdende met de gestelde beroepsziekte. Op deze wijze houdt de werknemer de handen volledig vrij om desgewenst een bodemprocedure tegen de werkgevers te starten om de eventuele schade als gevolg hiervan te claimen.

4.10.

Dit betekent dus dat aan de werknemer geen vergoeding naar billijkheid kan worden toegekend. De arbeidsongeschiktheid ligt, zoals gezegd, niet in de risicosfeer van de werkgever. Aldus zou de vergoeding op 0 moeten uitkomen.

Aanbod van de werkgevers tot uitbetaling cessantia

4.11.

De cessantia is krachtens wetsduiding (artikel 3 lid 1 Cessantialandsverordening ) door de werkgever verschuldigd indien het einde van het dienstverband niet de schuld van de werknemer is of niet een omstandigheid oplevert die aan hem toerekenbaar is, zoals in deze zaak de arbeidsongeschiktheid van de werknemer.

4.12.

Dit betekent dan ook dat het Gerecht de cessantia-uitkering niet kan toekennen door middel van een ontbindingsbeschikking. Als de werkgever deze niet zou uitbetalen staat (ook daarvoor) de weg van de bodemprocedure open voor de werknemer. Het Gerecht is bovendien huiverig voor het gevaar dat als het de cessantia zou toekennen in een ontbindingsprocedure deze van kleur verschiet. In plaats van een cessantia zou deze een billijkheidsvergoeding kunnen worden met mogelijk ongewenste gevolgen voor (een van) partijen.

4.13.

Het Gerecht zal zich er dan ook toe beperken in de beslissing te verstaan dat de werkgevers de cessantia uitkering vrijwillig aan de werknemer zullen uitbetalen. Er zal dus geen ontbindingsvergoeding aan de werknemer worden toegekend.

Intrekkingstermijn

4.14.

Nu geen vergoeding wordt toegekend is het niet nodig dat het Gerecht aan een van partijen een intrekkingstermijn als bedoeld in artikel 7A: 1615w lid 6 BW geeft.

Proceskosten

4.15.

Het Gerecht ziet aanleiding te bepalen dat partijen de proceskosten voor eigen rekening dienen te houden.

5 De beslissing

Het Gerecht in Eerste Aanleg:

ontbindt de arbeidsovereenkomsten per heden wegens gewichtige redenen bestaande uit veranderde omstandigheden,

verstaat dat de werkgevers aan de werknemer de hem toekomende cessantia uitkeringen zullen uitbetalen,

bepaalt dat partijen de proceskosten voor eigen rekening dienen te houden,

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.J.J. van Rijen, rechter in dit gerecht, en in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2017 in aanwezigheid van de griffier.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature