Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Verweerder heeft appellant op de voet van de Landsverordening vrijwillige uitdiensttreding (Lv VUT) eervol ontslag verleend uit overheidsdienst en hem een maandelijkse VUT-uitkering toegekend. Appellant betoogt dat verweerder ten onrechte het dienstverband bij SKOA niet heeft meegenomen bij de berekening van de looptijd. Het beroep is ongegrond.

Uitspraak



Uitspraak van 13 maart 2017

LAR nr. 119 van 2016

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

[appellant],

wonend in Aruba,

APPELLANT,

procederend in persoon,

gericht tegen:

de BEOORDELINGSCOMMISSIE VRIJWILLIGE UITDIENSTTREDING,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. V.M. Emerencia (DWJZ).

1 PROCESVERLOOP

Bij beschikking van 29 juli 2015 heeft verweerder appellant op de voet van de Landsverordening vrijwillige uitdiensttreding (Lv VUT) met ingang van 1 januari 2016 eervol ontslag verleend uit overheidsdienst en hem een maandelijkse VUT-uitkering toegekend met ingang van 1 januari 2016 tot 1 januari 2017 naar reden van 90% van het laatst ontvangen inkomen en van 1 januari 2017 tot 1 juli 2017 naar reden van 80% van het laatst ontvangen inkomen.

Bij brief van 20 augustus 2015 heeft appellant daartegen bezwaar gemaakt.

Bij brief van 11 januari 2016, bij het gerecht ingekomen op 20 januari 2016, heeft appellant tegen het uitblijven van een beschikking op het aldus gemaakte bezwaar beroep ingesteld.

Op 2 maart 2016 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 16 mei en 2 december 2016 heeft appellant nadere stukken ingediend.

Bij beschikking van 19 augustus 2016 heeft verweerder alsnog een beschikking gegeven op het gemaakte bezwaar. Daarbij heeft hij het bezwaar ongegrond verklaard en de beschikking van 29 juli 2015 gehandhaafd.

Het gerecht heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 december 2016, waar appellant in persoon en verweerder, vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigde, en op 23 januari 2017, waar appellant in persoon en verweerder, vertegenwoordigd door A. Lumenier (DWJZ), zijn verschenen.

Uitspraak is bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Lv VUT wordt in deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen onder ambtenaar verstaan: de ambtenaar in de zin van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (AB 1989 no. GT 37) (Lma), wiens bezoldiging rechtstreeks ten laste komt van de begroting van een ministerie of een landsbedrijf als bedoeld in hoofdstuk V van de Comptabiliteitsverordening 1989 (AB 1989 no. 72).

Ingevolge artikel 1, eerste lid, wordt in deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen onder looptijd verstaan: de periode gedurende welke een gerechtigde rechten aan deze landsverordening kan ontlenen.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, voor zover thans van belang, kunnen ambtenaren gedurende een bij landsbesluit vast te leggen periode van twee maanden een verzoek doen om verlening van eervol ontslag onder gelijktijdige toekenning van in die verordening nader omschreven bijzondere aanspraken.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, voor zover thans van belang, is de looptijd van de aanspraken, bedoeld in artikel 2, eerste lid, vastgesteld in de bijlage bij deze landsverordening, waarbij het aantal maanden dienstverband wordt bepaald aan de hand van het aantal volledige kalendermaanden, dat de ambtenaar op de dag waarop de dienstbetrekking eindigt, ononderbroken in dienst is geweest van het Land.

Volgens de bijlage bedraagt bij een ononderbroken dienstverband van 66-71 maanden de looptijd van de aanspraken 18 maanden.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Lma is ambtenaar in de zin van deze landsverordening en de uit kracht daarvan gegeven voorschriften hij die door het bevoegde gezag is benoemd of aangesteld in openbare dienst om in Aruba werkzaam te zijn. Ingevolge het tweede lid behoren tot de openbare dienst alle diensten en bedrijven door Aruba en de openbare lichamen beheerd met inbegrip van het van overheidswege gegeven openbaar onderwijs.

2.2

Het betoog van verweerder dat het belang aan het beroep is komen te ontvallen, nu dat is gericht tegen het met een afwijzende beschikking gelijkgestelde uitblijven van een beschikking op het gemaakte bezwaar en inmiddels alsnog een beschikking op dat bezwaar is gegeven, faalt. Volgens vaste rechtspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (uitspraak van 20 november 2015; ECLI:NL:OGHACMB:2015:33) dient het gerecht indien na het instellen van beroep tegen het uitblijven van een beschikking op bezwaar alsnog een reële beschikking wordt gegeven waarbij het bezwaar geheel of gedeeltelijk ongegrond wordt verklaard en tegen die reële beschikking geen beroep is ingesteld, het beroep tegen het met een afwijzende beschikking gelijkgestelde uitblijven van een beschikking op het gemaakte bezwaar te beoordelen aan de hand van de daartegen gedurende de procedure aangevoerde inhoudelijke gronden. In geval van vernietiging van de fictieve afwijzing kan dit ertoe leiden dat het betrokken bestuursorgaan in de zaak moet voorzien op een wijze die ook betekenis heeft voor de reële beschikking, ook al is daartegen geen beroep ingesteld. De desbetreffende partij houdt onder die omstandigheden dan ook procesbelang bij het beroep tegen de fictieve afwijzing, aldus het Hof. Weliswaar heeft verweerder alsnog op het gemaakte bezwaar beschikt, waarbij het bezwaar ongegrond is verklaard, maar nu appellant daartegen geen beroep heeft ingesteld, is het belang aan het voorliggende beroep niet komen te ontvallen.

2.3

Aan de beschikking van 29 juli 2015, gehandhaafd in bezwaar, heeft verweerder ten grondslag gelegd dat appellant per 1 januari 2010 in dienst is getreden van het Land Aruba, welke datum als ingangsdatum voor de berekening van de looptijd heeft te gelden. De periode daaraan voorafgaand, gedurende welke appellant in dienst was van de stichting Katholiek Onderwijs Aruba (SKOA), wordt bij de berekening van de looptijd niet meegenomen, omdat appellant gedurende die periode als onderwijzend personeel in het gesubsidieerd onderwijs geen ambtenaar in de zin van de Lv VUT was, aldus verweerder.

2.4

Appellant betoogt dat verweerder ten onrechte het dienstverband bij SKOA niet heeft meegenomen bij de berekening van de looptijd. Daartoe voert hij aan dat bij zijn benoeming tot leraar aan een van de scholen van de SKOA voor voortgezet onderwijs is bepaald dat de voorschriften betreffende de materiële rechtspositie van het personeel bij het openbaar onderwijs van overeenkomstige toepassing zijn. Nu hij per 1 september 1998 als leraar in tijdelijke dienst bij de SKOA is benoemd en per 1 mei 2005 in volledige pensioengerechtigde dienst, waarna hij van 1 maart 2006 tot 2010 ter beschikking is gesteld aan de Dienst Sociale Zaken (DSZ), dient de looptijd 36 maanden te bedragen, aldus appellant.

2.4.1

Dit betoog faalt. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Lv VUT wordt voor de berekening van de looptijd het aantal maanden dienstverband bepaald aan de hand van het aantal volledige kalendermaanden, dat de ambtenaar op de dag waarop de dienstbetrekking eindigt, ononderbroken in dienst is geweest van het Land. Gelezen in samenhang met artikel 1, is aldus bepaald dat slechts het onafgebroken dienstverband als ambtenaar, in de zin van de Lma, in dienst van het Land Aruba voorafgaand aan het einde van de dienstbetrekking bepalend is voor de berekening van de looptijd. Reeds omdat de bewoordingen van deze bepaling duidelijk zijn, is voor een van die bewoordingen afwijkende uitleg, zoals door appellant voorgestaan, waarbij ook dienstjaren in dienst van de SKOA, al dan niet aan DSZ ter beschikking gesteld, bij de berekening van de looptijd meegenomen worden, geen ruimte. Dat de SKOA en appellant bij zijn benoeming tot leraar bij de SKOA zijn overeengekomen dat de bepalingen betreffende de materiële rechtspositie van het personeel bij het openbaar onderwijs daarop van overeenkomstige toepassing zijn, maakt niet dat appellant gedurende zijn dienstverband bij de SKOA als ambtenaar in de zin van de Lma en deswege als ambtenaar in de zin van de Lv VUT had te gelden.

2.5

Voor zover appellant betoogt dat verweerder hem in strijd met het vertrouwensbeginsel geen VUT-uitkering gedurende een looptijd van 36 maanden heeft uitgekeerd, omdat hem door de Departamento Recurso Humano (DRH) is voorgerekend dat hij daar recht op zou hebben, is ook dat tevergeefs, reeds omdat zodanige strijd niet kan leiden tot het aannemen van een verplichting voor verweerder om in strijd met de Lv VUT voor appellant aanspraken in het leven te roepen (vergelijk de onderscheiden uitspraken van het Hof van 20 november 2008; ECLI:NL:OGHNAA:2008:BH0265, onderscheidenlijk ECLI:NL:OGHNAA:2008:BH1284). De DRH is bovendien niet het ter zake bevoegde bestuursorgaan.

2.6

Het beroep is ongegrond.

2.7

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

- verklaart het beroep van appellant ongegrond.

Deze beslissing werd gegeven door mr. W.C.E. Winfield, rechter in dit gerecht, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op maandag 13 maart 2017, in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 53a LAR).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen zes weken na de dag waarop de beslissing op het beroep is gedagtekend. De instelling van het hoger beroep geschiedt door indiening bij de griffie van het gerecht van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 53b LAR).


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature