Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht. De verdachte heeft opzettelijk gebruik gemaakt van hem betreffende valselijk opgemaakte loonstroken en een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd om in aanmerking te komen voor een huurwoning. Ook heeft hij op een aanvraagformulier ten behoeve van het verkrijgen van een flexibel krediet in strijd met de waarheid opgegeven dat hij een vast dienstverband had met een maandinkomen van € 3.500,-.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 dagen, met aftrek van voorarrest, en een taakstraf voor de duur van 240 uren, waarvan 120 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Uitspraak



Rolnummer: 22-005373-14

Parketnummer: 10-963055-10

Datum uitspraak: 23 maart 2017

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 27 november 2014 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] (Nigeria) op [dag] 1972,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 7 april 2016 en 8 en 9 maart 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het 1, 3 en 4 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 74 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Voorts is een beslissing genomen omtrent het beslag, zoals vermeld in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1.hij op één of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2010 tot en met

5 september 2010 te Rotterdam, en/of (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, al dan niet in de uitoefening van zijn/hun beroep of gewoonte een persoon van Nigeriaanse nationaliteit, genaamd [persoon 1]

- behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door

- uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland of die ander(en) daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, terwijl verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat die toegang of die doorreis en/of dat verblijf wederrechtelijk was,

immers heeft verdachte en/of verdachtes mededaders toen aldaar onder meer:

- contact onderhouden met en/of instructies gegeven aan en/of ontvangen van en/of afspraken gemaakt met die bovengenoemde persoon over de wijze van vervoer en/of de inreis in Nederland en/of het verdere vervolg in Nederland en/of

- bovengenoemde persoon één of meer dagen onderdak geboden en daarvoor enig geldbedrag ontvangen en/of in rekening gebracht en/of

- de toegang en/of verblijf van die bovengenoemde persoon geregeld en/of georganiseerd en/of gecoördineerd en/of gefacilliteerd en/of op één of andere wijze de financiële kant van het transport en/of het verblijf van die persoon geregeld;

2.hij op of omstreeks 04 oktober 2010 te gemeente Zevenaar, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, anders dan door valsheid in geschrift, opzettelijk niet naar waarheid één of meer gegevens heeft verstrekt\aan een rapporteur van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), zijnde degene door wie of door wiens tussenkomst een verstrekking of tegemoetkoming, te weten asiel en/of een verblijfsvergunning, werd verleend, immers heeft verdachte toen aldaar ten overstaan van die rapporteur in strijd met de waarheid verklaard:

- dat hij lid was van een militante groep in Nigeria en/of

- dat hij niet mee wilde doen aan een demonstratie en derhalve werd gezocht door die militante groep en/of

- dat hij ondergedoken was geweest en/of

- dat hij door iemand geholpen is Nigeria te verlaten op een Brits paspoort,

zulks terwijl dit/deze feit(en) kon(den) strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte en/of verdachtes mededaders) wist(en), althans redelijkerwijze moest(en) vermoeden dat de verstrekte gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes en/of verdachtes mededaderes) of eens anders recht op die verstrekking of tegemoetkoming dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming;

subsidiair:

[persoon 1] op of omstreeks de periode van 4 oktober 2010 2010 te gemeente Zevenaar, in elk geval in Nederland, meermalen, althans éénmaal, anders dan door valsheid in geschrift, (telkens) opzettelijk niet naar waarheid één of meer gegevens heeft verstrekt aan de Immigratie en Naturalisatie Dienst (IND), zijnde degene door wie of door wiens tussenkomst een verstrekking of tegemoetkoming, te weten asiel en/of een verblijfsvergunning, werd verleend,

zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl die [persoon 1] wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat de verstrekte gegevens van belang waren voor de vaststelling van die [persoon 1]'s of eens anders recht op die verstrekking of tegemoetkoming dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, bestaande die gegevens uit:

- dat [persoon 1] lid was van een militante groep in Nigeria

- dat [persoon 1] niet mee wilde doen aan een demonstratie en derhalve werd gezocht door die militante groep

- dat [persoon 1] onderdoken is geweest

- dat [persoon 1] door iemand is geholpen om Nigeria te verlaten op een Brits paspoort,

in elk geval niet naar waarheid verstrekte informatie op grond waarvan de Immigratie en Naturalisatie Dienst (IND) gemakkelijker asiel zou verlenen aan die [persoon 1], bij het plegen van welk bovenomschreven misdrijf verdachte in de periode van 1 juni 2010 tot en met 4 oktober 2010 te gemeente Rotterdam, in elk geval in Nederland opzettelijk behulpzaam is geweest en/of tot het plegen van welk bovenomschreven misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 1 juni 2010 tot en met 4 oktober 2010 te gemeente Rotterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door toen aldaar opzettelijk één of meer van bovengenoemde gegevens en/of die informatie aan die [persoon 1] door te geven en/of te verstrekken en/of te vertellen en/of door aan die [persoon 1] ter vertellen en/of mede te delen dat die [persoon 1] bovengenoemde gegevens en/of informatie aan de Immigratie en Naturalisatie Dienst moest vertellen teneinde gemakkelijker in aanmerking te komen voor asiel en/of een verblijfsvergunning;

3.hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 9 november 2010 te gemeente Rotterdam, in elk geval in Nederland (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van drie, althans één of meer vals(e) of vervalst(e) salarisspecificatie(s) en/of van een valse of vervalste arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, - zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat/die geschrift(en) echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte die salarisspecificatie(s) over de maanden juli 2010 en/of augustus 2010 en/of september 2010 en die arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft gebruikt om een huurcontract voor het pand [adres] te verkrijgen van makelaarskantoor [kantoor] en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat op die salarisspecificatie(s) was vermeld dat verdachte medewerker was van [organisatie] en een basissalaris had van 3500 en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat in die arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd stond vermeld onder meer dat verdachte op 1 januari 2008 als wernemer in dienst was getreden van [stichting] tegen een salaris van 3500 euro bruto per maand;

4.hij op of omstreeks 02 december 2010 te gemeente Rotterdam een aanvraagformulier ABN AMRO Flexibel Krediet - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte valselijk op dat formulier ingevuld dat hij, verdachte, een maandinkomen van 3500,00 had en/of dat hij, verdachte, op 1 januari 2008 in dienst was getreden van [organisatie], zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde primair en subsidiair zal worden vrijgesproken en ten aanzien van het onder 1, 3 en 4 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van voorarrest.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Preliminaire verweren

De raadsman van de verdachte heeft – op gronden als vermeld in zijn ter terechtzitting in hoger beroep van

9 maart 2017 overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota – betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte, dan wel dat alle onderzoeksresultaten van het bewijs dienen te worden uitgesloten op grond van de volgende pijlers (p. 2 en 3 van de pleitnota):

Er is sprake van misbruik van het strafprocesrecht dan wel détournement de pouvoir, doordat het Openbaar Ministerie aanvankelijk aan [verdachte] ten laste heeft gelegd het voorbereiden van een misdrijf met terroristisch oogmerk in Nigeria. De persoonlijke en financiële gevolgen hiervan voor de verdachte zijn zo ernstig dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte.

Er was onvoldoende aanleiding voor de verdenking in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van mensenhandel of mensensmokkel tegen [verdachte] om over een dermate lange periode persoonsgericht onderzoek te doen, waarbij ook vergaande opsporingsmethoden en dwangmiddelen zijn ingezet;

De inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden kan de toets van proportionaliteit en subsidiariteit niet doorstaan;

Er is tijdens het onderzoek sprake geweest van de vervalsing van bewijs.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting desgevraagd bevestigd dat het gevoerde verweer in de sleutel dient te worden geplaatst van art. 359a Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).

Juridische kader van art. 359a Sv

Bij de beoordeling van hetgeen door de raadsman is aangevoerd neemt het hof het volgende tot uitgangspunt:

HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533:

“ 3.4.2.

De toepassing van art. 359a Sv is allereerst beperkt tot vormverzuimen die zijn begaan bij het voorbereidend onderzoek. Ingevolge art. 132 Sv moet daaronder worden verstaan het onderzoek dat voorafgaat aan het onderzoek ter terechtzitting. Onder die vormverzuimen zijn blijkens de wetsgeschiedenis met name ook begrepen normschendingen bij de opsporing.

'Het voorbereidend onderzoek' uit art. 359a Sv heeft uitsluitend betrekking op het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte ter zake het aan hem tenlastegelegde feit waarover de rechter die in art. 359a Sv wordt bedoeld, heeft te oordelen. Art. 359a Sv is dus niet van toepassing indien het verzuim is begaan buiten het verband van dit voorbereidend onderzoek. Dat doet zich onder meer voor als het vormverzuim is begaan in het voorbereidend onderzoek inzake een ander dan het aan de verdachte tenlastegelegde feit.

(…)

3.5.

Indien binnen bovenstaande grenzen sprake is van een vormverzuim en de rechtsgevolgen daarvan niet uit de wet blijken, moet de rechter beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Daarbij dient hij rekening te houden met de in het tweede lid van art. 359a Sv genoemde factoren. Het rechtsgevolg zal immers door deze factoren moeten worden gerechtvaardigd.

De eerste factor is 'het belang dat het geschonden voorschrift dient.'

De tweede factor is 'de ernst van het verzuim'. Bij de beoordeling daarvan zijn de omstandigheden van belang waaronder het verzuim is begaan. Daarbij kan ook de mate van verwijtbaarheid van het verzuim een rol spelen.

De derde factor is 'het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt'. Bij de beoordeling daarvan is onder meer van belang of en in hoeverre de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad.

(…)

3.6.5.

Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

3.7.

Het vorenoverwogene brengt mee dat een beslissing tot toepassing van een rechtsgevolg als bedoeld in art. 359a Sv dient te worden genomen en gemotiveerd aan de hand van de hiervoor onder 3.5 besproken factoren die in het tweede lid van het artikel zijn genoemd.

Met het oog daarop mag van de verdediging die een beroep doet op schending van een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv, worden verlangd dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van die factoren wordt aangegeven tot welk in art. 359a Sv omschreven rechtsgevolg dit dient te leiden. Alleen op een zodanig verweer is de rechter gehouden een met redenen omklede beslissing te geven.”

Ad I, III en IV

Het hof stelt vast dat het verweer van de raadsman zoals staat weergegeven onder I, III en IV en nader is uiteengezet in de pleitnota niet voldoet aan de eisen die daaraan volgens de Hoge Raad worden gesteld. Wat betreft onderdeel IV heeft de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep verklaard niet van mening te zijn dat de politie daadwerkelijk bewijsmateriaal heeft vervalst. Hij heeft voorts onvoldoende duidelijk en onvoldoende gemotiveerd aangegeven welk concreet voorschrift op welke wijze zou zijn geschonden (IV) en/of welk belang door het beweerdelijk geschonden voorschrift wordt gediend (I, III en IV). Verder is niet deugdelijk onderbouwd dat en op welke wijze een ernstige inbreuk is gemaakt op de beginselen van behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling tekort is gedaan. Dit brengt met zich dat deze verweren reeds daarom niet slagen en geen verdere bespreking behoeven.

Ad II

Voor zover de raadsman heeft bedoeld te zeggen dat vormen zijn verzuimd in het onderzoek [naam 1] constateert het hof dat dit onderzoek geen betrekking heeft op thans via onderzoek [naam 2] aan de verdachte ten laste gelegde feiten (vgl. hiervoor HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, rov 3.4.2.). Zelfs wanneer er in het onderzoek [naam 1] sprake zou zijn van enig vormverzuim dan levert dit dan ook geen vormverzuim op als bedoeld in artikel 395a Sv, zodat het verweer van de raadsman in zoverre niet kan slagen.

Met betrekking het onderzoek [naam 2] overweegt het hof het navolgende. In het proces-verbaal van relaas onderzoek [naam 2] d.d. 24 mei 2011 (ordner) staa de aanleiding van het onderzoek omschreven. Er wordt melding gemaakt van een man genaamd [naam persoon], die zich op 27 november 2009 samen met een Nigeriaanse vrouw meldde bij de inreiscontrole op Schiphol. [naam persoon] vroeg toegang tot Nederland en vertelde dat de verdachte op hem wachtte op de luchthaven. De verdachte, die toen op Schiphol aanwezig was, verklaarde desgevraagd dat [naam persoon] en de vrouw enkele uren bij hem zouden verblijven alvorens zij beiden zouden doorreizen naar Tsjechië. De Nigeriaanse vrouw bleek te zijn genaamd [naam persoon 2].t

Blijkens het relaas van onderzoek [naam 1] ([naam 1] map 1 van 4, p.0008-0017) is deze [naam persoon 2] op 13 januari en 6 februari 2010 gehoord. Zij heeft toen aangifte gedaan van mensenhandel. Zij heeft verklaard dat zij door [naam persoon] was benaderd om mee te komen naar het buitenland, dat zij een schuld van € 60.000,- was aangegaan en dat zij deze schuld moest afbetalen door in Europa te gaan werken. [naam persoon 3], de echtgenote van de verdachte, is op 6 oktober 2004 aangehouden in verband met valsheid in geschrift. Zij heeft toen verklaard dat ze naar Nederland was gebracht om in de prostitutie te gaan werken en dat zij een schuld had van $ 60.000,-. Tot slot heeft een getuige genaamd [naam persoon 4] op 6 januari 2010 verklaard dat een man genaamd [verdachte] zich bezighield met mensenhandel door meisjes uit Nigeria te halen om in Nederland in de prostitutie te werken.

Op 22 februari 2010 is naar aanleiding van alle informatie die op dat moment beschikbaar was een onderzoek naar de verdachte gestart onder de naam [naam 1]. Op 17 mei 2010 is dit onderzoek onder de naam [naam 2] overgedragen aan het Landelijk Parket te Zwolle.

Naar het oordeel van het hof zijn de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden die aanleiding hebben gegeven voor het onderzoek [naam 2] voldoende specifiek en redengevend om ten aanzien van de verdachte een redelijke vermoeden van schuld van mensenhandel en/of mensensmokkel op te leveren in de zin van artikel 27 Sv. Van een daarop volgende onrechtmatige inzet van bijzondere opsporingsmiddelen is dan ook geen sprake geweest. Dat de verdachte uiteindelijk niet is vervolgd voor mensenhandel en/of mensensmokkel met betrekking tot [naam persoon 2] doet aan het vorenstaande niet af. Mitsdien wordt ook dit onderdeel van het verweer verworpen.

Vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde

In zaaksdossier C1 bevinden zich tapgesprekken tussen de verdachte en [persoon 3], zijnde de zus van de vreemdeling [persoon 1] (zaakdossier C.1, p. 41, 42, 71 en 222). Uit deze tapgesprekken kan worden opgemaakt dat de verdachte een relatie had met deze Ruth en dat hij alles voor haar wilde doen om haar broer te helpen bij een verblijf in Nederland. Gelet hierop heeft het hof niet de overtuiging bekomen dat het oogmerk van de verdachte gericht was op winstbejag. Dat de verdachte voor de bewoning van het huis dat op naam stond van zijn vrouw een onkostenvergoeding accepteerde, maakt dit in het onderhavige geval niet anders; deze onkostenvergoeding was naar ’s hofs oordeel veeleer het oogmerk van zijn vrouw. Dat het oogmerk van de verdachte was gericht op enig winstbejag acht het hof daarom niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het aan hem onder 1 ten laste gelegde.

Vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde

Gelet op hetgeen door het hof in Amsterdam in het arrest van 15 augustus 2012 (ECLI:NL:GHAMS:2012:BX4938) is overwogen ter zake van de strekking van artikel 227a van het Wetboek van Strafrecht, is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan – overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal - behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

3.hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 9 november 2010 te gemeente Rotterdam, in elk geval in Nederland (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van drie, althans één of meer vals(e) of vervalst(e) salarisspecificatie(s) en/of van een valse of vervalste arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, - zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat/die geschrift(en) echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte die salarisspecificatie(s) over de maanden juli 2010 en/of augustus 2010 en/of september 2010 en die arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft gebruikt om een huurcontract voor het pand [adres] te verkrijgen van makelaarskantoor [naam] en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat op die salarisspecificatie(s) was vermeld dat verdachte medewerker was van [naam organisatie] en een basissalaris had van 3500 euro en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat in die arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd stond vermeld onder meer dat verdachte op 1 januari 2008 als werknemer in dienst was getreden van [stichting] tegen een salaris van 3500 euro bruto per maand;

4.hij op of omstreeks 02 december 2010 te gemeente Rotterdam een aanvraagformulier ABN AMRO Flexibel Krediet - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte valselijk op dat formulier ingevuld dat hij, verdachte, een maandinkomen van 3500,00 euro had en/of dat hij, verdachte, op 1 januari 2008 in dienst was getreden van [naam organisatie], zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

het opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

valsheid in geschrift.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft opzettelijk gebruik gemaakt van hem betreffende valselijk opgemaakte loonstroken en een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd om in aanmerking te komen voor een huurwoning. Ook heeft hij op een aanvraagformulier ten behoeve van het verkrijgen van een flexibel krediet in strijd met de waarheid opgegeven dat hij een vast dienstverband had met een maandinkomen van € 3.500,-. Dit zijn ernstige feiten die het hof de verdachte aanrekent. Aldus heeft hij immers het vertrouwen dat in het maatschappelijke verkeer aan de juistheid van dit soort geschriften moet kunnen worden gesteld, geschonden. Het hof neemt hierin ten gunste van de verdachte wel in aanmerking dat het (financiële) nadeel dat uit deze feiten is voortgevloeid voor de betrokkenen uitermate beperkt is gebleven.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 22 februari 2017, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een korte geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur gelijk aan de duur van het voorarrest alsmede een deels voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.

Tot slot neemt het hof daarbij in aanmerking dat zowel de berechting in eerste aanleg als in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten voor de Mens (EVRM). Het hof zal deze termijnoverschrijding verdisconteren door te bepalen dat het onvoorwaardelijke deel van de op te leggen taakstraf 120 uren bedraagt in plaats van 150 uren.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63 en 225 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 3 en 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1.00 STK Bankpas Postbankpas nr 57 kmar

- 1.00 STK Bankpas Bankpas ABN AMRO kmar nr 58

- 1.00 STK Bankpas Bankpas ABN AMRO nr 59

- 1.00 STK Bankpas Bankpas Postbankpas kmar nr 60

- 1.00 STK Bankpas Giropas Postbank kam nr 61

- 1.00 STK Paspoort Nationaal paspoort kmar nr 69

- 1.00 STK Papier Adm. bescheiden kmar nr 72

- 1.00 STK Papier Electronisch ticket air france kmar nr 73

- 1.00 STK Rijbewijs Rijbewijs kmar nr 80.

Dit arrest is gewezen door mr. A.S.I. Delden, mr. G. Knobbout en mr. H.J.M. Smid-Verhage, in bijzijn van de griffier mr. N.N.D. Bos.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 23 maart 2017.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature