Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Uitleg bepaling in vaststellingsovereenkomst. Geen matiging boete.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.176.631/01

arrest van 2 mei 2017

in de zaak van

1 [appellant 1] , en

2. [appellant 2] ,

beiden wonende te [woonplaats 1] , Nieuw-Zeeland,

appellanten in het principaal appel,

geïntimeerden in het incidenteel appel,

advocaat: mr B.M. König te Nijmegen,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

2. [geïntimeerde 2] ,

wonende te [woonplaats 3] ,

geïntimeerden in het principaal appel,

appellanten in het incidenteel appel,

advocaat: mr H.G.A.M. Spoormans te Breda,

op het bij exploot van dagvaarding van 15 juli 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 15 april 2015, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen [appellant 1] en [appellant 2] als eisers en [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] als gedaagden.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer C/02/277823/ HA ZA 14-153)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding in hoger beroep d.d. 15 juli 2015,

de memorie van grieven in het principaal appel van 24 november 2015,

de memorie van antwoord in het principaal appel tevens houdende (grieven in) incidenteel appel van 6 oktober 2015,

de memorie van antwoord in incidenteel appel van 12 april 2016,

de akte van 24 mei 2016 zijdens [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ,

de antwoordakte van 21 juni 2016 zijdens [appellant 1] en [appellant 2] .

2.2.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken in eerste aanleg, inclusief de daarin genoemde producties.

3 De beoordeling

3.1.

Zowel [appellant 1] en [appellant 2] - in het vervolg aan te duiden als [appellant 1] c.s. - als [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] - in het vervolg aan te duiden als [geïntimeerde 1] c.s. - verrichten in ieder geval sinds 2008 activiteiten die bestaan uit het regelen van stageplaatsen in Australië en Nieuw-Zeeland voor studenten uit (onder meer) Nederland. [appellant 1] c.s. deden dat vanuit StudentDownUnder Ltd (SDU), welke vennootschap later is genaamd Intern Ltd, terwijl [geïntimeerde 1] c.s. dat deden vanuit [VOF] V.O.F.

Partijen hebben het plan opgevat om te gaan samenwerken. Daartoe is in Nederland op 6 augustus 2010 een vennootschap (een holding) opgericht, Down Under Group B.V. (DUG), die een werkmaatschappij had, Internships Down Under B.V. (IDU). In Nieuw-Zeeland werd ook een holdingmaatschappij opgericht, International Travel Organisation Ltd. (ITO), waaronder de reeds bestaande SDU als werkmaatschappij kwam te hangen.

Iedere partij had 25% van de aandelen in beide holdingmaatschappijen. Op 8 juli 2010 hebben partijen een overeenkomst gesloten om de samenwerking verder te regelen.

Waar partijen spreken over hun ‘samenwerking’ zijn zij niet eenduidig. Soms lijkt bedoeld te worden de samenwerking in de holdingmaatschappijen, dus die vanaf medio 2010, en niet al vanaf 2008. Op andere plaatsen de ‘samenwerking’ vanaf 2008 of 2009 (punt 8 cva).

Het hof gaat ervanuit dat [geïntimeerde 1] c.s. met de samenwerking zien op een samenwerking die dateert van vóór 28 oktober 2009, de dag waarop de hieronder te noemen foto 8 werd gemaakt.

3.2.

Tussen partijen zijn geschillen gerezen en partijen hebben besloten uit elkaar te gaan. Zij hebben daartoe op 15 mei 2013 een vaststellingsovereenkomst gesloten (prod. 1 eerste aanleg). [appellant 1] c.s. worden daarin “de Nieuw Zeelandse Aandeelhouders” genoemd en [geïntimeerde 1] c.s. “de Nederlandse Aandeelhouders”. [appellant 1] c.s. verkrijgen alle aandelen in ITO en [geïntimeerde 1] c.s. alle aandelen in DUG. ITO en Intern worden verder “de Nieuw Zeelandse rechtspersonen” genoemd en DUG en IDU “de Nederlandse rechtspersonen”.

3.3.

Artikel 4 van de vaststellingsovereenkomst draagt de titel “IE-rechten”. In artikel 4.4 van de ze vaststellingsovereenkomst is bepaald dat [geïntimeerde 1] c.s. en de door hen gedreven vennootschappen

"onherroepelijk afstand (doen) van alle rechten met betrekking tot foto’s, stage bedrijven netwerk, vacatures en promotiemateriaal welke oorspronkelijk door de Nieuw Zeelandse rechtspersonen, Nieuw Zeelandse aandeelhouders en de heer [betrokkene] (onderstreping hof) zijn ingebracht in de samenwerking. De ratio daarvan is dat de Nederlandse Aandeelhouders en/of DUG en/of IDU na het ondertekenen van deze overeenkomst niet langer gebruik maken van dergelijke foto’s, films, promotiemateriaal, vacatures, en het stage bedrijven netwerk in die landen waar de Nieuw Zeelandse rechtspersonen en/of de Nieuw Zeelandse Aandeelhouders in het verleden stagiaires voor de Nederlandse Aandeelhouders en/of DUG en IDU hebben geplaatst.” Artikel 4.5 is een spiegelbeeldige bepaling met betrekking tot de oorspronkelijke door de Nederlandse Aandeelhouders en rechtspersonen ingebrachte foto’s etc.

3.4.

In artikel 4.6 van de vaststellingsovereenkomst is bepaald:

“Indien een of meerdere van de hiervoor onder 4.4 en 4.5 genoemde partijen voor hun bedrijfsvoering toch genoemde foto’s gebruiken, dan dient deze partij binnen 14 dagen nadat de andere partij daarop - schriftelijk en/of per e-mail - heeft gewezen het gebruik ervan te staken c.q. het niet langer openbaar te maken c.q. het te verwijderen etc. opdat recht wordt gedaan aan het bepaalde in de artikelen 4.4 en 4.5. De boeteclausules van artikel 6.11 respectievelijk 6.12 zijn onverkort hierop van toepassing met dien verstande dat de nalatige partij eerst dan boeteplichtig is, indien hij/zij in gebreke blijft nadat de hiervoor genoemde termijn van 14 dagen is verstreken.”

3.5.

In artikel 6.12 van de vaststellingsovereenkomst is bepaald dat indien [geïntimeerde 1] c.s. jegens [appellant 1] c.s. tekortschieten in de nakoming van enige verbintenis uit hoofde van deze overeenkomst, [geïntimeerde 1] c.s. aan [appellant 1] c.s. hoofdelijk een direct opeisbare boete verbeuren van € 15.000,- per overtreding alsmede een direct opeisbare boete van € 500,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de overtreding voortduurt, zonder dat voorafgaande ingebrekestelling is vereist; een en ander onverminderd het recht om volledige schadevergoeding te vorderen voor zover deze uitgaat boven het bedrag van de verbeurde boete(s).

3.6.

[appellant 1] c.s. stellen dat [geïntimeerde 1] c.s. het bepaalde in artikel 4 hebben overtreden door een foto, te weten foto 8, die door [betrokkene] op 28 oktober 2009 was gemaakt, na 15 mei 2013 niet (op tijd) te hebben verwijderd van hun website (website van [VOF] ) en dus een boete hebben verbeurd van € 15.000,-. [appellant 1] c.s. hebben (onder meer) dat bedrag, vermeerderd met rente, in rechte van [geïntimeerde 1] c.s. gevorderd. De rechtbank heeft de overtreding vanaf 20 juni 2013 aangenomen en de boete gematigd tot € 2.000,-, de vordering voor het overige afgewezen en de proceskosten gecompenseerd. Tevens heeft de rechtbank andere vorderingen van [appellant 1] c.s. afgewezen, maar tegen deze beslissingen is geen grief gericht.

3.7.

In het principaal appel hebben [appellant 1] c.s. twee grieven aangevoerd, te weten dat de rechtbank ten onrechte de boete heeft gematigd (1) en ten onrechte de proceskosten heeft gecompenseerd (2). In het incidenteel appel komen [geïntimeerde 1] c.s. met twee grieven op tegen de beslissing van de rechtbank dat zij inbreuk hebben gemaakt op hun verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst (I en II) en met een grief (III) tegen de beslissing van de rechtbank de boete niet verder te matigen dan tot € 2.000,-.

3.8.

Het hof zal de twee eerste grieven in het incidenteel appel het eerst behandelen en de vraag beantwoorden of [geïntimeerde 1] c.s. in strijd hebben gehandeld met artikel 4.4 van de vaststellingsovereenkomst. Grief I houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat met de toevoeging “en de heer [betrokkene] ” in artikel 4.4. van de vaststellingsovereenkomst [geïntimeerde 1] c.s. moesten begrijpen dat [appellant 1] c.s. beoogden vast te leggen dat de foto’s van [betrokkene] als inbreng van [appellant 1] c.s. gelden die na het uit elkaar gaan van partijen aan [appellant 1] c.s. zouden toebehoren. Grief II houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [geïntimeerde 1] c.s. in beginsel de boete als bepaald in artikel 6.12 van de vaststellingsovereenkomst zijn verschuldigd. Beide grieven berusten op de stelling van [geïntimeerde 1] c.s. dat zij niet gehouden waren foto 8 te verwijderen. Omdat het hier over verplichtingen gaat die gelden voor de Nederlandse aandeelhouders (c.q. de Nederlandse vennootschappen) dient deze vraag ingevolge artikel 7 van de vaststellingsovereenkomst beoordeeld te worden naar Nederlands recht, zoals de rechtbank ook heeft gedaan.

3.9.

De rechtbank heeft vastgesteld dat foto 8 niet binnen veertien dagen na 6 juni 2013 van de pagina’s van de (hier relevante) website(s) van [geïntimeerde 1] c.s. is verwijderd (maar wel op uiterlijk 24 juni 2013). Tegen deze beslissing is geen grief gericht. Partijen zijn wel verdeeld over de vraag of het gebruik van foto 8 door [geïntimeerde 1] c.s. een overtreding oplevert.

3.10.

Volgens [geïntimeerde 1] c.s. is dat niet het geval. Zij voeren het volgende aan. Artikel 4.4 spreekt over foto ’s die door de Nieuw Zeelandse rechtspersonen, Nieuw Zeelandse aandeelhouders en [betrokkene] zijn ingebracht in de samenwerking. Foto 8 valt daar niet onder. De samenwerking bestond tussen [geïntimeerde 1] c.s. enerzijds en [appellant 1] c.s. anderzijds. [betrokkene] stond buiten de samenwerking en van inbreng van zijn kant is dan ook geen sprake. Bovendien was foto 8 gemaakt door [betrokkene] terwijl hij in dienst was bij IDU, althans een Nederlandse vennootschap. Ingevolge artikel 7 Auteurswet rust het auteurschap op de foto ’s van [betrokkene] die hij gedurende zijn stage heeft gemaakt dus bij IDU, derhalve indirect bij [geïntimeerde 1] c.s. Naar het hof begrijpt doelen [geïntimeerde 1] c.s., waar zij spreken van IDU op haar rechtsvoorgangster [VOF] v.o.f. Foto 8 is namelijk gemaakt op 28 oktober 2009, terwijl IDU en DUG eerst medio 2010 zijn opgericht.

3.11.

Het hof oordeelt als volgt. Het geschil draait om de vraag of foto 8 onder de bepaling van artikel 4.4. van de vaststellingsovereenkomst valt. Niet in geschil is dat er van letterlijke inbreng in de samenwerking door de heer [betrokkene] geen sprake kan zijn geweest, reeds omdat [betrokkene] geen deelgenoot was. De vraag is derhalve wat partijen hier hebben bedoeld. Terecht heeft de rechtbank overwogen dat deze vraag niet kan worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepaling, maar dat het aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, NJ 1981, 635 (Haviltex)). Ook in het onderhavige geval, dat een zuiver commerciële transactie betreft tussen professionele partijen, die werden bijgestaan door juristen, kunnen de omstandigheden van het geval meebrengen dat een andere dan de taalkundige betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht (HR 5 april 2013, ECLI:NL:HR:BY8101).

3.12.

Niet betwist is dat partijen eerst zelf onderhandeld hebben over de ontvlechting van de samenwerking en dat zij daarbij de gezamenlijke bedoeling hebben uitgesproken dat ieder van partijen in het vervolg enkel de door haar zelf gemaakte foto’s zou mogen gebruiken. Door [appellant 1] c.s. zijn de foto’s van [betrokkene] onder de speciale aandacht van [geïntimeerde 1] c.s. gebracht. Daarbij hebben [appellant 1] c.s. aan [geïntimeerde 1] c.s. per mail van 20 maart 2013 bericht “[betrokkene] ( [betrokkene] , toevoeging hof) is een vriend van ons en hij wil niet dat jullie zijn foto’s op de website en in toekomstig promotiemateriaal gebruiken. Vanzelfsprekend lijkt ons dit geen probleem te hoeven zijn.” Al in 2012 heeft [betrokkene] [geïntimeerde 1] c.s. laten weten dat zij zijn foto’s niet mochten gebruiken. Gesteld noch gebleken is dat één van partijen in de verdere onderhandelingen over de inhoud van de vaststellingsovereenkomst nog verder is ingegaan op de vraag aan welke partij(en) het recht toekwam om de foto’s van [betrokkene] , waaronder foto 8 te gebruiken, en dus evenmin dat [geïntimeerde 1] c.s. zich er op enig moment in de onderhandelingen tegen hebben verzet dat zij de foto’s van [betrokkene] niet meer zouden mogen gebruiken. Na akkoord van [geïntimeerde 1] c.s. met het voorstel van [appellant 1] c.s. is vervolgens de tekst van de vaststellingsovereenkomst door de advocaten opgesteld. [geïntimeerde 1] c.s. zijn toen - nog steeds zonder nadere opmerkingen over de foto’s van [betrokkene] - akkoord gegaan met de tekst van artikel 4.4 waarin de betrokken passage is opgenomen.

3.13.

Dat de toevoeging van [betrokkene] als zinledig was te beschouwen, is onaannemelijk en had door [geïntimeerde 1] c.s. niet als zodanig mogen opgevat. Door speciale aandacht voor de foto’s van [betrokkene] te vragen hadden [appellant 1] c.s. uiteraard een bedoeling die niet door een zinledige bepaling tot uitdrukking werd gebracht. Dit te minder omdat het gebruik van foto’s van [betrokkene] omstreden was. Bij e-mails van onder meer 8 mei 2012 en 15 mei 2012 had [betrokkene] bezwaar gemaakt tegen het gebruik door [geïntimeerde 1] c.s. van de door hem gemaakte foto’s, waarbij hij had medegedeeld dat hij gebruiksrecht van zijn foto’s betreffende Praktikum Down Under, uitsluitend had gegeven aan [appellant 1] c.s. [betrokkene] heeft [geïntimeerde 1] c.s. bij laatstgenoemd bericht verzocht “to remove all of my photographic work from all your promotion material.”

3.14.

Het hof volgt [geïntimeerde 1] c.s. niet in hun stelling dat het geschil met [betrokkene] alleen betrekking had op persoonlijke foto’s van [betrokkene] en dat de betrokken passage in artikel 4.4. in dat licht moet worden gezien, omdat [betrokkene] zelf dat onderscheid niet heeft gemaakt in zijn hoger genoemde e-mails en dit onderscheid kennelijk ook niet tijdens de onderhandelingen ter sprake is gebracht. [geïntimeerde 1] c.s. hebben aangevoerd dat de betrokken foto’s, waaronder foto 8, zijn gemaakt met een camera van IDU en dus sowieso aan IDU, een Nederlandse vennootschap, toebehoorden en dus niet meer van [betrokkene] waren. Dit wordt echter geloochenstraft door het feit dat IDU ten tijde van het nemen van de foto’s, waaronder foto 8, in 2009 nog niet was opgericht (dat is pas op 6 augustus 2010 gebeurd) en door het feit dat in 2009 de foto hooguit ter beschikking is gesteld aan de vier partners gezamenlijk, dus niet aan de Nederlandse vennootschap. Aldus mochten [geïntimeerde 1] c.s. niet aannemen dat de foto’s, die niet persoonlijk waren, niet meer van [betrokkene] waren maar van de Nederlandse vennootschap IDU c.q. DUG.

3.15.

Dat [betrokkene] in zijn stageverslag onder 3.3.4 “Werbeshooting” (prod. 1 bladz. 9) over de foto’s heeft geschreven, maakt dit niet anders. Hij schrijft immers – zakelijk weergegeven – dat hij (met zijn vriendin) foto’s heeft gemaakt met klanten in de regio [woonplaats 1] teneinde dat beeldmateriaal voor de latere promotieactiviteiten te kunnen gebruiken. Ook voor alle verdere zakenpartners van de Down Under Group B.V. is het beeldmateriaal nuttig omdat (….). Het beeldmateriaal wordt reeds op alle 8 websites, flyers posters en brochures van de Down Under Group B.V. gebruikt, aldus het verslag. Dat hij daarmee aangeeft de eigendom c.q. het auteursrecht te hebben overgedragen aan die Nederlandse vennootschap is daaruit niet af te leiden en evenmin dat hij een onvoorwaardelijke gebruiksrecht heeft gegeven.

3.16.

Op grond van het bovenstaande concludeert het hof dat met de betrokken clausule bedoeld is: foto’s die door de heer [betrokkene] rond zijn stage bij partijen zijn gemaakt. [appellant 1] c.s. vonden en beoogden vast te leggen dat die foto’s van [betrokkene] als inbreng van [appellant 1] c.s. hadden te gelden en dus na het uiteengaan van partijen aan hen zouden toebehoren. Die foto’s mogen volgens de vaststellingsovereenkomst dus niet meer door [geïntimeerde 1] c.s. en hun vennootschappen worden gebruikt. Dat moet voor [geïntimeerde 1] c.s. duidelijk zijn geweest. Ten overvloede overweegt het hof dat de vraag wie het auteursrecht op die foto’s heeft niet van belang is. Zelfs al zouden [geïntimeerde 1] c.s. direct of indirect enig auteursrecht op een of meer van de foto’s hebben, dan nog doet dat niet af aan wat in de vaststellingsovereenkomst daaromtrent is bepaald.

3.17.

De conclusie is dat de grieven I en II in het incidenteel appel falen. Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat [geïntimeerde 1] c.s. de boete ex artikel 6.12 verschuldigd zijn geworden.

3.18.

Ten aanzien van de hoogte van de boete hebben [geïntimeerde 1] c.s. een beroep gedaan op matiging (cva onder 17). Zij betogen dat [appellant 1] c.s. door het gebruik van foto 8 geen enkele vermogensschade en/of ander nadeel hebben ondervonden. De bedoeling van de vaststellingsovereenkomst was de relatie op een nette manier te beëindigen en dat wordt nu door [appellant 1] c.s. aangegrepen om vorderingen jegens [geïntimeerde 1] c.s. in te stellen. De gevorderde boete staat in geen verhouding tot de ernst van de beweerdelijke tekortkoming, aldus [geïntimeerde 1] c.s. [appellant 1] c.s. hebben zich tegen matiging verzet omdat de boete uitdrukkelijk is overeengekomen en er geen reden is voor matiging.

3.19.

Het hof oordeelt hieromtrent als volgt. Op grond van artikel 6:94 BW kan de rechter op verlangen van de schuldenaar, indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, de bedongen boete matigen. De in deze bepaling opgenomen maatstaf dat voor matiging slechts reden kan zijn indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, brengt mee dat de rechter pas als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt, van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik mag maken. Daarbij zal de rechter niet alleen moeten letten op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen (HR 27 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6638, NJ 2007/262 (Intrahoff/Bart Smit)).

3.20.

Naar het oordeel van de het hof is er geen reden om tot matiging van de boete over te gaan. De vaststellingsovereenkomst is een zakelijke overeenkomst tussen twee professionele partijen waarbij de bedoeling voorzat de geschillen tussen partijen definitief te beëindigen. De overeenkomst is met behulp van deskundige raadslieden opgesteld. De overeenkomst was tijdens de tekortkoming waar de boete betrekking op heeft, nog zeer recent gesloten. Over het punt waarop de tekortkoming betrekking heeft is bewust onderhandeld. Dat de bewuste bepaling wat onhandig was geformuleerd in de vaststellingsovereenkomst, kan voor [geïntimeerde 1] c.s. gelet op wat aan die overeenkomst is voorafgegaan, geen onduidelijkheid hebben gegeven, zoals blijkt uit hetgeen hierboven is overwogen en beslist. Uit hetgeen [geïntimeerde 1] c.s. hebben aangevoerd en het feit dat foto 8 ook daadwerkelijk binnen korte tijd is verwijderd toen de wil daartoe bij hen eenmaal aanwezig was, blijkt niet dat het voorkomen van de tekortkoming onmogelijk was of een buitengewone inspanning heeft gekost.

3.21.

De omstandigheid dat foto 8 uiteindelijk is verwijderd geeft geen grond voor een ander oordeel. Dat [appellant 1] c.s. geen schade hebben geleden door de overtreding evenmin. Het hof verwijst naar bovengenoemd arrest van de Hoge Raad uit 2007. Hetzelfde geldt voor het feit dat [geïntimeerde 1] c.s. in het kader van de afwikkeling reeds een schadevergoeding hebben betaald van € 20.000, al was het maar omdat er geen relatie tussen die schadevergoeding enerzijds en de tekortkoming anderzijds is gesteld of gebleken.

3.22.

De beslissing van de rechtbank, die de boete heeft gematigd tot € 2.000,-, kan dus niet in stand blijven. Grief 1 in het principaal appel slaagt. Grief III in het incidenteel appel wordt tevergeefs voorgesteld. De door [geïntimeerde 1] c.s. gevorderde veroordeling tot (terug)betaling van de uit hoofde van het vonnis van de rechtbank betaalde € 2.000,- zal worden afgewezen.

3.23.

In eerste aanleg hadden [appellant 1] c.s. gevorderd – kort weergegeven – veroordeling van [geïntimeerde 1] c.s. tot betaling van een bedrag van € 15.000,- uit hoofde van verbeurde boete op grond van overtreding van artikel 4.4. van vaststellingsovereenkomst, eenzelfde bedrag wegens overtreding van artikel 4.3 van die overeenkomst, een bedrag van € 62.500,- uit hoofde van overtreding van artikel 4.3, een bedrag van € 10.500,- uit hoofde van overtreding van artikel 4.4 alsmede een bedrag van € 500,- voor iedere dag dat [geïntimeerde 1] c.s. de handelsnaam nog in gebruik hadden, en een bedrag van € 1.805,- aan buitengerechtelijke kosten, in totaal meer dan € 100.000,-. Op grond daarvan hebben [appellant 1] c.s. verwijzing naar de rechtbank bewerkstelligd. Door de rechtbank is slechts een bedrag van € 2.000,- toegewezen en de rest afgewezen.

3.24.

Gezien het feit dat partijen over en weer in het (on)gelijk werden gesteld en dat [geïntimeerde 1] c.s. door de verwijzing naar de rechtbank (nodeloos) een griffierecht ad € 1.519,- verschuldigd zijn geworden, heeft de rechtbank de proceskosten gecompenseerd. Thans kan worden geconcludeerd dat in plaats van € 2.000,- een bedrag van € 15.000,- wordt toegewezen. Dit brengt nagenoeg geen wijziging in de uitkomst van de afweging die de rechtbank heeft gemaakt en die het hof onderschrijft. Grief 2 in het principaal appel en grief IV in het incidenteel appel, die zich tegen de proceskostenveroordeling door de rechtbank keren, falen derhalve.

3.25.

De slotsom is dat het vonnis van de rechtbank waarvan beroep, zal worden vernietigd voor zover daarin de boete slechts is toegewezen tot een bedrag van € 2.000,- en voor het overige zal worden bekrachtigd.

3.26.

Als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij zullen [geïntimeerde 1] c.s. in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

4 Beslissing

Het hof:

4.1.

vernietigt het vonnis van de rechtbank voor zover dat inhoudt een veroordeling tot betaling aan [appellant 1] c.s. van een bedrag van € 2.000, c.a.,

en opnieuw rechtdoende:

4.2.

veroordeelt [geïntimeerde 1] c.s. hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn gekweten, aan [appellant 1] c.s. te betalen het bedrag van € 15.000,- (vijftienduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, te berekenen met ingang van 22 juni 2013 tot aan de dag der algehele betaling;

4.3.

bekrachtigt dat vonnis voor het overige;

4.4.

veroordeelt [geïntimeerde 1] c.s. in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [appellant 1] c.s. gevallen en tot op heden begroot op € 311,- aan griffierecht en € 1.788,- aan salaris procureur, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na heden;

4.5.

veroordeelt [geïntimeerde 1] c.s. in de nakosten ten bedrage van € 131,- zonder betekening en € 199,- met betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de betekening van dit arrest tot aan de voldoening indien betaling binnen deze termijn uitblijft;

4.6.

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

4.7.

wijst de vordering in het incidentele appel af.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.B. den Hartog Jager, O.G.H. Milar en J.F.M. Pols en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 2 mei 2017.

griffier rolraadsheer


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature