Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Beroepsaansprakelijkheid rechtskundig adviseur op grond van onrechtmatige daad naast de contractuele aansprakelijkheid van de B.V. aan wie de opdracht tot het verlenen van rechtshulp is verstrekt.

Uitspraak



GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.195.043/01

Zaaknummer rechtbank : 3559355\CV EXPL 14-6566

arrest van 11 april 2017

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. M. de Bluts te Zoetermeer,

tegen

1. [geintimeerde sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [geintimeerde sub 2],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

hierna te noemen: [geintimeerde sub 1], [geintimeerde sub 2] en, gezamenlijk, [geintimeerde sub 1] c.s.,

advocaat: mr. M.C. de Jong te Rotterdam.

Het verdere verloop van het geding

Voor het verloop van het geding tot 20 september 2016 wordt verwezen naar het arrest van die datum. Bij dat arrest is een comparitie van partijen gelast. De comparitie is niet doorgegaan.

Bij memorie van grieven heeft [appellant] een aantal bezwaren tegen het vonnis van 16 december 2015 aangevoerd. Bij memorie van antwoord heeft [geintimeerde sub 1] c.s. de bezwaren bestreden.

Vervolgens is de dag voor arrest bepaald.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de rechtbank in het vonnis van 16 december 2015 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal van die feiten uitgaan.

2. Het gaat in deze zaak om het volgende:

[geintimeerde sub 1] en [geintimeerde sub 2] hebben met [appellant] Rechtskundig Adviseurs B.V. (hierna: de B.V.) overeenkomsten gesloten voor het verlenen van rechtshulp in diverse vreemdelingenrechtelijke procedures. [appellant] is enig aandeelhouder en bestuurder van de B.V. [appellant] heeft [geintimeerde sub 1] (in de periode tussen 2007 en 2009) en [geintimeerde sub 2] (in de periode tussen 2001 en 2009) bijgestaan in diverse procedures. Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 1 november 2013 is de B.V. veroordeeld aan [geintimeerde sub 2] € 7.346, met rente te betalen op grond van een toerekenbare tekortkoming jegens [geintimeerde sub 2]. Bij dat vonnis is [geintimeerde sub 2] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering ten aanzien van [appellant]. Bij arrest van 3 februari 2015 heeft het Gerechtshof Den Haag het vonnis, voor zover gewezen tussen [geintimeerde sub 2] en de B.V., bekrachtigd. Op 26 augustus 2014 is de B.V. in staat van faillissement verklaard.

3.1

In eerste aanleg hebben [geintimeerde sub 1] en [geintimeerde sub 2] van [appellant] vergoeding gevorderd van de schade die zij stellen te hebben geleden als gevolg van een of meer onrechtmatige daden die [appellant] heeft gepleegd bij de behandeling van hun zaken. Uit dien hoofde heeft [geintimeerde sub 1] veroordeling van [appellant] gevorderd tot betaling van € 7.093, met rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten en heeft [geintimeerde sub 2] veroordeling van [appellant] gevorderd tot betaling van € 8.239, met rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten. De vorderingen van [geintimeerde sub 1] c.s. zijn beperkt tot bedragen die daadwerkelijk aan de B.V. zijn betaald voor verleende rechtshulp, en bedragen aan leges en griffierecht die betaald moesten worden voor procedures die [appellant] voor [geintimeerde sub 1] c.s. heeft gevoerd.

3.2

De rechtbank heeft [appellant] bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis veroordeeld tot betaling aan [geintimeerde sub 1] van € 7.093, met wettelijke rente en € 882,88 aan buitengerechtelijke kosten, tot betaling aan [geintimeerde sub 2] van € 7.346, met wettelijke rente en € 958,26 aan buitengerechtelijke kosten, alsmede tot vergoeding aan [geintimeerde sub 1] c.s. van € 1.593,84 aan proceskosten.

4.1

In de randnummers 1 en 2 van de memorie van grieven keert [appellant] zich tegen r.o. 4.3 van het bestreden vonnis, waar de kantonrechter onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2745, heeft overwogen dat [appellant] op grond van artikel 6:162 BW kan worden aangesproken. In het genoemde arrest heeft de Hoge Raad beslist dat als een cliënt de advocaat aanspreekt die de opdracht feitelijk heeft uitgevoerd, maar die niet zijn contractuele wederpartij is, aansprakelijkheid slechts kan worden aangenomen met inachtneming van de in artikel 6:162 BW gestelde eisen. Een dergelijk geval doet zich bijvoorbeeld voor als de cliënt een opdracht heeft gegeven aan een advocatenmaatschap, maar de opdracht feitelijk wordt uitgevoerd door een werknemer van die maatschap of door een advocaat die feitelijk aan de maatschap deelneemt door tussenkomst van een praktijkvennootschap. Voor de beoordeling van de gegrondheid van de vordering is daarbij, zo overwoog de Hoge Raad, mede bepalend de maatstaf of de advocaat als beroepsbeoefenaar de zorgvuldigheid dient te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht.

4.2

[appellant] heeft aan [geintimeerde sub 1] en [geintimeerde sub 2] rechtsbijstand verleend op grond van door hen met de B.V. gesloten overeenkomsten van opdracht. Op grond van het arrest van 18 september 2015 moet daarom worden aangenomen dat [appellant] door hen op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk kan worden gehouden, indien hij daarbij niet de zorgvuldigheid heeft betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Dat [appellant] geen advocaat is maar rechtskundig adviseur, staat aan deze mogelijkheid van aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW , anders dan [appellant] betoogt, niet in de weg. Voorts is gesteld noch gebleken dat er tussen het beroep van advocaat en dat van rechtskundig adviseur verschillen bestaan die relevant zijn voor de invulling van de zojuist genoemde maatstaf van aansprakelijkheid. Hetgeen [appellant] in de randnummers 1 en 2 van de memorie van grieven heeft aangevoerd, leidt derhalve niet tot vernietiging van het bestreden vonnis.

4.3

[appellant] betoogt vervolgens (memorie van grieven, nrs. 3-6) dat [geintimeerde sub 2] in zijn vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat [geintimeerde sub 2] [appellant] al eerder in privé heeft aangesproken en de vordering toen door dit hof bij arrest van 3 februari 2015 (zaaknr. 200.140.079/01) is afgewezen. Dit betoog faalt al omdat het arrest van 3 februari 2015 uitsluitend is gewezen tussen de B.V. en [geintimeerde sub 2] en daarbij dan ook niets is beslist over de rechtsverhouding tussen [appellant] en [geintimeerde sub 2].Die rechtsverhouding was wel mede aan de orde in het in dat hoger beroep bestreden vonnis van 1 november 2013 van de rechtbank Rotterdam (zaaknr. 1354808 CV EXPL 12-29888), gewezen tussen [geintimeerde sub 2] als eiser en [appellant] en de B.V. als gedaagden. De rechtbank Rotterdam heeft de vordering gericht tegen [appellant] in haar vonnis van 1 november 2013 afgewezen omdat de grondslag van de vordering toerekenbare tekortkoming was, maar de kantonrechter oordeelde dat [appellant] geen partij was bij de overeenkomst met [geintimeerde sub 2]. Het staat [geintimeerde sub 2] vrij om in de onderhavige procedure ter zake van de aan [appellant] verweten beroepsfouten een vordering op grond van onrechtmatige daad in te stellen. Het hof verenigt zich dan ook met het oordeel van de rechtbank over het door [appellant] gedane beroep op niet-ontvankelijkheid van [geintimeerde sub 2] in r.o. 4.28 van het bestreden vonnis en maakt dat tot het zijne.

4.4

Het volgende bezwaar van [appellant] (memorie van grieven, nrs. 7-12) betreft de overweging van de kantonrechter (eveneens in r.o. 4.28) dat uit het vonnis van 1 november 2013 volgt dat de door [geintimeerde sub 2] gestelde beroepsfouten van [appellant] vaststaan. [appellant] betoogt dat het deskundigenbericht niet zorgvuldig is tot stand gekomen, dat de deskundige niet voldeed aan de eis van onpartijdigheid en dat de deskundige tot onjuiste bevindingen is gekomen.

4.5

[geintimeerde sub 1] c.s. voeren tegen dit bezwaar van [appellant] aan dat [appellant] deze klachten reeds eerder naar voren heeft gebracht, te weten:

a. bij de kantonrechter te Rotterdam, die daarover heeft geoordeeld in zijn vonnis van 1 november 2013;

b. bij dit hof in het hoger beroep van het onder a bedoelde vonnis, hetgeen heeft geleid tot het arrest van 3 februari 2015;

c. in eerste aanleg van het onderhavige hoger beroep.

[geintimeerde sub 1] c.s. beschouwt deze discussie als afgerond en persisteert bij wat hij daarover in de eerdere procedures heeft opgemerkt en sluit zich aan bij wat het hof en de kantonrechters te Rotterdam en Leiden daarover hebben geoordeeld.

4.6

Dat de door [geintimeerde sub 2] aan [appellant] verweten beroepsfouten vaststaan, volgt naar het oordeel van de kantonrechter in het bestreden vonnis uit het vonnis van 1 november 2013 van de kantonrechter te Rotterdam, gewezen tussen [geintimeerde sub 2] als eiser en de B.V. en [appellant] als gedaagden. Kennelijk heeft de kantonrechter daarbij het oog op r.o. 2.8 van dat vonnis, waar de kantonrechter te Rotterdam heeft overwogen dat op grond van het deskundigenbericht (van prof. mr. T.P. Spijkerboer) en hetgeen in de daaraan voorafgegane overwegingen is overwogen, voldoende is komen vast te staan dat [appellant] jegens [geintimeerde sub 2] toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verplichting om – kort gezegd – een behoorlijke tegenprestatie te leveren voor het door hem ontvangen honorarium. De hiertegen door de B.V. in het hoger beroep bij dit hof aangevoerde gronden, die door het hof in het arrest van 3 februari 2015 zijn verworpen, heeft [appellant] in eerste aanleg nagenoeg woordelijk herhaald (conclusie van antwoord nrs. 31-43). In hoger beroep heeft [appellant] daaraan geen andere argumenten of gezichtspunten toegevoegd. Het hof heeft bij arrest van 3 februari 2015, gewezen tussen de B.V. en [geintimeerde sub 2], de zojuist bedoelde gronden gemotiveerd verworpen (r.o. 12 en volgende). Het hof komt thans niet tot een ander oordeel en neemt de in het arrest van 3 februari 2015 genoemde gronden voor de verwerping van het standpunt van de B.V. over en legt die ook in deze procedure aan zijn oordeel ten grondslag. Op grond hiervan wordt het bezwaar van [appellant] derhalve verworpen.

4.7

[appellant] bestrijdt in randnummer 16 van de memorie van grieven dat hij onnodig voor [geintimeerde sub 1] heeft geprocedeerd. Volgens [appellant] wordt niet betwist dat zijn inspanningen mede hebben geleid tot rechtmatig verblijf van [geintimeerde sub 1] in Nederland en komt de bevoegdheid om vast te stellen of een procedure hopeloos is of niet in de eerste plaats toe aan de IND en in de tweede plaats aan de rechter in vreemdelingenzaken.

4.8

Het bezwaar van [appellant] betreft het oordeel van de kantonrechter over het verzoek om een voorlopige voorziening dat [appellant] op 25 juli 2007 bij de rechtbank Den Haag heeft ingediend naar aanleiding van de op 11 juli 2007 door de IND aan [geintimeerde sub 1] uitgereikte afwijzing van de door [appellant] op 15 juni 2007 voor [geintimeerde sub 1] ingediende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘conform beschikking staatssecretaris’. Het verzoek om een voorlopige voorziening is door de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag op 31 maart 2008 afgewezen op de grond dat [geintimeerde sub 1] bij de gevraagde voorlopige voorziening geen spoedeisend belang had, omdat hij op dat moment niet met uitzetting werd bedreigd, gelet op het feit dat nog niet was beslist op de door [geintimeerde sub 1] op 17 juli 2007 ingediende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor het doel ‘verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken’.

4.9

Het hof is net als de kantonrechter in het bestreden vonnis van oordeel dat [appellant] in de gegeven omstandigheden onnodig een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening heeft ingediend en dat [appellant] hiervan als deskundige op het gebied van het vreemdelingenrecht op de hoogte had moeten zijn. Dat het oordeel over door [appellant] voor cliënten gedane verzoeken en aanvragen uiteindelijk toekomt aan de rechter, doet er niet aan af dat het voor een cliënt instellen van een procedure waarvan [appellant] behoort te weten dat deze niet tot succes kan leiden, een beroepsfout oplevert. Voor zover [appellant] nog heeft bedoeld te stellen dat het verzoek wel heeft geleid tot langer en daarmee uiteindelijk rechtmatig verblijf in Nederland, is die – door [geintimeerde sub 1] c.s. betwiste – stelling niet onderbouwd, zodat het hof daaraan voorbijgaat.

4.10

In randnummers 17-20 van de memorie van grieven gaat [appellant] in op het oordeel van de kantonrechter dat [appellant] een beroepsfout heeft gemaakt door het ongebruikt laten verstrijken van een beroepstermijn. Het ging daarbij om de termijn voor het instellen van beroep tegen de beslissing van 4 februari 2009 van de IND. Daarbij was het bezwaar van [geintimeerde sub 1] tegen de afwijzing van een verblijfvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking ‘buiten zijn schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken’ afgewezen. De beroepstermijn waarbinnen tegen deze afwijzing kon worden opgekomen is ongebruikt verstreken, als gevolg waarvan [geintimeerde sub 1] in zijn vervolgens alsnog (maar te laat) ingestelde beroep op 13 augustus 2009 niet-ontvankelijk is verklaard. [appellant] voert aan dat de kantonrechter in dit verband ten onrechte niet heeft meegewogen dat de advocaat die [geintimeerde sub 1] inmiddels bijstond heeft nagelaten tegen de beslissing van 13 augustus 2009 van de rechtbank beroep in te stellen bij de Raad van State, zodat de beslissing onherroepelijk is geworden.

4.11

De omstandigheid dat tegen de beslissing van 13 augustus 2009 beroep openstond en dat daarvan door [geintimeerde sub 1] geen gebruik is gemaakt, is alleen van belang als dat beroep een redelijke kans van slagen had. Dat is volgens [appellant] het geval indien er een verschoonbaar te achten reden is voor de termijnoverschrijding. Dat zich een verschoonbaar te achten reden voor de termijnoverschrijding voordeed, is door de rechtbank in de beslissing van 13 augustus 2009 niet aangenomen. [appellant] stelt zich, zo begrijpt het hof, op het standpunt dat de termijnoverschrijding wel degelijk verschoonbaar was omdat de IND de beslissing van 4 februari 2009 alleen per gewone post aan het bezoekadres van [appellant] had gezonden en deze niet, zoals volgens [appellant] ‘destijds te doen gebruikelijk was’ dan wel ‘de te volgen gedragslijn’ was, in persoon aan [geintimeerde sub 1] uit te reiken (memorie van grieven, nr. 18). [appellant] heeft niet gesteld dat hij de beslissing van 4 februari 2009 niet op zijn bezoekadres heeft ontvangen. In het licht van de betwisting door [geintimeerde sub 1] c.s. (dagvaarding eerste aanleg, nr. 51, conclusie van repliek, nr. 15), heeft [appellant] zijn stellingen over de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding niet voldoende onderbouwd. Ook overigens ziet het hof geen grond om ervan uit te gaan dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was. Het instellen van beroep zou dan ook zinloos zijn geweest. Het bezwaar van [appellant] faalt derhalve.

4.12

In de randnummers 21 en volgende van de memorie van grieven bestrijdt [appellant] het oordeel van de kantonrechter over de gang van zaken nadat [geintimeerde sub 1] op 15 juli 2009 in vreemdelingenbewaring was geplaatst. [appellant] heeft daartegen op diezelfde dag een beroepschrift ingediend en, omdat hij zelf niet bevoegd was om [geintimeerde sub 1] in dit geval ter zitting te vertegenwoordigen, daarvoor een advocaat, mr. [naam], ingeschakeld. Deze advocaat is evenwel niet ter zitting verschenen, zodat [geintimeerde sub 1] genoodzaakt was ter zitting zelf zijn belangen te behartigen, waarna de rechtbank het beroep op 28 juli 2009 ongegrond heeft verklaard. Naar het oordeel van de kantonrechter had [appellant] op zich genomen om de procedure te voeren zodat hij de verantwoordelijkheid daarvoor niet kon afschuiven op de door hem, zonder voorafgaand overleg met [geintimeerde sub 1], ingeschakelde mr. [naam]. Volgens [appellant] kan hij voor het niet-verschijnen van mr. [naam] niet aansprakelijk worden gehouden.

4.13

Dit bezwaar slaagt. De B.V. was voor het niet-verschijnen contractueel aansprakelijk op grond van artikel 6:76 BW , maar voor aansprakelijkheid van [appellant] op grond van onrechtmatige daad bestaat geen grond. [appellant] heeft onweersproken gesteld dat hij mr. [naam] had aangewezen om [geintimeerde sub 1] ter zitting van 23 juli 2009 bij te staan en dat hiervan tijdig aan de rechtbank mededeling is gedaan. Verder heeft [appellant], eveneens onweersproken, gesteld dat mr. [naam] ook daadwerkelijk contact met [geintimeerde sub 1] en de rechtbank heeft gehad. Er is dan ook geen grond om ervan uit te gaan dat het niet-verschijnen van mr. [naam] ter zitting het gevolg is geweest van een door [appellant] persoonlijk begane fout. [geintimeerde sub 1] c.s. heeft in dit verband vergeefs gewezen op de artikelen 6:171 BW en 6:172 BW. Artikel 6:171 BW maakt degene in wiens opdracht een ander werkzaamheden verricht ter uitoefening van het bedrijf van de opdrachtgever naast die ander aansprakelijk voor diens daarbij begane fouten. Nu tussen partijen vaststaat dat de rechtsbijstand aan [geintimeerde sub 1] werd verleend in het kader van het bedrijf van de B.V., ligt het voor de hand om aan te nemen dat ook de opdracht aan mr. [naam] is verstrekt door de B.V. en niet door [appellant] persoonlijk, zodat [appellant] niet op grond van artikel 6:171 BW aansprakelijk kan worden gehouden. Zou ervan moeten worden uitgegaan dat [appellant] bij het verstrekken van de opdracht aan mr. [naam] niet heeft gehandeld namens de B.V., dan is [appellant] evenmin aansprakelijk, omdat het ook dan gaat om werkzaamheden ter uitoefening van het bedrijf van de B.V. en niet van [appellant] of om werkzaamheden ter uitoefening van het beroep van [appellant] als rechtshulpverlener, waartoe art. 6:171 BW zich niet uitstrekt. Artikel 6:172 BW betreft de aansprakelijkheid van een vertegenwoordigde voor fouten van een vertegenwoordiger. Nu gesteld noch gebleken is dat [appellant] door mr. [naam] is vertegenwoordigd, bestaat er geen grond om [appellant] ingevolge artikel 6:172 BW aansprakelijk te houden voor het niet-verschijnen van mr. [naam]. In het bestreden vonnis is derhalve ten onrechte geoordeeld dat [appellant] aansprakelijk is voor de nalatigheid van mr. [naam].

4.14

Hetgeen in r.o. 4.13 is overwogen doet naar het oordeel van het hof niet af aan de conclusie in het bestreden vonnis (r.o. 4.15) dat [appellant] als rechtsbijstandverlener gespecialiseerd in het vreemdelingenrecht niet de zorgvuldigheid heeft betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Wel brengt het mee dat de schade als gevolg van de beroepsfouten van [appellant] lager moet worden vastgesteld dan in het bestreden vonnis is geschied. Het hof zal op het door de kantonrechter vastgestelde schadebedrag € 500, in mindering brengen, te weten het bedrag dat de B.V. volgens [appellant] in rekening heeft gebracht voor het indienen van het beroepschrift tot opheffing van de vreemdelingenbewaring en het aanvullen van de gronden. Daarmee beloopt de hoofdsom van de vordering van [geintimeerde sub 1] een bedrag van (€ 7.093, minus € 500, is) € 6.593,.

4.15

De slotsom is dat het bestreden vonnis gedeeltelijk wordt vernietigd als hierna te melden en dat [appellant] zal worden veroordeeld tot betaling aan [geintimeerde sub 1] van € 6.593, met wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten en dat het vonnis voor het overige wordt bekrachtigd. Bij deze uitkomst past dat [appellant] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep als hierna te melden.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover [appellant] daarbij is veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [geintimeerde sub 1] een bedrag van € 7.093,, vermeerderd met de wettelijke rente over € 4.210, vanaf 13 augustus 2013 en over € 2.883, vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis tot en met de dag van algehele voldoening, alsmede een bedrag van € 882,88 aan buitengerechtelijke kosten;

en, in zoverre opnieuw recht doende:

- veroordeelt [appellant] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [geintimeerde sub 1] een bedrag van € 6.593,, vermeerderd met de wettelijke rente over € 4.210, vanaf 13 augustus 2013 en over € 2.383, vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis waarvan beroep dan wel – indien betekening nog niet heeft plaatsgevonden – na betekening van dit arrest, tot en met de dag van algehele voldoening, alsmede een bedrag van € 882,88 aan buitengerechtelijke kosten;

- bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geintimeerde sub 1] c.s. begroot op € 314, aan griffierecht en op € 894, aan salaris voor de advocaat;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vermelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. F.R. Salomons, M.M. Olthof en H. Vetter en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 april 2017 in aanwezigheid van de griffier.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature