Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online

U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Verrekening

Uitspraak



GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 4 mei 2017

Zaaknummer: 200.188.847/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/265155 / FA RK 13-3510_4

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal appel,

verweerder in incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. I.H.M. Mooren-van Weereld,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M.C. Appünn.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikkingen van de rechtbank Oost-Brabant van 15 juli 2015 en 24 december 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 24 maart 2016, zoals gewijzigd c.q. aangevuld bij verweerschrift in incidenteel appel, ingekomen ter griffie op 9 augustus 2016, heeft de man verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking van 24 december 2015 te vernietigen voor zover het betreft de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en opnieuw rechtdoende, zo nodig onder verbetering en aanvulling van feiten en gronden, te bepalen dat de vrouw terzake de afwikkeling van huwelijkse voorwaarden aan de man dient te voldoen een bedrag van € 22.846,98.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 29 juni 2016, heeft de vrouw verzocht, naar het hof begrijpt, het verzoek van de man af te wijzen.

Tevens heeft de vrouw hierbij incidenteel appel ingesteld en verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking van 24 december 2015 te vernietigen voor zover het betreft de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en te bepalen dat de man aan de vrouw ter afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden dient te voldoen een bedrag van € 27.477,75 waarop in mindering komt de helft van de waarde van de Daihatsu.

2.2.1.

Bij verweerschrift in incidenteel appel met producties, ingekomen ter griffie op 9 augustus 2016, heeft de man verzocht de vrouw in haar incidenteel appel niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel dit incidenteel appel ongegrond te verklaren dan wel af te wijzen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 maart 2017. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

de man, bijgestaan door mr. Mooren-van Weereld;

de vrouw, bijgestaan door mr. Appünn.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 15 maart 2017;

het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 20 maart 2017;

het V6-formulier met bijlage van de advocaat van de man d.d. 20 maart 2017;

het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 20 maart 2017;

het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 22 maart 2017.

2.4.1.

Volgens afspraak is na de mondelinge behandeling nog ingekomen het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 29 maart 2017.

3 De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel

3.1.

Partijen zijn op 1 november 2002 na het maken van huwelijkse voorwaarden gehuwd.

3.1.1.

De huwelijkse voorwaarden houden onder meer het volgende in:

“(…)

Gemeenschap van inboedel

Artikel 1

Tussen de echtgenoten bestaat een gemeenschap van inboedel. De echtgenoten sluiten elke andere gemeenschap van goederen uit.

(…)

Vergoedingsrechten

Artikel 7

Een echtgenoot heeft een vergoedingsrecht jegens de andere echtgenoot, indien een bedrag of waarde ten behoeve van die andere echtgenoot aan zijn vermogen is onttrokken. De vergoeding is gelijk aan het bedrag of dc waarde ten tijde van de onttrekking en is direct opeisbaar, tenzij redelijkheid en billijkheid zich tegen die opeisbaarheid verzetten.

(…)

Kosten van de huishouding

Artikel 10

1. De kosten van de gemeenschappelijke huishouding worden door de echtgenoten gedragen naar evenredigheid van ieders inkomen. Zijn de inkomens onvoldoende, dan worden de kosten gedragen naar evenredigheid van ieders vermogen. Een en ander geldt niet voor zover bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten.

2. Onder de kosten van de huishouding zijn begrepen de kosten van verzorging en opvoeding van de tot het gezin behorende kinderen, de premies voor de gebruikelijke verzekeringen, de kosten van vakanties, de huurprijs van de echtelijke woning en rente van geldleningen die verband houden met de aanschaf van de echtelijke woning, van de vakantiewoning, van de inboedel en van de voor het gezin bestemde auto’s (en vaartuigen).

3. Indien de echtgenoten in onderling overleg niet samenwonen, worden de gezamenlijke kosten van de afzonderlijke huishoudens, waaronder begrepen de kosten die verband houden met de huisvesting van de echtgenoten, gedragen op de wijze als in lid 1 is bepaald.

4. De echtgenoot die in een kalenderjaar meer heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding dan hij op grond van het bepaalde in dit artikel zou moeten dragen, kan dit meerdere van de andere echtgenoot terugvorderen, mits hij die vordering instelt binnen een jaar na afloop van het desbetreffende kalenderjaar.

5. Indien de vordering overeenkomstig lid 4 is ingesteld, moet deze direct worden voldaan, tenzij redelijkheid en billijkheid zich daartegen verzetten.

(…)

Verrekening

Artikel 12

1. De echtgenoten zijn verplicht om jaarlijks te verrekenen hetgeen van hun inkomen resteert, nadat daarop de bijdrage in de kosten van de huishouding in mindering is gebracht. Bij deze verrekening komt ieder de helft van het gezamenlijk bespaarde bedrag toe.

2. De verrekening vindt plaats, doordat de echtgenoot wiens resterende inkomen groter is dan dat van de andere echtgenoot, de helft van het verschil tussen beide resterende inkomens aan de andere echtgenoot uitkeert.

3. De uitkering geschiedt in geld en vindt, tenzij bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten, plaats binnen een jaar na afloop van het kalenderjaar.

4. Indien de in een jaar bespaarde inkomsten niet overeenkomstig lid 3 zijn verrekend, wordt de waarde van hetgeen met die besparingen is verkregen in de verrekening betrokken.

5. Indien tijdens het huwelijk in het geheel niet is verrekend, wordt het vermogen dat ieder van de echtgenoten bij ontbinding van het huwelijk heeft tot op tegenbewijs geacht met de bespaarde inkomsten te zijn verkregen.

6. Indien een goed voor een deel met bespaard inkomen is gefinancierd, wordt het goed voor het deel dat uit de bespaarde inkomsten is betaald in de verrekening betrokken. Indien een goed met behulp van een lening is verkregen, wordt het goed tot het te verrekenen vermogen gerekend naar de mate waarin rente en/of aflossing van de lening uit de bespaarde inkomsten van een echtgenoot of van beide echtgenoten is voldaan.

7. Indien tot het inkomen behoort de winst van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 6 lid 3, wordt de waarde van de in de onderneming gereserveerde, uitkeerbare winst en hetgeen met de belegging daarvan is verkregen in de verrekening betrokken naar de mate waarin de echtgenoot tot de winst is gerechtigd. Indien deze winst tijdens het huwelijk niet is verrekend wordt gehele vermogen van de rechtspersoon tot op tegenbewijs geacht uit te verrekenen, uitkeerbare winst of de belegging daarvan te bestaan.

8. De verrekening van hetgeen met de besparingen is verkregen moet, voor zover die niet tijdens het huwelijk is uitgevoerd, plaatsvinden binnen een jaar na ontbinding van liet huwelijk of scheiding van tafel en bed. Indien partijen niet anders overeenkomen, moet de waarde van het te verrekenen vermogen worden vastgesteld per de datum waarop de verrekening plaats vindt. Deze waarde zal door partijen worden vastgesteld in onderling, overleg en bij gebreke daarvan op de wijze als bepaald in artikel 679 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

9. De echtgenoten beogen met deze bepaling de toename van ieders vermogen tijdens het huwelijk, voor zover die toename niet het gevolg is van een verkrijging krachtens erfrecht of schenking of van waardestijging van de goederen die door hen ten huwelijk zijn aangebracht, aan ieder voor de helft ten goede te laten komen. In verband hiermee moeten ook verkrijgingen die niet of die mogelijk niet als inkomen kunnen worden gezien, zoals optierechten en vergoedingen bij het einde van de dienstbetrekking, in de verrekening worden betrokken. Goederen die aan een echtgenoot op bijzondere wijze verknocht zijn zoals bedoeld in artikel 1:94 lid 3 worden slechts in de verrekening betrokken voor zover de verknochtheid zich niet daartegen verzet. (…)”

3.2.

Bij beschikking van 11 oktober 2013 heeft de rechtbank Oost-Brabant tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 18 februari 2014 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Voor wat betreft de peildatum voor de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden zijn partijen het erover eens dat uitgegaan dient te worden van de datum waarop partijen feitelijk zijn uiteengegaan, te weten 1 januari 2013.

3.3.

Bij de bestreden beschikkingen heeft de rechtbank – voor zover thans van belang – beslissingen genomen over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en in het kader daarvan de man veroordeeld tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 8.283,02.

3.4.

Partijen kunnen zich op onderdelen (die hierna bij de bespreking van de grieven nader worden genoemd) met deze beslissingen niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De grieven van de man betreffen – zakelijk weergegeven –:

primair:

- ( het bewijsvermoeden van) overgespaard inkomen (grieven I en II);

- het vergoedingsrecht ten aanzien van de Daihatsu Terios (grief III);

subsidiair:

de verrekening van de waarde van:

- de serre (grief IV);

- de Mercedes (grief V);

- de tractor Mc Cormick (grief VI);

- de trailer (grief VII);

- paard met koets (grief VIII);

- paard [paard 1] (grief IX);

- huurkosten van de loods (aanvullende grief).

3.6.

De grieven van de vrouw betreffen – zakelijk weergegeven – de verrekening van de waarde van:

- het paard [paard 2] (grief 1);

- de elektrische kiepaanhanger (grief 2);

- de stallen (grief 4);

alsmede de vergoeding ad € 3.100,-- (grief 3) en de kosten van de loods (grief 5).

Overgespaard inkomen (grieven I en II van de man)

3.7.1.

De primaire grieven I en II in het principale hogere beroep lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Kern van het bezwaar van de man is de overweging van de rechtbank dat partijen tijdens hun huwelijk niet hebben voldaan aan hun periodieke verrekenplicht op grond van de huwelijkse voorwaarden en dat op grond van art. 12 lid 5 van de huwelijkse voorwaarden en art. 1:141 lid 3 BW de goederen die partijen op de peildatum in hun bezit hadden, geacht worden te zijn aangeschaft met overgespaard inkomen.

De man voert hiertoe het volgende aan.

De rechtbank heeft art. 1:141 lid 3 BW te ruim geïnterpreteerd. Gelet op art. 150 Rv, zal degene die een beroep doet op het bewijsvermoeden dat aan een bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen periodieke verrekenplicht als bedoeld in het eerste lid niet is voldaan, in casu de vrouw, moeten bewijzen (1) dat er overgespaarde inkomsten zijn geweest en (2) dat deze niet zijn verrekend. Nu de vrouw hieromtrent niets, althans onvoldoende heeft gesteld, is art. 1:141 lid 3 BW niet van toepassing.

Het bezwaar van de man betreft voorts de overweging van de rechtbank dat hij geen bewijs heeft geleverd met betrekking tot zijn stelling dat er tijdens het huwelijk geen sprake is geweest van overgespaarde inkomsten. De man voert hiertoe – kort samengevat – aan dat er van overgespaard inkomsten geen sprake geweest kán zijn, nu partijen gedurende hun huwelijk structureel meer uitgaven hadden dan er inkomsten binnenkwamen; om de (huishoudelijke) kosten te kunnen dekken, heeft de man zijn vermogen aangesproken en aanvullende hypothecaire financieringen op zijn huis genomen. De man beroept zich in dit verband op de in art. 1:141 lid 3 BW vervatte uitzondering (tenzij-clausule).

3.7.2.

De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.8.

Het hof oordeelt als volgt.

3.8.1.

Nu vaststaat dat tijdens het huwelijk van partijen geen uitvoering is gegeven aan het periodieke verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden (de daarop gerichte stelling van de vrouw heeft de man onvoldoende gemotiveerd weersproken) geldt krachtens art. 1:141 lid 3 BW dat het op de peildatum aanwezige vermogen vermoed wordt te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit (bewijsvermoeden). Dit betekent dat, in beginsel, het bewijsvermoeden van art. 1:141 lid 3 BW van toepassing is, waaruit onder meer volgt dat het, anders dan de man betoogt, niet aan de vrouw is om aannemelijk te maken dat er tijdens de huwelijks periode overgespaarde inkomsten zijn geweest, maar aan de man om aan te tonen dat dit niet zo is. Op de man rust de stelplicht en de bewijslast ter zake (vgl. ECLI:NL:HR:2017:161).

3.8.2.

Naar het oordeel van het hof is de man er ook in hoger beroep niet in geslaagd het bewijsvermoeden te weerleggen. Tegenover de gemotiveerde betwisting van deze stelling door de vrouw heeft de man niet dan wel onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er tijdens (de volledige duur van) het huwelijk geen sprake is geweest van overgespaarde inkomsten. De door de man in het geding gebrachte producties waaruit het tegendeel zou moeten blijken, waaronder een overzicht van de maandelijkse kosten van de huishouding, salarisspecificaties, rekeningafschriften en hypotheekoffertes, beslaan slechts beperkte periodes van het huwelijk dan wel tonen niet aan dat er daadwerkelijk een hypothecaire lening is afgesloten. Ook uit de overige door de man in het geding gebrachte producties kan niet worden geconcludeerd dat in (geen enkel jaar van) het huwelijk sprake is geweest van overgespaarde inkomsten.

3.8.3.

Voor zover de man zich beroept op de in art. 1:141 lid 3 BW vervatte uitzondering op het bewijsvermoeden (tenzij-clausule), overweegt het hof dat de tenzij-clausule terughoudend dient te worden toegepast in die zin dat deze clausule niet is bedoeld als een algemene billijkheidstoets op het resultaat van de toepassing van het bewijsvermoeden Hetgeen de man met betrekking tot zijn beroep op de tenzij-clausule heeft aangevoerd (rov. 3.7.1.), kan naar het oordeel van het hof niet leiden tot het buiten toepassing laten van het bewijsvermoeden van art. 1:141 lid 3 BW.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de grieven I en II in het principale hogere beroep falen.

Vergoedingsrecht ten aanzien van de Daihatsu Terios (grief III van de man)

3.9.1.

Grief III in het principale hogere beroep richt zich ertegen dat de rechtbank het door de man gestelde vergoedingsrecht van de Daihatsu Terios, op de peildatum in het bezit van de vrouw, niet heeft meegenomen. De man stelt dat, nu er geen sprake is van overgespaard inkomen ten tijde van het huwelijk, de man een vergoedingsrecht heeft op de vrouw tot een bedrag van € 7.000,--. Subsidiair, indien het hof van oordeel is dat er sprake is van overgespaard inkomen, stelt de man dat deze auto betrokken dient te worden in de verrekening.

3.9.2.

De vrouw heeft zich verweerd, stellende dat de man aanspraak heeft op de helft van de waarde van de Daihatsu op de peildatum, nu de auto uit overgespaard inkomen is verkregen.

3.9.3.

Het hof overweegt als volgt.Partijen zijn het erover eens dat de rechtbank heeft verzuimd een beslissing te geven met betrekking tot de Daihatsu Terios. Nu het primaire standpunt van de man dat er geen sprake is van overgespaard inkomen faalt (waartoe het hof verwijst naar de bespreking van de grieven I en II in het principaal appel in rov. 3.8. hiervóór), zal het hof de waarde van de Daihatsu betrekken in de verrekening tussen partijen. In het door de vrouw als bijlage a bij voornoemd V6-formulier van 20 maart 2017 in het geding gebracht ondertekend “prijsvoorstel” van autobedrijf [autobedrijf] d.d. 9 januari 2013

(derhalve een datum dicht bij de peildatum), wordt aangaande de Daihatsu een prijsvoorstel gedaan van € 3.795,--. Nu dit bedrag door de man onvoldoende gemotiveerd is weersproken, zal het hof van deze waarde uitgaan.

Grief III in het principale hogere beroep slaagt gedeeltelijk.

Verrekening

3.10.

De rechtbank heeft per afzonderlijk door partijen aangebracht vermogensbestanddeel een beslissing gegeven over de vraag of de man geslaagd is in zijn bewijs dat het betreffende bestanddeel vanuit zijn privévermogen is gefinancierd en derhalve niet in de verrekening dient te worden betrokken. Het hof zal hierna de daartegen gerichte (subsidiaire) grieven bespreken. Gelet op het vorenstaande, falen deze grieven, voor zover de man daarbij in algemene zin voorop heeft gesteld dat, gezien de financiële situatie van partijen tijdens het huwelijk, het betreffende vermogensbestanddeel nimmer uit overgespaard inkomen kán zijn voldaan.

Serre (grief IV van de man)

3.10.1.

Grief IV in het principale hogere beroep richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de man niet is geslaagd in het leveren van tegenbewijs dat de serre niet is gefinancierd uit inkomen dat verrekend had moeten worden, maar uit privévermogen van de man, alsmede tegen de door de rechtbank in aanmerking genomen waarde van de serre van € 20.000,--.

3.10.2.

De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.10.3.

Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat de man, tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw, niet, althans onvoldoende heeft aangetoond dat de serre uit privévermogen is gefinancierd. De enkele door de man in het geding gebrachte schriftelijke verklaring van de vriend van de man ter zake (productie 16) acht het hof daartoe niet toereikend, nu uit die verklaring, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, niet kan worden afgeleid dat de bouw van de serre is betaald met privévermogen van de man. De eveneens door de man in het geding gebrachte aanbiedingsbrief voor een aanvullende financiering van de Rabobank d.d. 28 juli 2011 (productie 14) kan niet als onderbouwing gelden, nu de bouw van de serre reeds jaren daarvóór, in 2004, heeft plaatsgevonden. Op grond van artikel 1:141 lid 3 BW wordt de serre derhalve geacht te zijn aangeschaft met overgespaarde inkomsten.

Voor de waarde van de serre gaat het hof uit van het in de “prijsopgave” van [naam] d.d. 24 augustus 2004 (productie 17 van de man) genoemde bedrag van € 9.200,-- inclusief btw. Voor zover de vrouw heeft gesteld dat de waarde, niettegenstaande voormelde prijsopgave van [naam] , op € 20.000,-- ligt, had het op haar weg gelegen deze stelling nader met bescheiden te onderbouwen, hetgeen zij heeft nagelaten.

Grief IV in het principale hogere beroep slaagt gedeeltelijk.

Mercedes (grief V van de man)

3.11.1.

Grief V in het principale hogere beroep richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de Mercedes in de verrekening dient te worden betrokken. De man voert daartoe aan dat de Mercedes is gekocht van de opbrengst van de verkoop van de aan hem reeds voor het huwelijk toebehorende Opel GT en derhalve uit privévermogen is gefinancierd.

3.11.2.

De vrouw heeft verweer gevoerd.

3.11.3.

Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat de man niet is geslaagd in het leveren van tegenbewijs dat de Mercedes niet is gefinancierd uit inkomen dat verrekend had moeten worden, maar uit het privévermogen van de man. Hetgeen de vriend van de man in de reeds genoemde door de man in het geding gebrachte schriftelijke verklaring ter zake heeft verklaard, te weten dat de Opel door hem is gekocht en daarvoor een eerste deelbetaling had plaatsgevonden van € 5.000,-- zodat de man in staat was de Mercedes aan te schaffen (productie 16), acht het hof, mede gelet op de betwisting van deze verklaring door de vrouw, daartoe onvoldoende.

Nu de door de rechtbank gehanteerde waarde van de Mercedes van € 5.000,-- niet wordt betwist, zal ook het hof van deze waarde uitgaan.

Grief V in het principale hogere beroep slaagt aldus niet.

Tractor Mc Cormick (grief VI van de man)

3.12.1.

Grief VI in het principale hogere beroep richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de tractor in de verrekening dient te worden betrokken. De man stelt dat de tractor, gekocht voor een bedrag van € 3.000,--, niet in de verrekening dient te worden betrokken, nu deze contant is betaald met de opbrengst uit de verkoop van de hem in privé toebehorende motor Suzuki via Marktplaats op 27 juli 2007.

3.12.2.

De vrouw heeft verweer gevoerd.

3.12.3.

Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat de man niet heeft aangetoond dat hij van de verkoopopbrengst van de tot het privévermogen van de man behorende Suzuki de tractor heeft betaald. De door de man in het geding gebracht bewijs van acceptatie van het bod van de Suzuki via Marktplaats (productie 18) is daartoe onvoldoende, nu daaruit niet kan worden afgeleid dat met de opbrengst van de Suzuki de tractor is gekocht. De tractor wordt derhalve geacht te zijn aangeschaft met overgespaarde inkomsten.

Het hof gaat uit van de niet-betwiste waarde van de tractor van € 3.000,--.

Grief VI in het principale hogere beroep slaagt evenmin.

Trailer (grief VII van de man)

3.13.1.

Grief VII in het principale hogere beroep richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat, nu de man in het tegenbewijs ervan niet is geslaagd, de trailer wordt geacht te zijn aangeschaft met overgespaard inkomen. De man stelt dat de trailer is gekocht en betaald na de ophoging van de hypotheek.

3.13.2.

De vrouw heeft verweer gevoerd.

3.13.3.

Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat de trailer wordt geacht te zijn aangeschaft met overgespaard inkomen. De man heeft ook in hoger beroep geen stukken in het geding gebracht waaruit de aankoop van de trailer blijkt. De man heeft zijn stelling ter zake slechts herhaald. Het hof gaat uit van de niet-betwiste waarde van de trailer van € 4.250,--.

Grief VII in het principale hogere beroep slaagt evenmin.

Paard [paard 3] met koets (grief VIII van de man)

3.14.1.

Grief VIII in het principale hogere beroep richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat zowel het paard [paard 3] als de koets geacht worden te zijn aangeschaft met overgespaarde inkomsten. De man stelt dat hij in 2010 voor paard [paard 3] met toebehoren een bedrag van € 1.500,-- heeft voldaan van zijn rekening en dat hij dit paard in 2013 (naar het hof begrijpt: na de peildatum), zonder financiële tegemoetkoming, aan de voormalige eigenaar heeft teruggegeven. De man betwist dat de koets op de peildatum nog aanwezig was.

3.14.2.

De vrouw heeft verweer gevoerd. Zij stelt dat niet is gebleken dat [paard 3] gratis aan de voormalige eigenaar is teruggeven. Met betrekking tot de koets stelt zij dat deze op de peildatum nog wel aanwezig was.

3.14.3.

Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat de opbrengst van het paard [paard 3] in de verrekening dient te worden betrokken. Ook in hoger beroep heeft de man niet aangetoond dat dit paard is gefinancierd uit zijn privévermogen. Evenmin heeft de man aangetoond dat [paard 3] gratis aan de voormalige eigenaar is teruggegeven. Het hof gaat uit van een waarde van € 1.500,-, nu, naar het hof begrijpt, ook de vrouw deze waarde aan het paard heeft toegekend.

Met betrekking tot de koets is tussen partijen in geschil of deze op de peildatum nog aanwezig was. Het hof overweegt dat het tegenover de betwisting van de stelling van de man dat de koets op de peildatum niet meer aanwezig was, het aan de vrouw is om aan te tonen dat dit wel zo was. Nu zij dit heeft nagelaten, zal de waarde van de koets niet in de verrekening worden betrokken. In zoverre slaagt grief VIII in het principale hogere beroep.

Paard [paard 1] (grief IX van de man)

3.15.1.

Grief IX in het principale hogere beroep keert zich tegen de conclusie van de rechtbank dat het paard [paard 1] tijdens het huwelijk is gekocht van overgespaard inkomen, zodat de opbrengst in de verrekening dient te worden betrokken. De man stelt dat dit paard voor de peildatum met een behoorlijk verlies voor € 1.750,-- is verkocht en dat het paard ook overigens alleen maar geld heeft gekost, nu het, aangeschaft en goedgekeurd als dekhengst van het Groninger Stamboek, nooit heeft gedekt.

3.15.2.

De vrouw heeft verweer gevoerd. Zij erkent dat op de waarde van het paard verlies is geleden, doch stelt dat de verkoopwaarde in de verrekening dient te worden betrokken.

3.15.3.

Het hof overweegt dat de man ook in hoger beroep met betrekking tot paard [paard 1] geen stukken heeft overgelegd van de aankoop van paard [paard 1] en derhalve niet heeft aangetoond dat paard [paard 1] gefinancierd is uit zijn privévermogen zodat de opbrengst van paard [paard 1] enkel aan hem zou toekomen. Evenmin heeft de man weersproken dat hij op de peildatum nog over de opbrengst van paard [paard 1] beschikte. Derhalve is het hof, evenals de rechtbank, van oordeel dat de opbrengst van paard [paard 1] in de verrekening dient te worden betrokken. Het hof gaat uit van de niet betwiste waarde van paard [paard 1] van € 1.750,--.

Grief IX in het principale hogere beroep slaagt niet.

3.15.4.

Voor zover de man het aanvullend verzoek heeft gedaan te bepalen dat de vrouw het resterende deel (€ 2.100,--) van het door de man ten behoeve van de vrouw verschafte geldbedrag (€ 3.850,--) voor de aanschaf van paard [paard 1] aan de man dient te vergoeden, wijst het hof dit verzoek af nu het primaire standpunt van de man (ter zake het overgespaard inkomen) faalt.

3.16.

Het hof zal hierna de grieven in het incidentele hogere beroep bespreken.

Paard [paard 2] (grief 1 van de vrouw)

3.17.1.

Grief 1 in het incidentele hoger beroep richt zich tegen de overweging van de rechtbank in de beschikking van 15 juli 2015 dat het paard [paard 2] geen cadeau was van de man aan de vrouw, althans dat zij dit onvoldoende heeft aangetoond. De vrouw voert aan dat zij [paard 2] als troost kreeg van de man omdat de paarden [paard 4] en [paard 5] waren afgemaakt. Ten bewijze hiervan brengt zij in het geding een e-mailbericht d.d. 19 september 2007 van haarzelf aan een vriendin alsmede een e-mailbericht van de verkoper van [paard 2] d.d. 20 maart 2017.

3.17.2.

De man heeft verweer gevoerd.

3.17.3.

Het hof is van oordeel dat het enkele e-mailbericht van de vrouw aan een vriendin (onder meer inhoudende: “Ik ben wel een hele erge bofkont met zo’n lieve man die een paard voor me heeft gekocht”), en het e-mailbericht van de verkoper van [paard 2] d.d. 20 maart 2017 (onder meer inhoudende: “(…) en dat hij een paard zocht voor zijn vrouw en kinderen. En dat jij daarvan toen nog niet op de hoogte was dus een verrassing moest zijn.”), tegenover de gemotiveerde betwisting door de man, onvoldoende bewijs is van haar stelling dat paard [paard 2] door de man aan haar is geschonken. Grief 1 in het incidentele hogere beroep faalt.

Elektrische kiepaanhanger (grief 2 van de vrouw)

3.18.1.

Grief 2 in het incidentele hoger beroep houdt in dat de rechtbank ten onrechte de verrekening van de waarde van de elektrische kiepaanhanger niet heeft meegenomen in haar overwegingen en beschikking. De vrouw voert aan dat het een bijna nieuwe aanhanger betreft, waarvan zij de waarde schat op € 2.000,--.

3.18.2.

De man betwist dat op de peildatum een bijna nieuwe kiepaanhanger aanwezig was. De man erkent de aankoop in 2011 van een oude kiepwagen uit 2002 voor een bedrag van € 500,--.

3.18.3.

Het hof overweegt dat de vrouw haar stelling dat op de peildatum een bijna nieuwe kiepaanhanger aanwezig was op geen enkele wijze heeft onderbouwd, hetgeen, gelet op de betwisting van deze stelling door de man, wel op haar weg had gelegen. Dit betekent dat grief 2 van het incidentele hogere beroep faalt.

Vergoeding € 3.100,-- (grief 3 van de vrouw)

3.19.1.

Grief 3 in het incidentele hoger beroep richt zich ertegen dat de rechtbank het verzoek van de vrouw om een vergoeding van € 3.100,-- (als verrekenpost), toegelicht in punt 30 van het verweerschrift op het aanvullend verzoek van 10 november 2014, niet heeft beoordeeld.

3.19.2.

De man heeft verweer gevoerd.

3.19.3.

Het hof is van oordeel dat het verzoek van de vrouw onvoldoende samenhang vertoont met het verzoek tot echtscheiding als bedoeld in art. 827 lid 1 sub f Rv, nu het hier gaat om betalingen die door de vrouw zijn gedaan en betrekking hebben op de periode na de peildatum en na het einde van het huwelijk door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Dit betekent grief 3 in het incidentele hogere beroep faalt.

Stallen (grief 4 van de vrouw)

3.20.1.

Grief 4 in het incidentele hogere beroep richt zich tegen de aanname van de rechtbank dat de stallen geen waarde meer vertegenwoordigen. De vrouw stelt dat de waarde van de stallen op de peildatum € 4.500,-- is, het bedrag dat de man uit overgespaard inkomen voor de stallen heeft betaald.

3.20.2.

De man heeft verweer gevoerd.

3.20.3.

Het hof gaat er, evenals de rechtbank, van uit dat de stallen geen waarde vertegenwoordigen nu de vrouw ook in hoger beroep haar stelling ter zake niet heeft onderbouwd, hetgeen, gelet op de betwisting van haar stelling door de man, wel op haar weg had gelegen. Grief 4 in het incidentele hoger beroep faalt.

Kosten loods (grief 5 van de vrouw)

3.21.1.

Grief 5 in het incidentele hoger beroep richt zich tegen de beslissing van de rechtbank in de beschikking van 15 juli 2015 dat de vrouw van de kosten van het opruimen van de loods moet meebetalen. De vrouw voert hiertoe aan dat zij geen gebruik maakte van de loods, die door de man werd gehuurd en gebruikt voor de opslag van zijn spullen, en zij er zelfs nooit is geweest. De vrouw betwist bovendien de door de man overgelegde factuur van het leeghalen van de loods.

3.21.2.

De man heeft verweerd gevoerd.

3.21.3.

Naar het oordeel van het hof heeft de man door middel van de in het geding gebrachte producties, niettegenstaande de betwisting door de vrouw, voldoende aannemelijk gemaakt dat de loods tijdens het huwelijk door beide partijen werd gebruikt. Zo blijkt uit de e-mailberichten van maart 2013 (productie 24) dat de vrouw heeft meegewerkt aan het opruimen van de loods in [plaats 1] en dat zij voornemens was om samen met de man in [plaats 2] op te gaan ruimen en bevat de “ordening spullen loods [plaats 2] ” (productie 25) foto’s van spullen van de vrouw die in de loods lagen opgeslagen. Gelet hierop is het hof, evenals de rechtbank, van oordeel dat de kosten van het leeghalen van de loods door beide partijen gedragen dienen te worden. Ook in hoger beroep heeft de vrouw de factuur voor het leeghalen van de loods onvoldoende betwist. Grief 5 in het incidentele hogere beroep faalt aldus.

3.21.4.

De man heeft in dit verband in het verweerschrift in incidenteel appel een aanvullende grief naar voren gebracht, gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de man met betrekking tot de huurlasten na de peildatum geen vergoedingsrecht heeft. De man voert hiertoe aan dat de huur van de loods niet eerder door hem kon worden opgezegd, nu in het kader van de echtscheiding en de afwikkeling partijen samen niet toe konden komen aan het leeghalen van de loods; er kwamen zelfs spullen bij.

3.21.5.

Nu de vrouw geen bezwaar heeft gemaakt tegen de eerst in het verweerschrift in het incidenteel appel naar voren gebrachte aanvullende grief zal het hof hierop beslissen. Het hof is van oordeel dat de man tegenover de betwisting van deze stelling door de vrouw, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij in redelijkheid de huur van de loods niet op een eerdere datum heeft kunnen opzeggen. De aanvullende grief van de man faalt derhalve.

ABN AMRO rekening

3.22.1.

Bij de bij voornoemd V6-formulier d.d. 15 maart 2017 gevoegde brief van 15 maart 2017, heeft de man verzocht om afwikkeling van de op naam van beide partijen staande rekening bij ABN AMRO met nummer [ABN AMRO rekeningnummer] , op welke rekening eind september 2016 een bedrag stond van € 3.000,40. De man stelt dat de helft van het saldo aan hem toekomt.

3.22.2.

Ter zitting van het hof heeft de vrouw het bestaan van voornoemde rekening erkend en heeft zij er mee ingestemd de verdeling van het rekeningsaldo bij helfte, te betrekken bij de verrekening tussen partijen. Het hof gaat daarbij uit van de door de man gestelde en door de vrouw niet-betwiste waarde van € 3.000,40.

Resumé

3.23.

In afwijking op de beslissing van de rechtbank wordt door het hof het volgende beslist:de man dient aan de vrouw te betalen ter zake van de verrekening van de waarde van:

de serre een bedrag van (9.200 x 50% =) € 4.600,--;

paard [paard 3] een bedrag van (1.500 x 50% =) € 750,--.

3.24.

In aanvulling op de beslissing van de rechtbank wordt door het hof het volgende beslist:

de vrouw dient aan de man te betalen ter zake van de verrekening van:

de waarde van de Daihatsu Terios een bedrag (3.795 x 50% =) € 1.897,50;

de rekening bij ABN AMRO met nummer [ABN AMRO rekeningnummer] een bedrag van (3.000,40 x 50% =) € 1.500,20.

3.25.

Het voorgaande leidt tot de volgende berekening van de over en weer verschuldigde bedragen.

De man dient aan de vrouw de volgende bedragen te voldoen:

verrekening serre

€ 4.600,--

verrekening Mercedes

€ 2.500,--

verrekening tractor

€ 1.500,--

verrekening trailer

€ 2.125,--

verrekening paard [paard 3]

€ 750,--

verrekening paard [paard 1]

€ 875,--

Totaal:

€ 10.850,--

De vrouw dient aan de man de volgende bedragen te voldoen:

verrekening belastingteruggaven/aanslagen 2007 tot en met 2012

€ 2.502,75

kosten van de huishouding na 1 januari 2013

€ 856,73

kosten leeghalen loods

€ 363,--

vergoeding boot Coronet B21 en paard [paard 2]

€ 5.500,--

vergoeding lening Rabobank

€ 7.000,--

Daihatsu Terios

€ 1.897,50

verrekening ABN AMRO

€ 1.500,20

Totaal

€ 19.620,18

Na verrekening van beide totaalbedragen dient de vrouw aan de man een bedrag van € 8.770,-- te voldoen.

3.26.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen. Nu partijen gewezen echtgenoten zijn, zal het hof de proceskosten compenseren als na te melden.

4 De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 24 december 2015, behoudens de proceskostencompensatie,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de vrouw in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden tot betaling aan de man een bedrag van € 8.770,--;

compenseert de proceskosten van het hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J. van Laarhoven, G.J. Vossestein en A.J.F. Manders en is op 4 mei 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature