Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online

U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

In hoger beroep is in geschil of belanghebbende recht heeft op aftrek van uitgaven voor levensonderhoud van kinderen, specifieke zorgkosten en giften (alleen 2011). Het geschil spitst zich toe op de vraag of de kosten op belanghebbende drukken.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-16/00490 en BK-16/00491

Uitspraak d.d. 3 mei 2017

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (hierna: de Rechtbank) van 22 september 2016, nummers SGR 16/2857 en SGR 16/2858, betreffende de onder 1.1 vermelde navorderingsaanslagen en beschikkingen.

Navorderingsaanslagen, beschikkingen, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

De Inspecteur heeft op 22 augustus 2015 aan belanghebbende navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor de jaren 2011 en 2012 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.877 (2011) en € 28.194 (2012) (hierna: de navorderingsaanslagen). Tevens is bij beschikkingen heffingsrente respectievelijk belastingrente in rekening gebracht van € 179 (2011) en € 232 (2012) (hierna: de beschikkingen).

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de navorderingsaanslagen en beschikkingen bezwaar gemaakt. Bij uitspraken op bezwaar van 19 januari 2016 en 1 maart 2016 heeft de Inspecteur de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft hiertegen beroepen ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 46.

1.4.

De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 124. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend, ingekomen bij het Hof op 15 december 2016. Een afschrift hiervan is aan de Inspecteur verstrekt.

2.3.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 22 maart 2017, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde staat in hoger beroep het volgende vast:

3.1.

Belanghebbende heeft twee kinderen, [A] , geboren [in] 2008 en [B] , geboren [in] 2010. In 2011 en 2012 stonden beide kinderen ingeschreven op het adres van hun vader, [Y] , de ex-partner van belanghebbende (hierna: de ex-partner), in [C] . Belanghebbende stond volgens de Basisregistratie Personen (hierna: BRP) in 2011 en 2012 ingeschreven op het adres [D] in [Z] . Op dat adres stond ook haar broer ingeschreven.

3.2.

Voor het jaar 2011 heeft belanghebbende een aangifte IB/PVV ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.253. In de aangifte heeft belanghebbende een bedrag van € 2.320 in aanmerking genomen als uitgaven voor het levensonderhoud van kinderen, een bedrag van € 1.254 als specifieke zorgkosten en een bedrag van € 50 als aftrekbare giften. Het bedrag van de specifieke zorgkosten is als volgt opgebouwd:

Kosten medicijnen € 180

Uitgaven voor woningaanpassing € 330

Uitgaven voor vervoer € 120

Dieetkosten € 450

Genees- en heelkundige hulp € 201 +

Totaal van de ziektekosten € 1.281

Verhoging specifieke zorgkosten € 432 +

Totaal € 1.713

Af: de drempel voor aftrek € 459 -/-

Totaal aftrekbaar bedrag € 1.254

Als specifieke zorgkosten heeft belanghebbende onder andere twee door [E] , lactatiekundige, in 2010 gefactureerde bedragen van € 90 en € 105 opgevoerd, alsmede € 29,25 wegens de huur en € 315 wegens de aanschaf van een borstkolf bij ZZG Zorggroep.

Op 31 augustus 2012 zijn aan belanghebbende een voorlopige aanslag IB/PVV 2011 en op 5 juli 2013 een definitieve aanslag IB/PVV 2011 opgelegd. Beide belastingaanslagen zijn vastgesteld overeenkomstig de aangifte.

3.3.

Voor het jaar 2012 heeft belanghebbende een aangifte IB/PVV ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.399. In de aangifte heeft belanghebbende een bedrag van € 2.360 in aanmerking genomen als uitgaven voor het levensonderhoud van kinderen en een bedrag van € 4.435 als specifieke zorgkosten. Het bedrag van de specifieke zorgkosten is als volgt opgebouwd:

Genees- en heelkundige hulp € 4.900

Af: de drempel voor aftrek € 465 -/-

Totaal aftrekbaar bedrag € 4.435

Het bedrag van de specifieke zorgkosten betreft een IVF-behandeling met eiceldonatie.

Op 4 oktober 2013 zijn aan belanghebbende een voorlopige aanslag IB/PVV 2012 en op 12 december 2014 een definitieve aanslag IB/PVV 2012 opgelegd. Beide aanslagen zijn vastgesteld overeenkomstig de aangifte.

3.4.

Bij de vaststelling van de navorderingsaanslagen heeft de Inspecteur de in de aangiften opgevoerde uitgaven voor het levensonderhoud van kinderen, specifieke zorgkosten en giften gecorrigeerd.

Geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

In hoger beroep is in geschil of belanghebbende recht heeft op aftrek van uitgaven voor levensonderhoud van kinderen, specifieke zorgkosten en giften (alleen 2011). Het geschil spitst zich toe op de vraag of de kosten op belanghebbende drukken.

4.2.

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de navorderingsaanslagen en beschikkingen.

5.2.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Oordeel van de Rechtbank

6. De Rechtbank heeft het volgende overwogen:

"Beoordeling van het geschil

Nieuw feit

6. [Belanghebbende] heeft ter zitting gesteld dat zij door het opleggen van de definitieve aanslagen er vanuit mocht gaan dat de aangiften waren goedgekeurd. De rechtbank vat deze stelling zo op dat [belanghebbende] heeft bedoeld te stellen dat [de Inspecteur] voor beide jaren niet over een nieuw feit beschikte als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr).

7. Op grond van artikel 16, eerste lid, van de Awr kan, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, [de Inspecteur] de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit, dat [de Inspecteur] bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. Voor het antwoord op de vraag of sprake is van een nieuw feit dient beoordeeld te worden of sprake is van feiten die bij het opleggen van de definitieve aanslagen reeds bij [de Inspecteur] bekend waren of redelijkerwijs bekend hadden kunnen zijn. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat [de Inspecteur] er in het algemeen op mag vertrouwen dat een aangifte correct is ingevuld en dat alleen indien gerechtvaardigde twijfel bestaat aan de juistheid van de in de aangifte vermelde gegevens, [de Inspecteur] een nader onderzoek dient in te stellen (vgl. Hoge Raad 31 mei 2013, nrs. 11/03452 en 11/03456, ECLI:NL:HR:2013:BX7184).

8. De rechtbank is van oordeel dat de aangiften IB/PVV 2011 en 2012 van [belanghebbende] voor [de Inspecteur] geen aanleiding hoefden te geven om een nader onderzoek in te stellen. Hierbij speelt mede een rol dat beide aangiften een verzorgde indruk maakten en door een gemachtigde waren ingediend. [Belanghebbende] heeft geen feiten of omstandigheden aangedragen op grond waarvan [de Inspecteur], na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangiften van [belanghebbende], aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoorde te twijfelen (vgl. Hoge Raad 11 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1005). Omstandigheden die voor [de Inspecteur] aanleiding hadden moeten zijn om voor de onderhavige jaren nader onderzoek te doen, zijn ook overigens in het onderhavige geval niet gebleken. [De Inspecteur] heeft onweersproken gesteld dat hij eerst na het opleggen van de definitieve aanslagen over de jaren 2011 en 2012 bekend is geworden met het feit dat de gemachtigde voor meerdere personen, onder wie [belanghebbende], stelselmatig aangiften met daarin onjuiste aftrekposten heeft ingediend. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank voor de jaren 2011 en 2012 sprake van een navordering rechtvaardigend nieuw feit.

Uitgaven levensonderhoud kinderen

9. Op grond van artikel 6.14, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001 worden - voor zover hier van belang - uitgaven voor levensonderhoud van een kind niet in aanmerking genomen, indien de belastingplichtige of een persoon die tot zijn huishouden behoort, voor het kind recht heeft op kinderbijslag volgens de Algemene kinderbijslagwet.

10. [De Inspecteur] heeft gemotiveerd gesteld dat het sociale leven van [belanghebbende] in [C] is gelegen en dat zij deel uitmaakt van het huishouden van de vader. [De Inspecteur] heeft daarvoor verwezen naar de door [belanghebbende] ingebrachte stukken, waaruit valt op te maken dat de op naam van [belanghebbende] gestelde facturen uit 2010 tot en met 2012 alsmede een aan [belanghebbende] gerichte brief van haar zorgverzekeraar uit 2012 zijn geadresseerd aan het adres van de vader in [C] . Voorts blijkt uit de door [belanghebbende] overgelegde bankafschriften uit 2011 en 2012 dat [belanghebbende] diverse pinbetalingen in [C] heeft gedaan. Daarnaast staan op de bankafschriften geen pinbetalingen vermeld die in [Z] zijn gedaan. [Belanghebbende], op wie de bewijslast rust, heeft met haar verklaring ter zitting niet aannemelijk gemaakt dat haar sociale leven in de jaren 2011 en 2012 in [Z] was gelegen. De verklaring van [belanghebbende] dat zij één keer per week, en eventueel twee keer per week, haar kinderen in [C] bezoekt, strookt namelijk niet met de frequentie van de in [C] gedane pinbetalingen (meer dan twee keer per week) die op de bankafschriften staan vermeld. Voorts acht de rechtbank de enkele verklaring van [belanghebbende] dat de vader op zijn adres in [C] met een andere vrouw samenwoont, zonder nadere onderbouwing met bewijsstukken, in dit verband onvoldoende voor een ander oordeel. Ook anderszins heeft [belanghebbende] geen nader bewijs ingebracht waaruit valt op te maken dat haar sociale leven in de onderhavige jaren in [Z] was gelegen. De omstandigheid dat zij in de onderhavige jaren op het adres van haar broer in [Z] stond ingeschreven alsmede de omstandigheid dat op de bankafschriften het adres van haar ouders in [Z] stond vermeld, is daarvoor onvoldoende. Met de stellingen van [belanghebbende] ter zitting dat zij aan een zware posttraumatische stressstoornis leidt, waardoor zij niet meer voor haar kinderen kan zorgen en zij laks is geweest met het doorgeven van adreswijzigingen, maakt zij naar het oordeel van de rechtbank evenmin aannemelijk dat zij niet tot het huishouden van de vader behoorde.

11. Gelet op het vorenstaande moet het er voor worden gehouden dat [belanghebbende] in de onderhavige jaren haar sociale leven in [C] heeft gehad en acht de rechtbank het aannemelijk, zoals [de Inspecteur] heeft gesteld, dat [belanghebbende] in die jaren tot de huishouding van de vader heeft behoort. Nu de vader de kinderbijslag in die jaren heeft genoten, brengt het bepaalde in artikel 6.14, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001 mee dat de door [belanghebbende] geclaimde uitgaven niet voor aftrek in aanmerking komen. Ook overigens heeft [belanghebbende] niet aannemelijk gemaakt dat zij uitgaven voor het levensonderhoud van haar kinderen heeft gemaakt die voor aftrek in aanmerking komen.

Specifieke zorgkosten

12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [belanghebbende], op wie de bewijslast rust, niet aannemelijk gemaakt dat zij de door haar gestelde kosten heeft gemaakt, nu zij van die kosten - behoudens de aanschaf van een borstkolf - geen betalingsbewijzen heeft overgelegd en zij evenmin inzicht heeft gegeven in hoeverre de door haar gestelde kosten onder het eigen risico van haar zorgverzekering vallen. Een borstkolf kan niet als een hulpmiddel als bedoeld in artikel 6.17, aanhef en onderdeel d, van de Wet IB 2001 worden aangemerkt, nu een borstkolf niet van zodanige aard is dat zij hoofdzakelijk door zieke of invalide personen wordt gebruikt. De uitgave in verband met de aanschaf daarvan komt derhalve niet voor aftrek in aanmerking.

Giften

13. Het in aftrek gebrachte bedrag aan giften betreft de vrijwillige ouderbijdrage aan de school van de kinderen van [belanghebbende]. Deze kan, anders dan [belanghebbende] ter zitting heeft betoogd, niet als een aftrekbare gift als bedoeld in artikel 6.32 van de Wet IB 2001 worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een bevoordeling uit vrijgevigheid of verplichte bijdrage waartegenover geen directe tegenprestatie staat.

Slotsom

14. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding."

Beoordeling van het hoger beroep

Nieuw feit

7.1.

Op grond van artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan de inspecteur indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

7.2.

Belanghebbende heeft gesteld dat het voor het opleggen van de navorderingsaanslagen vereiste nieuwe feit ontbreekt. Zij heeft daartoe onder meer het volgende aangevoerd. Het onderzoek van de Inspecteur naar haar administrateur staat los van haar aangiften en haar woonsituatie, die al meerdere jaren hetzelfde is. Bij eerdere aangiften heeft de Inspecteur de in haar aangiften opgevoerde uitgaven voor levensonderhoud van kinderen, specifieke zorgkosten en giften gecontroleerd en goedgekeurd. Derhalve was het feit(encomplex) dat aanleiding gaf tot navordering voor de jaren 2011 en 2012 de Inspecteur bekend of had het hem redelijkerwijs bekend kunnen zijn.

7.3.

Het Hof volgt belanghebbende niet in haar betoog. Volgens vaste jurisprudentie mag de Inspecteur bij het vaststellen van een aanslag in de IB/PVV uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige in zijn aangifte heeft vermeld. Tot een nader onderzoek is hij in beginsel slechts gehouden, indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen (vgl. Hoge Raad 13 november 2009, nr. 08/04594, ECLI:NL:HR:2009:BK3080).

7.4.

Naar het oordeel van het Hof vormde de inhoud van de aangiften van belanghebbende, gelet op de aard en hoogte van de daarin opgenomen aftrekposten, op zichzelf geen aanleiding voor nader onderzoek. Uit hetgeen de Inspecteur ter zitting heeft verklaard, volgt dat de administrateur van belanghebbende geregeld een hoge aftrek van kosten opgeeft in de aangiften en dat de Belastingdienst naar aanleiding daarvan een onderzoek is gestart naar de administrateur. In de uitkomsten van dat onderzoek heeft de Inspecteur aanleiding gezien alle aangiften ingediend door de administrateur nader te onderzoeken, waaronder de aangiften van belanghebbende. Hij heeft belanghebbende begin 2015 vragen gesteld over de in haar aangiften opgenomen aftrekposten. Vanwege het uitblijven van een reactie heeft de Inspecteur geconcludeerd dat belanghebbende geen recht heeft op de aftrekposten omdat zij hiervoor geen bewijs heeft geleverd. Dit vormt een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt.

2011

7.5.

Ter zitting van het Hof is vast komen te staan dat niet langer in geschil is dat belanghebbende geen aanspraak heeft op aftrek van de gift van € 50. Ook heeft belanghebbende ter zitting van het Hof erkend dat zij niet aannemelijk kan maken dat de twee door [E] , lactatiekundige, in 2010 gefactureerde bedragen van € 90 en € 105 in 2011 zijn betaald. Daarom maakt belanghebbende niet langer aanspraak op de aftrek van deze kosten.

7.6.

Partijen zijn het ter zitting van het Hof over eens geworden dat alleen de twee betalingen van in totaal € 344,25 (= € 29,25 + € 315), afgerond € 345, aan ZZG Zorggroep wegens de huur en later aanschaf van een borstkolf als uitgaven voor specifieke zorgkosten in aanmerking dienen te worden genomen. Op grond van artikel 6.19, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) (tekst 2011) wordt dit bedrag verhoogd met 40 percent. Na verhoging komen de uitgaven voor specifieke zorgkosten uit op € 483, waarvan, na aftrek van de in artikel 6.20, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet IB 2001 (tekst 2011) neergelegde drempel van € 459 (= 1,65 percent van € 27.877) een bedrag van € 24 overblijft.

2012

7.7.

Bij de uitgaven voor specifieke zorgkosten is niet langer in geschil dat belanghebbende de in haar aangifte voor 2012 opgevoerde uitgaven voor een IVF-behandeling met eiceldonatie van € 4.900 heeft gedaan. Naar het oordeel van het Hof komen deze uitgaven in beginsel voor aftrek in aanmerking. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of deze uitgaven op belanghebbende drukken. Het Hof beantwoordt deze vraag bevestigend. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat, naar belanghebbende onweersproken heeft verklaard, in haar ziektekostenverzekeringspolis de kosten van een IVF-behandeling met eiceldonatie van vergoeding zijn uitgesloten alsmede dat de ziektekostenverzekeraar belanghebbende deze uitsluiting in een brief van 9 mei 2007 – toen belanghebbende voor het eerst een IVF-behandeling onderging – schriftelijk heeft bevestigd. Na aftrek van de in artikel 6.20, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet IB 2001 (tekst 2012) neergelegde drempel van € 465 (= 1,65 percent van € 28.194) is het aftrekbare bedrag € 4.435.

Beide jaren

7.8.

Voor beide jaren zijn in geschil betalingen aan de ex-partner van belanghebbende. Voor het jaar 2011 betreft het twee betalingen van € 2.500 en € 2.000 en voor het jaar 2012 betreft het twee betalingen van € 1.000 en € 3.500. De Inspecteur heeft ter zitting het standpunt dat de twee keer per jaar gedane betalingen – indien het Hof deze aanvaardt als uitgaven voor het levensonderhoud van kinderen – slechts kunnen leiden tot aftrek van twee keer het kwartaalforfait per jaar, laten vallen.

7.9.

Belanghebbende heeft met hetgeen zij heeft aangevoerd aannemelijk gemaakt dat de betalingen aan haar ex-partner bijdragen in de kosten van het levensonderhoud van haar twee minderjarige kinderen zijn. De Inspecteur heeft ter onderbouwing van zijn door belanghebbende gemotiveerd betwiste standpunt dat belanghebbende en haar ex-partner in beide jaren een gezamenlijke huishouding voerden, onvoldoende feiten gesteld die, indien aannemelijk bevonden, dit standpunt zouden kunnen dragen. Daarbij neem het Hof in aanmerking dat de ex-partner met de twee kinderen in [C] inwoonde bij zijn zus, dat belanghebbende volgens de BRP van de gemeente [Z] beide jaren en ook daarvoor en daarna stond ingeschreven op het adres [D] in die gemeente en dat ook overigens het standpunt van de Inspecteur geen, althans onvoldoende, steun vindt in de feiten.

7.10.

De betaling van een bijdrage van, in elk jaar, € 4.500 aan het levensonderhoud van haar kinderen brengt naar het oordeel van het Hof mee dat de kosten van dat onderhoud in belangrijke mate op belanghebbende drukken. Niet in geschil is dat ook overigens aan de voorwaarden van de aftrek voor levensonderhoud van kinderen is voldaan.

7.11.

Gelet op het bepaalde in artikel 36 van de Uitvoeringsregeling Inkomstenbelasting 2001 (hierna: Uitv.reg. IB 2001) (tekst 2011) dient het aftrekbare bedrag voor het jaar 2011 te worden bepaald op € 2.320 (= 2 x 4 x € 290). Gelet op het bepaalde in artikel 36 van de Uitv.reg. IB 2001 (tekst 2012) dient het aftrekbare bedrag voor het jaar 2012 te worden bepaald op € 2.360 (= 2 x 4 x € 295).

Slotsom

7.12.

Gelet op het bovenstaande is het hoger beroep gegrond en zal het Hof beslissen zoals hierna is vermeld.

Proceskosten en griffierecht

8.1.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene Wet bestuursrecht aangezien gesteld noch gebleken is dat belanghebbende voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt.

8.2.

Wel dient aan belanghebbende het voor de behandeling voor de Rechtbank gestorte griffierecht van € 46, alsmede het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 124 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

verklaart de bij de Rechtbank ingestelde beroepen gegrond;

vernietigt de uitspraken op bezwaar;

vermindert de navorderingsaanslag 2011 tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.533 (= € 27.877 -/- € 24 -/- € 2.320) en wijzigt de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig;

vernietigt de navorderingsaanslag 2012 en de daarbij gegeven beschikking belastingrente;

gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 170 aan griffierecht te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. G.J. van Leijenhorst, mr. J.J.J. Engel en mr. W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.A. Brits. De beslissing is op 3 mei 2017 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd. 2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature