Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online

U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Afwijzing dwangakkoord

Uitspraak



GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer: 200.202.714/01

Rekestnummer rechtbank: C/10/507549 / FT EA 16/1908

arrest van 28 februari 2017

in de zaak van

[appellante],

wonende te Vlaardingen,

appellante,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. W.H. Klein Meuleman te Rotterdam,

tegen

1. Bureau Nabetalingen NS,

gevestigd te Utrecht,

hierna te noemen: NS,

2. Mundo Kinderopvang,

gevestigd te Schiedam,

hierna te noemen Mundo,

3. University of Curaçao, vertegenwoordigd door AGC Gerechtsdeurwaarders & Incasso,

gevestigd te Curaçao,

hierna te noemen: de University of Curaçao,

4. Capabel Onderwijs,

gevestigd te ’s-Hertogenbosch,

hierna te noemen: Capabel,

verweerders.

Het geding

Bij verzoekschrift met producties, ingekomen ter griffie van het hof op 4 november 2016, heeft [appellante] hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen van de rechtbank Rotterdam van 27 oktober 2016 waarbij haar verzoek tot het bevelen van een gedwongen schuldregeling en haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zijn afgewezen. Zij verzoekt het hof deze vonnissen te vernietigen en alsnog een gedwongen schuldregeling te bevelen dan wel haar toe te laten tot de schuldsaneringsregeling.

Capabel heeft bij e-mail (met bijlage) van 9 januari 2017 gereageerd op het beroepschrift en medegedeeld dat zij niet ter zitting aanwezig zal zijn. Bij brief van 25 januari 2017 heeft [medewerker] van de Landelijke Organisatie van Gerechtsdeurwaarders bericht dat de University of Curaçao zich refereert aan het oordeel van het hof en dat zij niet ter zitting zal verschijnen. NS heeft bij brief van 16 februari 2017 laten weten dat zij geen vordering meer heeft op [appellante].

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 februari 2017. Verschenen zijn: [appellante], vergezeld door haar advocaat en [maatschappelijk werker], maatschappelijk werk.

Mundo is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen ter zitting en heeft evenmin schriftelijk gereageerd op het beroepschrift.

Het hof wijst in beide zaken afzonderlijk arrest. Het onderhavige arrest heeft betrekking op het verzoek tot het bevelen van een gedwongen schuldregeling.

Beoordeling van het hoger beroep

1. [appellante] heeft op 4 augustus 2016 bij de rechtbank een verzoek ingediend om verweerders te bevelen in te stemmen met de door haar aangeboden schuldregeling.

2. De rechtbank heeft het verzoek afgewezen op grond van de volgende overwegingen.

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrijstaat om te verlangen dat zijn vordering volledig wordt voldaan. Een verzoek tot het bevelen van een gedwongen schuldregeling wordt slechts toegewezen indien sprake is van een onevenredigheid tussen het belang dat schuldeisers hebben bij de uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en het belang van verzoeker dat door de weigering wordt geschaad.

[appellante] is na het voltooien van de juridische richting van het MBO begonnen met verschillende opleidingen, die zij niet heeft afgemaakt. In april 2014 is zij begonnen met de opleiding tot apothekersassistent bij Capabel, terwijl zij op dat moment al veel schulden had. Door toch te starten met deze opleiding en de kosten daarvan niet te voldoen, is [appellante] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schuld aan Capabel niet te goeder trouw. Dat Capabel weigert in te stemmen met de aangeboden schuldregeling is, mede gelet op de ontstaansgeschiedenis, redelijkerwijze begrijpelijk.

Gelet hierop dienen de belangen van de weigerachtige schuldeisers zwaarder te wegen dan die van [appellante].

3. De grieven van [appellante] hebben de kennelijke strekking de zaak in volle omvang aan het hof voor te leggen. Ter zitting van het hof heeft [appellante] haar standpunt toegelicht.

De rechter dient een afweging te maken tussen de belangen van de verzoeker en die van de weigerachtige schuldeisers, waarbij ook de belangen van de schuldeisers die met het aangeboden akkoord hebben ingestemd dienen te worden meegewogen. De rechtbank heeft in dit geval slechts de goede trouw van [appellante] bij het aangaan van de verplichting bij Capabel in de belangenafweging betrokken en heeft geen aandacht besteed aan de kwaliteit en inhoud van het aangeboden akkoord. [appellante] stelt zich op het standpunt dat de intenties en inzichten die zij had ten tijde van het aangaan van de verplichting bij Capabel niet het cruciale punt zouden mogen zijn bij de belangenafweging.

4. Het verweer van Capabel komt – samengevat – op het volgende neer.

Capabel heeft het recht op volledige voldoening van haar vordering. De hoogte van de aangeboden regeling staat niet in verhouding tot de hoogte van de vordering. Daarnaast heeft [appellante] zich ingeschreven voor de opleiding, terwijl zij wist dat zij niet de financiële middelen had om het cursusgeld te voldoen. De schuld is derhalve verwijtbaar ontstaan.

Ook blijkt uit het voorstel onvoldoende dat [appellante] zich tot het uiterste inspant om haar schuldenpositie te verbeteren en evenmin dat de toekomstverwachting volledige betaling van de vordering in de weg staat.

5. De University of Curaçao heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof en NS heeft laten weten dat zij geen vordering meer op [appellante] heeft. Mundo heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om te reageren op het verzoek van [appellante].

6. Bij de beoordeling van het verzoek tot het opleggen van een gedwongen schuldregeling in het kader van artikel 287a Fw neemt het hof als uitgangspunt dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat zijn vordering volledig wordt voldaan, zodat deze schuldeiser niet snel het verwijt gemaakt kan worden dat hij misbruik maakt van zijn bevoegdheid om volledige betaling te verlangen. Nu de aangeboden regeling voorziet in een aanzienlijk lagere uitkering dan de volledige vordering, in dit geval 4,65%, is het belang van verweerders bij weigering van die regeling gegeven. Uitgangspunt is voorts dat een schuldeiser slechts onder bijzondere omstandigheden kan worden gedwongen in te stemmen met een door de schuldenaar aangeboden akkoord. Daarom is het van belang dat de schuldenaar de rechter van volledige en goed gedocumenteerde informatie voorziet, als de schuldenaar zich op het standpunt stelt dat in zijn of haar geval van dergelijke bijzondere omstandigheden sprake is.

7. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is onvoldoende gebleken.

[appellante] heeft in hoger beroep weliswaar een toelichting heeft gegeven op het ontstaan van de schulden, maar uit hetgeen zij heeft aangevoerd volgt niet, althans onvoldoende, dat sprake is van zodanige onevenredigheid tussen het belang van Capabel en Mundo bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van [appellante] of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad, dat zij in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen.

Daartoe wordt overwogen dat de vorderingen van Mundo en Capabel een gezamenlijke omvang van € 4.092,70 hebben, hetgeen neerkomt op een niet gering deel (11%) van de totale schuldenlast (€ 37.776,99). [appellante] heeft onvoldoende gemotiveerd dat het gedane aanbod het maximaal haalbare is waartoe zij financieel in staat zal zijn. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het voorstel dat [appellante] heeft voorgelegd aan haar schuldeisers en de uitdelingspercentages die daarvan onderdeel uitmaken, zijn gebaseerd op de ongewijzigde voortzetting van de uitkering van [appellante] ingevolge de Participatiewet. Dat het aanbod van [appellante] het maximaal haalbare is waartoe zij binnen overzienbare termijn financieel in staat moet worden geacht, is niet aannemelijk geworden. Mede gezien de MBO opleiding van [appellante] en haar leeftijd (2/4/1984) is niet gezegd dat zij niet in staat zal zijn om actief op zoek te gaan naar betaald werk en zich op die wijze van meer inkomen zal kunnen voorzien. Dat zij zich daartoe thans inspant is niet aannemelijk geworden. Er kan dan ook niet van worden uitgegaan dat [appellante] niet in staat zal zijn om op overzienbare termijn inkomsten uit arbeid te genereren waarmee zij haar schuldeisers beter tegemoet kan komen. Het hof is daarom van oordeel dat zich tussen de belangen van [appellante] enerzijds en de weigerachtige schuldeisers anderzijds niet een onevenredigheid voordoet die noopt tot oplegging van de verzochte gedwongen schuldregeling.

8. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd.

Beslissing

Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 27 oktober 2016.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van Cleef-Metsaars, D. Aarts en A.J. Berends, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 februari 2017 in aanwezigheid van de griffier.

Bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door mr. Aarts


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature