Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online

U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

(wijze van berekening van) schadevergoeding wegens onrechtmatig en ondeskundig snoeien van overhangende takken;

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.167.008/01

arrest van 27 december 2016

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats 1],

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellant],

advocaat: mr. M.J.P. Faassen te Breda,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats 2],

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde],

advocaat: mr. H.E. de Leeuw-Blokland te Rotterdam,

op het bij exploot van dagvaarding van 15 januari 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 29 oktober 2014 (hersteld bij vonnis van 19 november 2014), door de rechtbank Zeeland West-Brabant, zittingsplaats Breda gewezen tussen [appellant] als eiser in conventie, verweerder in reconventie en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/268015/HA ZA 13-605)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het daaraan vooraf gegane vonnis van 13 november 2013.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding in hoger beroep;

de memorie van grieven met producties;

de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep met producties en eiswijziging;

de memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

a. a) [appellant] is eigenaar van het perceel aan de [adres] te [woonplaats 1], kadastraal bekend gemeente [woonplaats 2], [sectieletter], perceel nr. [sectienummer 1], met bestemming wonen en akkerbouw, op welk perceel ook zijn woning is gelegen. Tevens heeft [appellant] in eigendom de naastgelegen percelen met kadastrale aanduiding gemeente [woonplaats 2], [sectieletter], perceel nrs. [sectienummer 2] en [sectienummer 3], met bestemming akkerbouw respectievelijk natuurterrein.

b) [geïntimeerde] is eigenaar van twee aan elkaar grenzende percelen landbouwgrond aan de [adres], met kadastrale aanduiding gemeente [woonplaats 2], [sectieletter], perceel nrs. [sectienummer 4] en [sectienummer 5].

c) Tussen de percelen van [appellant] en de percelen van [geïntimeerde] loopt een sloot die wordt beheerd door en eigendom is van Waterschap de Brabantse Delta.

d) Langs de sloot staan op de percelen van [appellant] ongeveer 50 bomen. De bomen vormen een groenstrook, welke groenstrook deels opgaat in een groter bos. Op het perceel van [appellant] staat tevens een lindeboom. In een brief van de gemeente [woonplaats 1], gedateerd 15 juni 2011 (als prod. 12 ten behoeve van de descente in eerste aanleg overgelegd door [appellant]) heeft de gemeente [woonplaats 1] aan [appellant] bericht dat deze lindeboom is opgenomen in de gemeentelijke waardevolle bomenlijst. Dit betekent volgens genoemde brief dat de lindeboom van waarde is voor de groenbeleving in de gemeente [woonplaats 1] en dat een vergunning nodig is indien men de lindeboom zou willen kappen.

e) Op 12 april 2013 heeft [appellant] een brief van [geïntimeerde] ontvangen waarin [geïntimeerde] aankondigt dat hij op korte termijn wil overgaan tot het snoeien van op zijn percelen overhangende takken van de bomen van [appellant].

f) Op 14 april 2013 heeft [appellant] geconstateerd dat een groot aantal van zijn bomen (waaronder de lindeboom) was gesnoeid. De snoeiwerkzaamheden zijn uitgevoerd door zonen van [geïntimeerde].

g) Een door [appellant] ingeschakelde deskundige, de heer [partij-deskundige], als geregistreerd boomtaxateur verbonden aan [groenprojecten] Groenprojecten B.V. te [vestigingsplaats] (hierna te noemen: de partij-deskundige), heeft in een brief van 16 januari 2014 (prod. 11 descente eerste aanleg) geschreven dat boomtechnisch onverantwoord is gesnoeid. Takken zijn op stompen (af)gezaagd, dan weer lang en dan weer kort. Takken zijn ingescheurd, waardoor snoeiwonden zich niet of beperkt kunnen afgrendelen. Verder zijn diverse bomen hoog opgekroond, hetgeen geenszins noodzakelijk was. De snoei-ingrepen komen volgens de partij-deskundige duidelijk niet overeen met een gebruikelijke beheervisie van een groenstrook en zijn conclusie luidt dat de groenstrook in veel slechtere staat verkeert dan wanneer deze door een professional zou zijn gesnoeid.

In een door de partij-deskundige in opdracht van [appellant] opgemaakt taxatierapport (prod. 13 descente eerste aanleg) staat dat in totaal bij 43 bomen afgezaagde takken zijn waargenomen. Van de 43 bomen zijn 25 bomen geheel afgezaagd en bij de resterende bomen zijn in totaal 180 takken (veelal op onprofessionele wijze) afgezaagd. Bij vrijwel alle takken is het hout richting de stam ingescheurd of is sprake van uitstekende stukken hout of schors, aldus de partij-deskundige. De partij-deskundige merkt in zijn rapport op dat de bomen deel uitmaken van een groenstrook die een groene, dichte afscheiding vormde van het landbouwperceel en de autosnelweg. Door de wijze waarop de bomen zijn gesnoeid, is deze functie thans beperkt. Het herstel van de bomen kan 5 tot 20 jaar duren en het tijdelijke functieverlies is volgens de partij-deskundige aan te merken als schade. Rekening houdend met de diversiteit aan soorten, omvang, leeftijd, verschil in schade per boom en met de omstandigheid dat de bomen (behalve de lindeboom) onderdeel uitmaken van een groenstrook, heeft de partij-deskundige de boomwaarde berekend en een schadebedrag per boom vastgesteld op basis van het percentage functieverlies. De partij-deskundige heeft de schade begroot op een totaalbedrag van € 28.034,70, bestaande uit een bedrag van € 26.723,00 aan schade aan de bomen en een bedrag € 1.550,00 wegens bijkomende kosten (snoei- en opruimwerkzaamheden).

3.2.1.

[appellant] heeft [geïntimeerde] in rechte betrokken en gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van € 28.034,70 ter vergoeding van schade door het onrechtmatig snoeien van de bomen en een bedrag van € 1.058,75 aan deskundigenkosten, vermeerderd met rente en proceskosten. [appellant] heeft hierbij betoogd dat het snoeien van de overhangende takken in dit geval als onrechtmatig moet worden aangemerkt, omdat hij geen toestemming voor het snoeien heeft gegeven en niet in de gelegenheid is gesteld deze werkzaamheden zelf te verrichten, terwijl er zo rigoureus is gesnoeid dat er schade is ontstaan. Bovendien geldt voor een groot deel van de bomen dat de daarvan gesnoeide takken niet reikten over de percelen van [geïntimeerde], aldus [appellant].

3.2.2.

In reconventie heeft [geïntimeerde] gesteld dat de groenstrook van [appellant] zodanig hoog is uitgegroeid dat sprake is van het veroorzaken van onrechtmatige hinder, omdat veel zonlicht wordt ontnomen aan zijn landbouwgronden, als gevolg waarvan hij schade lijdt in zijn bedrijfsvoering. [geïntimeerde] heeft een veroordeling van [appellant] gevorderd tot het aftoppen van de groenstrook op 5 meter hoogte en tot het betalen van een schadevergoeding. [geïntimeerde] heeft daarnaast aanspraak gemaakt op vergoeding van de kosten van het snoeien van de groenstrook door zijn zonen.

3.2.3.

De rechtbank heeft, na een descente, de conventionele vordering toegewezen tot een totaalbedrag van € 2.608,75 (vermeerderd met wettelijke rente): € 1.550,00 aan schadevergoeding in verband met het snoeien van de bomen (de hiervoor in r.o. 3.1. onder g bedoelde kosten voor snoei- en opruimwerkzaamheden) en € 529,38 in verband met de (helft van de) kosten van de partij-deskundige. In reconventie heeft de rechtbank de vorderingen afgewezen. [geïntimeerde] is zowel in conventie als in reconventie veroordeeld in de proceskosten.

3.3.

[appellant] heeft in principaal hoger beroep vier grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog geheel toewijzen van zijn (conventionele) vordering. [geïntimeerde] heeft onder de voorwaarde dat het slagen van (een van) de grieven leidt tot vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog aan [appellant] een schadevergoeding voor de bomen zal worden toegekend, incidenteel hoger beroep ingesteld en voor dat geval in hoger beroep zijn eis in reconventie gewijzigd.

in principaal hoger beroep

3.4.

Het hof stelt voorop dat [geïntimeerde] de door de rechtbank bevestigend beantwoorde vraag of hij door het (laten) snoeien van de bomen onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld, pas in het kader van zijn voorwaardelijk ingesteld incidenteel hoger beroep opnieuw aan de orde heeft gesteld. Nu in deze zaak, zoals hierna in rechtsoverweging 3.15. wordt overwogen, de voorwaarde waaronder het incidenteel hoger beroep is ingesteld niet is vervuld, staat in het principaal hoger beroep tussen partijen de onrechtmatigheid van het handelen van [geïntimeerde] daarom vast, hetgeen in dit geval tevens betekent dat [geïntimeerde] ondeskundig heeft gesnoeid.

3.5.

De rechtbank heeft vastgesteld dat 43 bomen van [appellant] zijn beschadigd door het ondeskundig en onrechtmatige snoeien door [geïntimeerde]. Het door de rechtbank toegewezen bedrag ziet op de kosten voor het alsnog op correcte wijze afzagen van diverse takstompen en het opruimen van het resterend takafval, welke kosten noodzakelijk zijn geworden door het onprofessioneel snoeien. De rechtbank heeft de gevorderde vergoeding voor waardevermindering van de bomen afgewezen. Met de grieven I tot en met III, die zich lenen voor een gezamenlijke beoordeling, komt [appellant] op tegen deze afwijzing. [appellant] betoogt in de toelichting op de grieven dat hij aanspraak kan maken op vergoeding van de door de partij-deskundige getaxeerde waardevermindering van de afzonderlijke bomen. Voor wat betreft de bomen in de groenstrook kan daarbij rekening worden gehouden met het gegeven dat deze bomen tezamen in meer of mindere mate een groenstrook vormen (wat zijn (partij-)deskundige volgens [appellant] ook op de juiste wijze heeft gedaan). De lindeboom maakt echter geen onderdeel uit van een groenstrook en bezit als monumentale boom zodanige individuele eigenschappen dat deze boom als apart vermogensobject dient te worden aangemerkt, aldus [appellant]. [appellant] heeft benadrukt dat de lindeboom voor hem een grote esthetische waarde bezit en dat voor de bomen in de groenstrook eveneens geldt dat voor hem de esthetische waarde van de individuele bomen van groot belang is en niet zozeer de door de rechtbank aan de gezamenlijke bomen toegedichte functie van groenstrook (als erfafscheiding). Het is volgens [appellant] niet aan de rechtbank of aan derden om aan het samenstel van bomen een functie toe te dichten anders dan de functie die [appellant] zelf daaraan toedicht.

3.6.

Naar het oordeel van het hof kan worden aangenomen dat de bomen (ook de lindeboom) op een termijn van vijf tot twintig jaar allemaal zullen herstellen. In eerste aanleg is dit aspect geen onderwerp van het gevoerde debat geweest. In principaal hoger beroep heeft [appellant] weliswaar gesteld dat de rechtbank met betrekking tot de lindeboom ten onrechte eraan voorbij is gegaan dat herstel van de takstompen en de kroon slechts deels mogelijk is, maar het hof volgt [appellant] hierin niet. [appellant] heeft ter onderbouwing van zijn stelling verwezen naar pagina 8 (bedoeld zal zijn pagina 7, hof) van de als productie 15 in principaal hoger beroep overgelegde brief van de partij-deskundige d.d. 8 mei 2015 waarin deze een nadere toelichting geeft op zijn taxatierapport (zie hiervoor in r.o. 3.1. onder g). Op pagina 7 schrijft de partij-deskundige inderdaad: “Volledige overgroeiing en/of herstel van de takstompen en de kroon is in verband met de goede conditie en vitaliteit van de boom deels mogelijk, en zal gezien het aantal en de dikte van de afgezaagde takken naar verwachting 15 jaar in beslag nemen.”. In het rapport valt vervolgens echter te lezen: “De lindeboom heeft een tijdelijke schade. Eenmaal hersteld voldoet de lindeboom weer aan zijn functie.”.

3.7.

De partij-deskundige heeft in zijn rapport (en in de toelichting hierop die hij heeft opgesteld naar aanleiding van het bestreden vonnis, prod. 15 mvg) melding gemaakt van drie taxatiemethodes voor het bepalen van de “monetaire boomwaarde”: (i) de marktwaarde c.q. handelswaarde, (ii) de vervangingswaarde en (iii) het rekenmodel boomwaarde. De eerste twee methodes acht de partij-deskundige niet geschikt. De eerste niet, omdat bij de bomen geen sprake is van een primair economische gebruiksfunctie en vaststelling van de marktwaarde niet van toepassing is. De tweede niet, omdat vervanging door vergelijkbare bomen in dit geval waar het gaat om de bomen in de groenstrook technisch niet mogelijk en waar het gaat om de lindeboom niet noodzakelijk is. [appellant] heeft deze twee taxatiemethodes overigens ook niet verdedigd.

3.8.1.

De partij-deskundige heeft in dit geval gekozen voor de derde methode, waarbij hij heeft berekend welke fictieve (theoretische) kosten gemaakt moeten worden om een gelijkwaardige boom op dezelfde of gelijkwaardige plaats terug te krijgen. Het gaat hierbij om kosten plantgoed, de plantkosten, kosten nazorg en jaarlijkse beheerkosten tot aan het tijdstip waarop de bomen in vergelijkbare mate de functie vervullen van de beschadigde bomen. Voor de bomen die onderdeel uitmaken van de groenstrook heeft de partij-deskundige voor al deze kosten een gereduceerd tarief toegepast.

3.8.

De door [appellant] op grond van dit rapport gevorderde bedrag aan schadevergoeding is derhalve op abstracte wijze vastgesteld. In geval van zaaksbeschadiging – zoals zich dat hier voordoet – geldt volgens vaste jurisprudentie als hoofdregel dat de eigenaar van de beschadigde zaak een nadeel in zijn vermogen lijdt gelijk aan de waardevermindering welke het betreffende vermogensbestanddeel heeft ondergaan en dat, indien het een zaak betreft waarvan herstel mogelijk en verantwoord is, het geldbedrag waarin deze waardevermindering kan worden uitgedrukt, in het algemeen gelijk zal zijn aan de - naar objectieve maatstaven berekende - kosten welke met het herstel zullen zijn gemoeid. Wanneer herstel niet mogelijk of verantwoord is – bijvoorbeeld omdat de daarmee gemoeide kosten het bedrag van de als gevolg van de beschadiging opgetreden waardevermindering te zeer overtreffen – heeft de eigenaar in elk geval aanspraak op compensatie van de waardevermindering van het vermogensbestanddeel (zie de conclusie bij HR 15 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY6996).

3.9.

Daargelaten of ook in dit geval (waarin sprake is van beschadigde bomen waaraan geen marktwaarde kan worden toegekend en waarvan vaststaat dat ze op termijn zullen herstellen) aanleiding bestaat om toepassing te geven aan de hiervoor weergegeven hoofdregel, heeft te gelden dat de grens van de abstracte schadeberekening wordt bepaald door de eis van vermogensschade.

3.10.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat [appellant] vermogensschade heeft geleden bestaande uit de kosten die hij moet maken voor het alsnog op correcte wijze afzagen van diverse takstompen (waardoor het herstel wordt bevorderd) en het opruimen van resterend takafval. De schadevergoeding voor deze kosten is door de rechtbank toegewezen en het toegewezen bedrag is inmiddels door [geïntimeerde] na het wijzen van het bestreden vonnis voldaan. Naar het oordeel van het hof is hiermee de schade die voor vergoeding in aanmerking komt, gecompenseerd. Door [appellant] is onvoldoende gesteld om te kunnen aannemen dat daarnaast sprake is vermogensschade als bedoeld in artikel 6:95 BW als gevolg van het tijdelijke functieverlies van de bomen. Dat de percelen van [appellant] waarop de betreffende bomen zich bevinden door het tijdelijke functieverlies van de bomen in waarde zouden zijn verminderd is gesteld noch gebleken. Daarnaast geldt dat – ook in de visie van de partij-deskundige- in dit geval herstel en/of vervanging van de bomen (als al technisch mogelijk) niet verantwoord is. De kosten die hiermee gepaard gaan zijn in verhouding tot de beperkte functie van de bomen te hoog, terwijl de bomen bovendien na enige tijd weer uitgroeien tot wat ze waren.

3.11.

Dit laat onverlet dat [appellant] zich, als gevolg van het onrechtmatig snoeien door (de zonen van) [geïntimeerde], geconfronteerd ziet met een situatie waarin een groot aantal van zijn bomen de komende jaren voor hem, naar hij stelt, in esthetisch opzicht is aangetast. [appellant] lijdt als gevolg hiervan wellicht immateriële schade. Voor vergoeding van dergelijke schade (smartengeld) biedt de wet (zie artikel 6:106 BW jo. 6:95 BW ) in dit geval echter geen grond. Gesteld noch gebleken is immers dat [geïntimeerde] de bomen heeft laten snoeien met het oogmerk om [appellant] (immateriële) schade toe te brengen.

3.12.

De grieven I tot en met III in het principaal hoger beroep falen.

3.13.

Met grief IV komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat slechts de helft van de door hem aan de deskundige betaalde kosten voor vergoeding op grond van artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking komt. De rechtbank is tot dit oordeel gekomen op grond van de volgende overweging (r.o. 3.30 van het bestreden vonnis):

“[partij-deskundige] is vanuit zijn expertise behulpzaam geweest bij het onderzoek naar de schade(vaststelling) en hij heeft op die manier bijgedragen aan het verzamelen van bewijs. [partij-deskundige] heeft immers een inventarisatie opgesteld van de toegebrachte beschadigingen aan de bomen en daarmee een bijdrage geleverd aan het vaststellen van de aansprakelijkheid van [geïntimeerde]. Het feit dat de rechtbank tot de conclusie komt dat [hij] de daarnaast opgestelde taxatie van de schade niet op juiste uitgangspunten heeft gebaseerd, maakt dit niet anders. Wel leidt dit ertoe dat de rechtbank slechts de helft van de door [partij-deskundige] aan [appellant] in rekening gebrachte kosten redelijk acht.[…]”

Op zich is juist, zoals [appellant] in de toelichting op de grief stelt, dat kosten ter vaststelling van de schade voor vergoeding in aanmerking kunnen komen, zelfs als er geen schade blijkt te zijn (vgl. HR 11 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7423, NJ 2005/50). Volgens vaste rechtspraak is voor vergoeding van kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als bedoeld in art. 6:96 lid 2, aanhef en onder b, BW, vereist dat:

( a) condicio sine qua non-verband bestaat tussen de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis en de kosten;

( b) de kosten in zodanig verband staan met die gebeurtenis dat zij, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, aan de aansprakelijke persoon kunnen worden toegerekend;

( c) het redelijk was om in verband met een onderzoek naar de mogelijke gevolgen van die gebeurtenis deskundige bijstand in te roepen; en

( d) de daartoe gemaakte kosten redelijk zijn.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de omstandigheid dat de taxatie van de hoogte van de schade door [partij-deskundige] niet op de juiste uitgangspunten is gebaseerd, mede gelet op de aard van de schade (vermogensschade) én de voor [geïntimeerde] naar objectief inzicht redelijkerwijs te verwachten gevolgen van het onrechtmatig snoeien, meebrengt dat niet alle door [appellant] aan [partij-deskundige] betaalde kosten aan het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] kunnen worden toegerekend. Het hof ziet daarom geen grond voor toewijzing van meer dan de helft van de kosten van [partij-deskundige]. Grief IV faalt derhalve.

3.14.

Nu de grieven in het principaal hoger beroep falen zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het principaal hoger beroep.

in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep

3.15.

Het falen van de grieven in het principaal hoger beroep brengt mee dat de voorwaarde waaronder het incidenteel hoger beroep is ingesteld, niet is vervuld. Het hof komt aan de beoordeling daarvan dan ook niet toe.

4 De uitspraak

Het hof:

in het principaal hoger beroep

bekrachtigt het bestreden vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 29 oktober 2014;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 711,00 aan verschotten en € 1.158,00 aan salaris advocaat;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, W.J.J. Beurskens en G.A.M. Peper en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 27 december 2016.

griffier rolraadsheer


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature