Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Ontzetting van het ouderlijk gezag (artikel 1: 269 lid 1 onder e BW )

Uitspraak



GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Beschikking in de zaken van:

[Verzoekster],

Verzoekster in de zaken 79465 en 79464, verweerster in de zaken 79494 en 80359,

wonende in Curaçao,

hierna te noemen: [verzoekster],

gemachtigden: mrs. O.E. Kostrzewski en A.K.E. Henriquez,

- tegen -

[Verweerster],

Verweerster in de zaken 79465 en 79464, verzoekster in de zaak 79494 en belanghebbende in de zaak 80359,

wonende in Curaçao,

hierna te noemen: [verweerster],

gemachtigde: mr. V.S. La Fleur,

en

[Verzoeker in de zaak 80359],

Verzoeker in de zaak 80359, verweerder in de zaken 79465 en 79464 en belanghebbende in de zaak 79494,

wonende in Curaçao,

hierna te noemen: [verzoeker in de zaak 80359],

procederend in persoon en vanaf de zitting van 3 februari 2017 bijgestaan door mr. gemachtigde: mr. U. Dickens.

1 Het verloop van de procedure en het geschil

1.1.

Ter inleiding wordt naar voren gebracht dat onderhavige vier verzoeken betrekking hebben op de minderjarige [minderjarige] van thans bijna drie jaar oud (verder: de minderjarige). De moeder van de minderjarige is [verweerster]. [verzoeker in de zaak 80359] stelt de vader te zijn. De minderjarige verblijft sinds een maand na haar geboorte bij [verzoekster], die haar als pleegmoeder verzorgt en opvoedt. [verweerster] wil de minderjarige terug, [verzoeker in de zaak 80359] ondersteunt haar daarin en [verzoekster] is het het er niet mee eens, zij wil dat de minderjarige bij haar blijft.

1.2.

Het geschil is ingeleid door het verzoekschrift van 29 juni 2016 (79465/2016 hierna: a) van [verzoekster]. [Verzoekster] verzoekt dat het Gerecht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,:

-[Verweerster] uit het gezag over de minderjarige zal ontzetten;

-Primair aan [verzoekster] de voogdij zal opdragen over de minderjarige, althans subsidiair de minderjarige (voorlopig) onder toezicht zal stellen en [verzoekster] zal benoemen tot gezinsvoogd;

1.3.

Bij verzoekschrift van 29 juni 2016 (79464/2016 hierna: b) heeft [verzoekster] voorts verzocht dat het Gerecht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

-de minderjarige (voorlopig) onder toezicht zal stellen van [verzoekster] en [verzoekster] tevens te benoemen tot gezinsvoogd.

1.4.

Bij wijziging van eis ingediend op 1 december 2016 zijn voornoemde verzoeken vervangen voor het verzoek van [verzoekster] dat het Gerecht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,:

-[verweerster] en [verzoeker in de zaak 80359] uit het gezag over de minderjarige zal ontzetten;

-Primair aan [verzoekster] de voogdij zal opdragen over de minderjarige, althans de minderjarige (voorlopig) onder toezicht zal stellen en [verzoekster] zal benoemen tot gezinsvoogd.

1.5.

Bij verzoekschrift van 4 juli 2016 (79494/2016 hierna: c) heeft [verweerster] verzocht dat het Gerecht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,:

-[verweerster] verlof zal verlenen kosteloos te mogen procederen;

-[verweerster] vervangende toestemming te verlenen inzake wijziging van de verblijfplaats van de minderjarige bij [verweerster];

-[verzoekster] te veroordelen tot betaling van een dwangsom van NAf 1.000,- bij niet tijdig nakomen van het bevel.

1.6.

Bij wijziging van eis ingediend op 22 september 2016 is voornoemd verzoek aangevuld met het subsidiaire verzoek om:

- een omgangsregeling tussen [verweerster] en de minderjarige vast te stellen, met dien verstande dat de minderjarige gedurende de weekends bij [verweerster] zal verblijven, op last van een dwangsom.

1.7.

Bij verzoekschrift van 4 juli 2016 (80359/2016 hierna: d) heeft [verzoeker in de zaak 80359] verzocht dat het Gerecht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

-zal gelasten dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij [verzoeker in de zaak 80359] zal zijn, althans dat een omgangsregeling tussen [verzoeker in de zaak 80359] en de minderjarige wordt vastgesteld.

1.8.

Op de zitting van 22 september 2016 zijn genoemde (vier) verzoekschriften gevoegd. Van deze zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Hierin staat onder meer dat melding is gemaakt van de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:

-de akte wijziging van eis van [verweerster] in zaak c;

-het verweerschrift van [verweerster] in zaken a en b;

-producties 7 en 8 in de zaken a, b en c van de zijde van [verzoekster];

-het rapport van de Voogdijraad van 20 september 2016.

1.9.

Genoemde verzoekschriften zijn behandeld op de zitting van 3 februari 2017, alwaar aanwezig waren bovengenoemde partijen alsmede hun raadslieden. Van deze zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Hierin staat onder meer dat melding is gemaakt van de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:

-het aanvullend advies van de Voogdijraad van 1 november 2016;

-de akte uitlating advies Voogdijraad van [verweerster] en van [verzoekster];

-de producties 9 en 10 van de zijde van [verzoekster];

-productie 11 (een cd rom) van de zijde van [verweerster].

Voorts is de zaak inhoudelijk besproken. Zowel partijen zelf als hun raadslieden hebben het woord gevoerd, mrs. Kostrezwski en La Fleur mede aan de hand van pleitnota’s.

1.10.

Partijen hebben over en weer verweer gevoerd. Op de verschillende stellingen wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan.

1.11.

De beschikking is bepaald op heden.

2 Feiten

2.1.

Op [geboortedatum] 2014 is de minderjarige op Curaçao geboren uit de moeder [verweerster]. [verweerster] had vóór de geboorte van de minderjarige het voornemen om de minderjarige af te staan voor adoptie. Na de geboorte heeft [verweerster] de minderjarige afgestaan aan een derde. Ongeveer twee á drie weken na de geboorte is dit na tussenkomst van de Voogdijraad teruggedraaid, waardoor de adoptie niet doorging en de minderjarige weer terugkwam bij [verweerster].

2.2.

Een week later, een maand na de geboorte van de minderjarige, heeft [verweerster] aan [verzoekster] gevraagd of de minderjarige tijdelijk bij haar kon verblijven omdat [verweerster] naar Nederland zou gaan. [verweerster] kende [verzoekster] van haar werk. Sinds april 2014 verblijft tot op heden verblijft de minderjarige bij [verzoekster].

2.3. [

verweerster] is op 30 april 2014 in Nederland gedetineerd geraakt als gevolg van drugssmokkel. [verweerster] is vrij gekomen op 4 september 2014 waarna zij tot december 2015 in Nederland is gebleven. In december 2015 is [verweerster] teruggekomen naar Curaçao.

2.4.

Onder meer in december 2015 en januari 2016 hebben [verweerster] en [verzoekster] contact met elkaar gehad over de minderjarige. [verweerster] heeft vervolgens omgang gehad met de minderjarige op de data 19, 22 en 30 december 2015. [verzoeker in de zaak 80359], volgens hem en [verweerster] de vader van de minderjarige, zag de minderjarige voor het eerst op 22 december 2015. Ook begin januari 2016 had [verweerster] omgang met de minderjarige. Dit is toen geëindigd in ruzie omdat [verweerster] besloot met de minderjarige te gaan wandelen, terwijl [verzoekster] dat niet verantwoord achtte en [verweerster] op haar beurt het gevoel kreeg dat [verzoekster] haar weghield van haar kind. De politie is toen ter plaatse gekomen.

2.5.

De Voogdijraad is op initiatief van [verweerster] betrokken in het geschil over de minderjarige. Er heeft rondom februari 2016 drie keer gesuperviseerde omgang plaatsgevonden tussen [verweerster] en de minderjarige op het kantoor van de Voogdijraad.

2.6.

Per brief van 22 juni 2016 heeft de gemachtigde van [verweerster] [verzoekster] verzocht en gesommeerd om het kind af te geven aan [verweerster].

2.7.

Op 29 juni 2016 heeft [verzoekster] de zaken a en b aanhangig gemaakt.

2.8.

Op 4 juli 2016 heeft [verweerster] zaak c aanhangig gemaakt.

2.9.

Op 5 september 2016 heeft [verzoeker in de zaak 80359] de minderjarige erkend.

2.10.

Op 21 september 2016 heeft [verzoeker in de zaak 80359] zaak d aanhangig gemaakt.

2.11.

Op 19 oktober 2016 is op verzoek van [verweerster] en [verzoeker in de zaak 80359] het gezamenlijk gezag van hen ingeschreven in het gezagsregister bij het Gerecht.

2.12.

Op 1 januari 2017 heeft [verzoeker in de zaak 80359] zonder toestemming van [verzoekster] de minderjarige met hem meegenomen in zijn auto en is hij met haar weggereden. De minderjarige heeft een nacht bij [verzoeker in de zaak 80359] doorgebracht en een nacht bij [verweerster]. De minderjarige is op 3 januari 2017 weer teruggebracht naar [verzoekster], nadat de politie [verzoeker in de zaak 80359] had benaderd.

2.13.

Het Gerecht in eerste aanleg heeft op 4 januari 2017 mondeling vonnis (AR 81553/2016 KG) gewezen in het kort geding dat was aangespannen door [verzoekster] tegen [verzoeker in de zaak 80359] in verband met het bovenstaande. [verzoeker in de zaak 80359] is een contactverbod met de minderjarige en [verzoekster] opgelegd, onder last van een dwangsom, totdat het Gerecht in de thans aanhangige bodemzaken een definitief oordeel heeft geveld.

3 De beoordeling

3.1.

Artikel 1: 269 lid 1 BW bepaalt - in de kern - dat indien de rechter het in het belang van het kind noodzakelijk oordeelt hij een ouder van het ouderlijk gezag over zijn of haar kind kan ontzetten op grond van (onder meer) e. het bestaan van gegronde vrees voor verwaarlozing van de belangen van het kind, doordat de ouder het kind terugeist of terugneemt van anderen, die diens verzorging en opvoeding op zich hebben genomen.

3.2.

In onderhavige zaken is niet in geschil dat [verzoekster] de verzorging en opvoeding op zich heeft genomen en dat [verweerster] en [verzoeker in de zaak 80359] de minderjarige terugeisen. Beoordeeld dient dus te worden of er gegronde vrees is voor verwaarlozing van de belangen van de minderjarige als dat laatste zou geschieden.

3.3.

Het Gerecht neemt bij de beoordeling het volgende in aanmerking, gebaseerd op de gegevens in het dossier alsmede de verklaringen van partijen ter zitting.

-Het gaat goed met de minderjarige bij [verzoekster], die haar al vanaf dat ze een maand oud is verzorgt en opvoedt samen met [naam], de moeder van [verzoekster]. De Voogdijraad verklaart dat [verzoekster] als een pleegmoeder fungeert en dat de minderjarige in haar een moederfiguur heeft gevonden. De leidster van de peuterschool van de minderjarige heeft aangegeven dat de minderjarige zich goed ontwikkelt en dat er duidelijke uiting van liefde is tussen [verzoekster] en de minderjarige.

-Uit het verslag van de Voogdijraad alsmede uit de verklaringen van [verzoekster] ter zitting en [naam] (productie 8 van de zijde van [verzoekster]) komt naar voren dat de omgang die tussen [verweerster] en de minderjarige een aantal maal plaatsvond eind 2015 / begin 2016 telkens niet goed is verlopen, in die zin dat de minderjarige zich niet op haar gemak voelde bij [verweerster]. De minderjarige moest steeds huilen als ze [verweerster] zag. [verweerster] lijkt dat de minderjarige kwalijk te hebben genomen. Zij vindt (zoals de Voogdijraad het uit haar mond heeft opgetekend in het advies van 22 september 2016) dat de minderjarige verwend en brutaal is en dat zij zich aanstelt. Bij de omgang in januari 2016 heeft [verweerster] volgens [naam] geschreeuwd tegen de minderjarige en heeft [verweerster] zich ongeduldig en onaardig tegen de minderjarige (en tegen [naam]) gedragen, overigens in het bijzijn van twee andere kinderen van [verweerster].

-[verweerster] heeft de minderjarige, nadat zij haar aanvankelijk had opgegeven voor adoptie aan een derde, nadat zij een maand oud was achtergelaten bij [verzoekster], waarna [verweerster] met drugs naar Nederland is vertrokken.

-[verweerster] is na haar detentie in Nederland nog een jaar en drie maanden in Nederland gebleven alvorens terug te keren naar Curaçao;

-In het advies van de Voogdijraad staat dat de kans dat de ontwikkeling van de minderjarige wordt verstoord groot is bij het abrupt plaatsen van de minderjarige bij [verweerster]. De Voogdijraad vervolgt: De minderjarige is sinds één maand oud bij haar pleegmoeder en kent haar biologische moeder nauwelijks. In deze tijd heeft de minderjarige een moederfiguur in pleegmoeder gevonden. Dit maakt dat zij een moeder-dochter relatie heeft met pleegmoeder, mevrouw [verzoekster]. Bij het weghalen van de minderjarige uit de voor haar vertrouwde omgeving en plaatsen bij moeder, mevrouw [verweerster], kan dit consequenties hebben op de emotionele ontwikkeling van de minderjarige. Dit gezien de heftige reactie van de minderjarige tegenover mevrouw [verweerster] tijdens de omgangsmomenten op kantoor. Verder staat er dat het in het belang is van de minderjarige als [verweerster] wordt ontheven uit haar gezag, en voorts: Mevrouw [verweerster] kan zich niet verplaatsen in de minderjarige en laat merken met haar acties en haar uitdrukkingen dat zij geen begrip heeft voor de situatie. Een situatie die zij met haar eigen handelen gecreëerd heeft.

Tenslotte staat onder “10. Advies” het volgende:

De raad adviseert het Gerecht in Eerste Aanleg om:

- Mevrouw (…) [verweerster] uit haar ouderlijk gezag van de minderjarige (…) gedwongen te ontheffen;

- Mevrouw (…) [verzoekster] met de voogdij van [minderjarige] (…) te belasten. (…)

3.4.

Op grond van voornoemde omstandigheden, in samenhang beschouwd, is het Gerecht van oordeel dat de wijze waarop [verweerster] met de minderjarige omgaat niet goed is voor de minderjarige. Daarnaast is de houding van [verweerster] ten aanzien van het al dan niet bij zich houden van de minderjarige wisselend, in die zin dat zij pas vanaf december 2015 de wens lijkt te hebben dat de minderjarige voortaan bij haar opgroeit, terwijl die wens zich daarvoor niet openbaarde (althans niet door tastbare handelingen). Hierdoor is het onzeker of de wens die [verweerster] thans heeft wel bestendig zal blijken. De manier waarop [verweerster] met de minderjarige omgaat alsmede haar ambivalente houding tot op heden brengt het Gerecht tot het oordeel dat er gegronde vrees bestaat voor verwaarlozing van de belangen van de minderjarige, waardoor het Gerecht het in het belang van de minderjarige noodzakelijk oordeelt dat [verweerster] van het ouderlijk gezag wordt ontzet.

3.5. [

verweerster] heeft ter zitting aangegeven dat [verzoekster] misbruik heeft gemaakt van haar vertrouwen. Voorts heeft [verweerster] benadrukt dat zij de biologische moeder is van de minderjarige en dat de minderjarige daarom in haar gezin thuishoort. Zij heeft verder naar voren gebracht dat zij in het verleden fouten heeft gemaakt, maar dat zij haar leven nu heeft verbeterd. Deze argumenten brengen het Gerecht evenwel niet tot een andere beslissing. Het neemt bovengenoemde oordeel namelijk niet weg.

3.6. [

verweerster] heeft verder aangevoerd dat de Voogdijraad zich niet onpartijdig heeft opgesteld en vooringenomen is ten opzichte van haar. [verweerster] onderbouwt haar betoog door in haar ogen onjuiste en onpartijdige zinsneden uit het rapport van de Voogdijraad te citeren. Verder wijst [verweerster] op het door haar opgenomen gesprek met mevrouw Wijman van de Voogdijraad. In dat gesprek heeft Wijman zich op een bepaalde wijze uitgelaten die volgens [verweerster] duidt op vooringenomenheid.

3.7.

Het Gerecht heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de onafhankelijkheid, noch aan de deskundigheid van de Voogdijraad in onderhavig dossier. De Voogdijraad heeft in het rapport van 22 september 2016 weergegeven dat er gesproken is met onder meer [verweerster] en [verzoeker in de zaak 80359]. Hun zienswijze is dus meegewogen door de Voogdijraad. Naar het oordeel van het Gerecht bevat het rapport ook overigens een beredeneerd en onderbouwd advies, waaruit niet blijkt dat er sprake is van vooringenomenheid.

3.8.

Het verweer van [verweerster] tegen de vordering van [verzoekster] slaagt dus niet.

3.9.

Aangezien [verzoeker in de zaak 80359] tevens ouderlijk gezag heeft over de minderjarige betekent dat ontzetting van het gezag van [verweerster] in beginsel dat [verzoeker in de zaak 80359] alleen het gezag over de minderjarige zou uitoefenen (artikel 1: 274 lid 1 BW). Ook voor wat betreft [verzoeker in de zaak 80359] heeft [verzoekster] ontzetting van het gezag gevorderd. Het Gerecht neemt bij de beoordeling naast hetgeen hierboven onder rechtsoverweging 3.4 is weergegeven tevens het volgende in aanmerking, gebaseerd op de gegevens in het dossier alsmede de verklaringen van partijen ter zitting.

-[verzoeker in de zaak 80359] is pas in beeld gekomen toen de minderjarige één jaar en negen maanden oud was.

-[verzoeker in de zaak 80359] heeft in een kort tijdsbestek, nadat [verzoekster] ontzetting van het gezag van [verweerster] heeft verzocht, de minderjarige erkend, zaak d aanhangig gemaakt en het gezamenlijk gezag laten inschrijven.

-[verzoeker in de zaak 80359] heeft ter zitting over zijn verzoek in zaak d naar voren gebracht dat hij eigenlijk niet verzoekt dat de minderjarige bij hem komt wonen, maar dat zij bij [verweerster] gaat wonen.

-[verzoeker in de zaak 80359] heeft ter zitting van 1 december 2016 verklaard dat hij een relatie heeft met [verweerster] en lijkt daar ter zitting van 3 februari 2017 op te zijn teruggekomen. In ieder geval werd dit niet bevestigd door [verweerster].

-[verzoeker in de zaak 80359] heeft de minderjarige zonder overleg en zonder toestemming uit haar vertrouwde omgeving gehaald en bij zichzelf en [verweerster] laten overnachten, terwijl de minderjarige nog nauwelijks een band met hen heeft.

-In het aanvullend advies van de Voogdijraad staat dat de vader nooit in beeld was en geen band heeft met de minderjarige. De Voogdijraad concludeert tot ontheffing van het gezag van [verzoeker in de zaak 80359].

3.10.

Op grond van voornoemde omstandigheden, in samenhang beschouwd, is het Gerecht van oordeel dat het motief van [verzoeker in de zaak 80359] (in ieder geval aanvankelijk) om gezag over de minderjarige te verkrijgen is gelegen in de wens om [verweerster] te ondersteunen in haar strijd om de minderjarige. [verzoeker in de zaak 80359] heeft zelf geen plannen en wensen om de minderjarige bij hem te laten wonen en te laten opgroeien. Mocht [verzoeker in de zaak 80359] het gezag behouden over de minderjarige dan ligt het in de lijn der verwachting dat de minderjarige bij [verweerster] zal opgroeien. Het Gerecht overwoog reeds dat er in die situatie gegronde vrees bestaat voor verwaarlozing van de belangen van de minderjarige. De handeling van [verzoeker in de zaak 80359] om de minderjarige zonder enige aankondiging mee te nemen op 1 januari 2017 duidt er bovendien niet op dat hij de belangen van de minderjarige in voldoende mate heeft meegerekend en zal meerekenen in de toekomst. Het Gerecht oordeelt op grond van al het voornoemde dat er gegronde vrees is voor verwaarlozing van de belangen van de minderjarige als deze onder het gezag van [verzoeker in de zaak 80359] zou komen/blijven, waardoor het Gerecht het in het belang van de minderjarige noodzakelijk oordeelt dat ook [verzoeker in de zaak 80359] van het ouderlijk gezag wordt ontzet.

3.11. [

verzoeker in de zaak 80359] heeft zich aangesloten bij het verweer van [verweerster], zodat ook zijn verweer niet slaagt.

3.12.

Uit het voorgaande volgt tevens dat ingevolge artikel 1: 275 lid 2 en (in de geest van lid 3 ) [verzoekster] wordt benoemd tot voogd over de minderjarige, conform ook het advies van de Voogdijraad.

3.13.

Aan het subsidiair door [verzoekster] gevorderde, de onder toezicht stelling van de minderjarige, wordt dus niet meer toegekomen. Het Gerecht oordeelt ook ambtshalve, net als partijen en de Voogdijraad, dat er geen gronden - zoals bepaald in artikel 1: 254 BW - zijn voor onder toezichtstelling van de minderjarige, zodat daartoe niet zal worden overgegaan.

3.14.

Uit het voorgaande volgt dat de verzoeken van [verweerster] en van [verzoeker in de zaak 80359] die neerkomen op wijziging van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige zullen worden afgewezen.

3.15. [

verweerster] en [verzoeker in de zaak 80359] verzoeken voorts dat een omgangsregeling wordt vastgesteld. [verweerster] heeft ter zitting een voorstel gedaan, te weten dat zij ieder weekend omgang zal hebben met de minderjarige van vrijdag tot en met zondag. [verzoeker in de zaak 80359] heeft weliswaar geen concreet voorstel gedaan inzake omgang, maar hij heeft wel aangegeven dat hij behoefte heeft aan omgang met de minderjarige.

3.16. [

verzoekster] heeft zich op het standpunt gesteld dat het in het belang is van het kind dat er voorlopig geen omgang zal zijn, mede gezien in het licht van het gegeven dat de minderjarige volgens [verzoekster] getraumatiseerd is teruggekomen nadat [verzoeker in de zaak 80359] haar op 1 januari 2017 onaangekondigd en zonder toestemming had meegenomen.

3.17.

Voorop wordt gesteld dat [verweerster] en [verzoeker in de zaak 80359] in beginsel recht hebben op omgang met de minderjarige op grond van artikel 1: 377a lid 1 BW .

3.18.

In het rapport van de Voogdijraad van 22 september 2016 wordt melding gemaakt van speltherapie onder leiding van mevrouw [speltherapist]. Als bijlage bij het rapport bevinden zich emails van [speltherapist] van eind februari 2016. Tevens wordt melding gemaakt van mevrouw [naam 1] van Stichting Skuchami, aangezien [verweerster] zich bij die stichting had aangemeld. Voorts staat er in het rapport:

Mogelijkheden tot speltherapie: hierbij gaf mevrouw [speltherapist] aan dat de minderjarige te jong was om een speltherapie te volgen. Hierbij gaf ze ook aan waarom. Nu dat de minderjarige twee jaar is, wil ze graag de minderjarige in behandeling nemen. Mevrouw [speltherapist] gaf aan, dat gezien de situatie, zij eerst met de minderjarige aan de slag wil gaan en gaandeweg wordt er gewerkt aan de band tussen moeder en de minderjarige, om zo een omgangsregeling vast te kunnen stellen. (…) Mevrouw [naam 1] zou de omgang tussen moeder en de minderjarig in gang zetten en deze evalueren. (…) Met mevrouw [naam 1] (…) is afgesproken dat er op dit moment zij geen omgang meer in gang kan zetten. Dit i.v.m. de therapie die bij mevrouw [speltherapist] moet starten. Mevrouw [naam 1] zal de behandeling in gang zetten en deze monitoren. Samen met de therapeut zullen ze gaandeweg de therapie een omgang vast stellen.

In het aanvullend advies van 1 november 2016 staat voorts dat voordat er omgang plaatsvindt de minderjarige speltherapie zal ondergaan. In het advies staat verder:

Zowel moeder als vader zullen te zijner tijd betrokken worden tot de therapie en zal er een omgang vastgesteld worden. Dit aan de hand van de ontwikkelingen gedurende de speltherapie. Alvorens er sprake is van therapie, zal de Raad geen uitspraak doen over een (tijdelijke) omgangsregeling.

In het advies staat vervolgens:

De omgang tussen de biologische ouders en de minderjarige uitsluitend door de speltherapie vastgesteld te laten worden.

Ter zitting is gebleken dat enige ontwikkeling met betrekking tot speltherapie en/of het opstarten van omgang verder is uitgebleven tot op heden.

3.19.

Voorgaande heeft tot gevolg dat op het verzoek van [verweerster] en [verzoeker in de zaak 80359] tot het bepalen van een omgangsregeling bij deze stand van zaken nog geen beslissing kan worden genomen. Eerst dient het voornemen van de Voogdijraad, het opstarten van speltherapie, in gang te worden gezet, mits dit ook thans nog de volgens de Voogdijraad aangewezen methode is. Het Gerecht zal om die reden de zaken c en d voor wat betreft een beslissing over een omgangsregeling aanhouden totdat de Voogdijraad hierover nader heeft gerapporteerd. Het Gerecht acht het van belang dat dit voortvarend door de Voogdijraad wordt opgepakt. Om voornoemde redenen verwijst het Gerecht de zaken naar de rol van 11 mei 2017 om 8.30 uur voor het indienen van een nader advies door de Voogdijraad betreffende omgang tussen de minderjarige en [verweerster] en [verzoeker in de zaak 80359]. Het Gerecht verwacht dat dat advies in ieder geval concreet inhoudt of, hoe en wanneer speltherapie met de minderjarige kan plaatsvinden en of en wanneer en onder welke omstandigheden een aanvang gemaakt kan worden met omgang met [verweerster] en [verzoeker in de zaak 80359]. Afhankelijk van de inhoud van dat advies en de nadere standpunten van partijen, zal er na het nader advies van de Voogdijraad ofwel een aktewisseling plaatsvinden ofwel een zitting worden bepaald, waarna tenslotte een beslissing over omgang zal worden genomen.

3.20.

De proceskosten worden gecompenseerd.

4 BESLISSING

Het Gerecht:

4.1.

verleent [verweerster] toestemming om kosteloos te mogen procederen;

4.2.

ontzet [verweerster] en [verzoeker in de zaak 80359] van het ouderlijk gezag over de minderjarige [minderjarige] (Curaçao, [geboorte datum]);

4.3.

benoemt [verzoekster] tot voogdes over de minderjarige;

4.4.

wijst af het verzoek van [verweerster] tot vervangende toestemming inzake wijziging van de verblijfplaats van de minderjarige bij [verweerster];

4.5.

wijst af het verzoek van [verzoeker in de zaak 80359] tot het bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij hem zal zijn;

4.6.

verwijst de zaak voor wat betreft het verzoek om een omgangsregeling tussen de minderjarige en [verweerster] en [verzoeker in de zaak 80359] naar de rolzitting van 11 mei 2017 om 8.30 voor indiening nader advies Voogdijraad;

4.7.

compenseert de kosten van deze procedure aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.8.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

4.9.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.E. Sijsma, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2017.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature