Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

WWZ.

Werknemer vraagt een ontslag op staande voet om te zetten in een ontslag op eigen verzoek.

Is dat een beëindigingsovereenkomst of een opzegging van de werknemer? Voor het rechtsgevolg maakt dat niet uit.

Werknemer heeft tijdig een verklaring uitgebracht ex 7:670b lid 2 BW.

Een opzegging onder deze omstandigheden is geen duidelijke en ondubbelzinnige verklaring die is gericht op vrijwillige beëindiging van de arbeidsovereenkomst; WWZ heeft geen wijziging gebracht in deze jurisprudentie.

Uitspraak



GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 12 januari 2017

Zaaknummer : 200.196.472/01

Zaaknummer eerste aanleg : 4918478 \ EJ VERZ 16-175

in de zaak in hoger beroep van:

Installatieburo [Installatieburo] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als Installatieburo [Installatieburo] ,

advocaat: mr. J.A.J. Dappers te Ravenstein,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

hierna aan te duiden als [verweerder] ,

advocaat: mr. A.J.G. van Strien te Sint-Oedenrode.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 29 april 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 28 juli 2016;

het verweerschrift met een productie, ingekomen ter griffie op 23 november 2016;

het proces-verbaal van de in eerste aanleg gehouden mondelinge behandeling, ingekomen ter griffie op 30 augustus 2016;

- de op 9 december 2016 gehouden mondelinge behandeling; bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [directeur van Installatieburo] (hierna aan te duiden als [Installatieburo] ), bijgestaan door mr. Dappers;

- [verweerder] , bijgestaan door mr. Van Strien.

2.2.

Het hof heeft daarna een datum voor beschikking bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In overweging 2 heeft de kantonrechter vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. De door de kantonrechter vastgestelde feiten vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Voorts staan nog enkele andere feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds niet betwist, tussen partijen vast. Het hof zal hierna een overzicht geven van deze relevante feiten.

3.1.1.

[verweerder] is op 23 februari 2015 bij Installatieburo [Installatieburo] voor bepaalde tijd in dienst getreden als installatiemonteur niveau 2. De arbeidsovereenkomst is op 21 augustus 2015 schriftelijk verlengd tot 19 februari 2016. Het salaris van [verweerder] bedroeg € 862,00 bruto per maand exclusief vakantiegeld en overige emolumenten. [verweerder] had een arbeidsduur van 40 uur per week. In artikel 5 van de arbeidsovereenkomst is opgenomen dat [verweerder] 32 uur zou werken bij Installatieburo [Installatieburo] en de overige 8 uur per week zou besteden aan zijn opleiding bij het ROC. In datzelfde artikel staat dat [verweerder] bij Installatieburo [Installatieburo] arbeid dient te verrichten indien er geen opleidingsdag is.

3.1.2.

[Installatieburo] vernam op 18 december 2015 van zijn dochter dat het ROC tijdens de herfstvakantie gesloten was. Dit bevreemdde hem, omdat [verweerder] op de weekstaat had ingevuld dat hij in de herfstvakantie op school was geweest. [Installatieburo] heeft bij het ROC de presentielijst opgevraagd van [verweerder] . [Installatieburo] heeft de presentielijst op 4 januari 2016 ontvangen. Uit de presentielijst blijkt dat [verweerder] vanaf 2 september 2015 tweemaal op school is geweest en twaalf maal niet aanwezig is geweest. Dit, terwijl [verweerder] op de weekstaten iedere keer had aangegeven dat hij op school was geweest. [Installatieburo] heeft [verweerder] direct met zijn bevindingen geconfronteerd. [Installatieburo] heeft tijdens of aansluitend aan dat gesprek [verweerder] een document overhandigd dat als volgt luidt:

“Betreft: Ontslag op eigenverzoek werknemer.

De ondergetekende;

A) Installatieburo [Installatieburo] BV gevestigd aan de [vestigingsadres] te [vestigingsplaats] nader te noemen werkgever en

B) Dhr. [verweerder] wonend aan de [adres] te [woonplaats] nader te noemen werknemer

verklaren te zijn overeengekomen het dienstverband op verzoek van de werknemer per 4 januari 2016 te verbreken.

Het nog opgebouwde vakantiegeld, pensioen afdracht vakantiedagen en overige administratieve zaken worden zo spoedig mogelijk afgehandeld en eventuele tegoeden/ tekortkomingen worden verrekend middels de salaris betaling van december 2015

Werknemer is bij ons in dienst geweest vanaf 23-02-2015tot en met 03-01 -2016

en heeft op 04-01-2016 in goede gezondheid ons bedrijf verlaten.

Wij wensen Dhr. [verweerder] succes toe in zijn verdere carrière.

Aldus in tweevoud te zijn overeengekomen

Voor akkoord werkgever, Voor akkoord werknemer,

(…)”

Beide partijen hebben dit document (hierna: de brief van 4 januari 2016) van een handtekening voorzien.

3.1.3.

Bij brief van 6 januari 2016 heeft de advocaat van [verweerder] , onder verwijzing naar artikel 7:671 BW , aan Installatieburo [Installatieburo] medegedeeld dat niet kan worden aangenomen dat er sprake is van een beëindiging met wederzijds goedvinden door ondubbelzinnige verklaringen en gedragingen van [verweerder] gericht op beëindiging van de arbeidsovereenkomst en, indien en voor zover de handtekening van [verweerder] onder de beëindigingsovereenkomst als een instemming kan worden aangemerkt, deze wordt herroepen.

3.2.

In eerste aanleg heeft [verweerder] , samengevat, verzocht dat de kantonrechter de opzegging vernietigt en voor recht verklaart dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd op 19 februari 2016, en voorts heeft hij verzocht dat de kantonrechter Installatieburo [Installatieburo] veroordeelt om het loon te betalen, vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente en dat hij Installatieburo [Installatieburo] veroordeelt om de opleidingskosten aan [verweerder] te voldoen, met veroordeling van Installatieburo [Installatieburo] in de proceskosten.

3.3.

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter (samengevat) geoordeeld dat [verweerder] zijn verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst heeft geschonden door minimaal twaalf maal niet naar school te gaan en bij Installatieburo [Installatieburo] wel de indruk te wekken naar school te zijn geweest. Dat levert volgens de kantonrechter een dringende reden op die een ontslag op staande voet zou rechtvaardigen, maar volgens de kantonrechter is niet gebleken dat op 4 januari 2016 ontslag op staande voet is gegeven. Voorts is de kantonrechter tot het oordeel gekomen dat de brief van 4 januari 2016 niet eenduidig is geformuleerd. Volgens de kantonrechter is geen sprake geweest van een zuivere ontslagname op eigen verzoek. In elk geval is de situatie op één lijn te stellen met die waarin met wederzijds goedvinden een dienstverband wordt beëindigd en dat [verweerder] deze tijdig heeft herroepen of ontbonden, als gevolg waarvan de arbeidsovereenkomst is herleefd. De kantonrechter heeft de vordering tot betaling van het loon toegewezen tot 19 februari 2016. Het verzoek om dat te vermeerderen met wettelijke verhoging heeft de kantonrechter afgewezen. Ook de vordering om opleidingskosten aan [verweerder] te voldoen is door de kantonrechter afgewezen. De kantonrechter heeft de proceskosten gecompenseerd en de wettelijke rente slechts toegewezen vanaf veertien dagen na datum beschikking.

3.4.

Installatieburo [Installatieburo] is tijdig in hoger beroep gekomen. Zij heeft onder aanvoering van elf grieven geconcludeerd dat het hof de bestreden beschikking vernietigt, [verweerder] alsnog niet-ontvankelijk verklaart in zijn vorderingen, althans hem deze ontzegt, met zijn veroordeling in de proceskosten van beide instanties. [verweerder] is niet in hoger beroep gekomen. Hij heeft ook geen incidenteel hoger beroep ingesteld. Dat betekent dat de beslissing van de kantonrechter over de wettelijke verhoging, de opleidingskosten en de ingangsdatum van de wettelijke rente niet ter beoordeling aan het hof voorligt.

3.5.

Installatieburo [Installatieburo] heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep aangevoerd dat zij [verweerder] op 4 januari 2016 op staande voet heeft ontslagen en dat zij dit ontslag heeft ingetrokken omdat [verweerder] haar heeft verzocht om in plaats daarvan zelf ontslag te nemen, waarmee zij heeft ingestemd. Installatieburo [Installatieburo] heeft in haar beroepschrift het standpunt ingenomen dat het door haar op 4 januari 2014 aan [verweerder] gegeven ontslag op staande voet, is herleefd door de op 6 januari 2016 uitgebrachte verklaring van [verweerder] , en voor zover dat niet het geval zou zijn, dat dan bij brief van 18 januari 2016 alsnog ontslag op staande voet is gegeven. [verweerder] heeft betwist dat hij ontslag op staande voet heeft gekregen. Dat is volgens hem niet op 4 januari 2016 gebeurd en ook niet bij brief van 18 januari 2016.

3.6.

Installatieburo [Installatieburo] heeft bij monde van haar advocaat ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep het standpunt dat sprake is van een herleving van het ontslag op staande voet en het standpunt dat op 18 januari 2016 ontslag op staande voet is gegeven, prijsgegeven. De daarop betrekking hebbende grieven heeft zij ingetrokken. Installatieburo [Installatieburo] heeft wel uitdrukkelijk het verweer gehandhaafd dat zij [verweerder] op 4 januari 2016 te kennen heeft gegeven dat zij hem op staande voet wilde ontslaan en dat de reactie van [verweerder] daarop was dat hij dan zelf de arbeidsovereenkomst wilde opzeggen.

3.7.

Partijen twisten over de vraag hoe de brief van 4 januari 2016 moet worden gekwalificeerd: als een opzegging door [verweerder] of als een beëindigingsovereenkomst. Het hof is van oordeel dat deze kwalificatie voor de uitkomst van de procedure geen verschil maakt. Daartoe is het volgende redengevend.

3.8.

Wanneer de brief van 4 januari 2016 moet worden gekwalificeerd als een beëindigingsovereenkomst, zoals de kantonrechter heeft gedaan, dan moet deze als ontbonden worden beschouwd. Weliswaar heeft Installatieburo [Installatieburo] een grief gericht tegen het oordeel dat [verweerder] kon herroepen of ontbinden, maar uit de toelichting op de grieven blijkt niet dat of waarom het oordeel van de kantonrechter onjuist is, uitgaande van het uitgangspunt dat de brief van 4 januari 2016 moet worden gekwalificeerd als een beëindigingsovereenkomst. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat [verweerder] in dat geval tijdig een verklaring als bedoeld in artikel 7:670b lid 2 BW aan Installatieburo [Installatieburo] heeft uitgebracht.

3.9.

Wanneer het hof de brief van 4 januari 2016 kwalificeert als een opzegging door [verweerder] , dan geldt het volgende. Installatieburo [Installatieburo] heeft onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis van de Wet werk en zekerheid en een uitspraak van de rechtbank Noord Nederland van 24 februari 2016 (ECLI:NL:RBNNE:2016:712) betoogd dat de wetgever er welbewust van heeft afgezien om de bedenktermijn ook van kracht te doen zijn bij een opzegging door een werknemer, omdat bij een ontslagname door een werknemer geen sprake is van een situatie dat een werknemer kan worden ‘overvallen’ door de situatie. Daarmee ziet Installatieburo [Installatieburo] eraan voorbij dat in de parlementaire geschiedenis een duidelijk onderscheid is gemaakt tussen de situatie dat een werknemer zelf het initiatief neemt om de arbeidsovereenkomst op te zeggen omdat hij een andere baan heeft of omdat hij zijn leven bewust heel anders wil inrichten, en de situatie dat een werknemer bijvoorbeeld in een emotionele toestand en niet weloverwogen zijn arbeidsovereenkomst opzegt. In dat laatste geval mag de werkgever er volgens de wetgever niet voetstoots vanuit gaan dat de werknemer de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd en op de werkgever rust dan de plicht om na te gaan of de door de werknemer geuite wil ook daadwerkelijk zag op de daaraan voor de werknemer zeer verstrekkende verbonden rechtsgevolgen (kamerstukken I, 2013/14, 33818, C, p. 49). Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de regering van oordeel is dat de rechtspraak van de Hoge Raad op dit punt onverkort gehandhaafd dient blijven. Die rechtspraak komt erop neer dat de opzegging van een arbeidsovereenkomst door de werknemer een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring vereist, die erop is gericht de beëindiging van de arbeidsovereenkomst te bewerkstelligen. Deze strenge maatstaf dient ertoe de werknemer te behoeden voor de ernstige gevolgen die vrijwillige beëindiging van het dienstverband voor hem kan hebben, zoals het mogelijk verlies van ontslagbescherming en aanspraken ingevolge de sociale zekerheidswetgeving, met name een werkloosheidsuitkering. In verband met die ernstige gevolgen zal de werkgever niet spoedig mogen aannemen dat een verklaring van de werknemer is gericht op vrijwillige beëindiging van de dienstbetrekking. Onder omstandigheden rust op de werkgever een onderzoeksplicht om na te gaan of de werknemer daadwerkelijk wilde opzeggen en een verplichting om de werknemer over de gevolgen van de opzegging voor te lichten. De in dit geval aan de orde zijnde situatie, is er bij uitstek een waarop de regering het oog had bij het antwoord dat de reeds bestaande jurisprudentie van toepassing blijft. [Installatieburo] heeft verklaard dat hij [verweerder] heeft geconfronteerd met zijn ontdekking dat [verweerder] niet naar school was gegaan, maar dat wel op de weekstaten had ingevuld en dat hij dat beschouwde als oplichting. Volgens [Installatieburo] heeft hij [verweerder] vervolgens op staande voet willen ontslaan. Volgens [Installatieburo] heeft [verweerder] toen gevraagd of het ook goed was dat hij dan zelf ontslag nam, waarna hij, [Installatieburo] , in het kantoortje de brief van 4 januari 2016 heeft getikt die vervolgens door [verweerder] is ondertekend. Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden geen sprake is van een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring die is gericht op vrijwillige beëindiging van de dienstbetrekking. [Installatieburo] heeft ten onrechte niet geverifieerd of [verweerder] zich wel realiseerde wat de gevolgen voor hem zouden zijn van die opzegging.

3.10.

Installatieburo [Installatieburo] heeft het hof nog verzocht het loon op nihil te stellen, omdat dit volgens hem met het oog op de omstandigheden billijk is. [verweerder] gaf immers reden voor ontslag op staande voet, aldus Installatieburo [Installatieburo] . Installatieburo [Installatieburo] is veroordeeld tot betaling van het loon over de periode 4 januari 2016 tot 19 februari 2016. Het hof mag op grond van artikel 7:680a BW in een situatie als hier aan de orde niet matigen tot een bedrag minder dan het in geld vastgestelde loon voor de duur van de opzegtermijn ingevolge artikel 7:672 BW noch op minder dan het in geld vastgestelde loon voor drie maanden, zodat dit verzoek niet toewijsbaar is.

3.11.

Het voorgaande betekent dat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen. Installatieburo [Installatieburo] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. [verweerder] heeft nog verzocht om Installatieburo [Installatieburo] te veroordelen in de kosten van beide instanties, maar het hof ziet daartoe geen aanleiding omdat de kantonrechter niet alle vorderingen van [verweerder] heeft toegewezen en [verweerder] daarvan niet in hoger beroep is gekomen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

veroordeelt Installatieburo [Installatieburo] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [verweerder] op € 314,- aan griffierecht en op € 1.264,- aan salaris advocaat.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M. van Ham, J.W. van Rijkom en P.P.M. Rousseau en is in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2017.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature