Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online

U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Waardering onderneming in het kader van echtscheiding.

Uitspraak



GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 5 april 2017

Zaaknummers : 200.161.903/01 en 200.161.905/01

Rekestnummers rechtbank : FA RK 12-7896 en FA RK 13-1092

Zaaknummers rechtbank : C/11/97273 en C/11/418067

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster, tevens incidenteel verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. A.C.M. van Lieshout te Den Haag,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder, tevens incidenteel verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. E.M. Putters-van Veen te Gorinchem.

VERDER PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

Het hof verwijst voor het procesverloop in hoger beroep naar zijn tussenbeschikkingen van9 december 2015 en 4 mei 2016, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

Bij de beschikking van 9 december 2015 is - voor zover thans nog van belang - in het kader van de verdeling van de ontbonden beperkte huwelijksgemeenschap benoemd tot deskundige [deskundige] , kantoorhoudende te [vestigingsplaats] , ter zake van de waardering van de aandelen in [bedrijf 1] , inclusief haar deelneming [bedrijf 2] . Voorts is (onder meer) bepaald dat de man de in rechtsoverweging 59 verzochte stukken in het geding brengt en dat de vrouw binnen zes weken na 9 december 2015 een voorschot van € 20.000,- (inclusief omzetbelasting) dient te deponeren. Iedere beslissing inzake de proceskostenveroordeling is aangehouden.

Bij de beschikking van 4 mei 2016 is bepaald dat de kosten van de deskundige van€ 20.000,- voorlopig ten laste van ’s Rijks kas zullen komen. Voorts is bepaald dat er een regiezitting plaats zal hebben op 25 mei 2016 en is iedere verdere beslissing aangehouden.

Op 25 mei 2016 heeft er een regiezitting plaatsgehad, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Hierbij zijn verschenen: de vrouw, bijgestaan door mr. N. Walenkamp en [naam 1] , financieel adviseur, de man, bijgestaan door zijn advocaat, en de deskundige. Ten behoeve van het deskundigenonderzoek is de volgende vraagstelling geformuleerd:

Stel de waarde van de onderneming/aandelen op basis van de liquidatiewaarde vast per peildatum 31 december 2014.

o subvraag 1: Beoordeel in het bijzonder de inbaarheid van de vordering van de holdingmaatschappij op meneer in privé.

o subvraag 2: Beoordeel in het bijzonder de inbaarheid van de vordering van de holdingmaatschappij op de deelneming.

o subvraag 3: Beoordeel in het bijzonder de post ‘debiteuren’ met betrekking tot de inbaarheid, zowel met betrekking tot de holding als met betrekking tot de werkmaatschappij.

Op 25 oktober 2016 is het deskundigenbericht bij het hof ingekomen.

Bij brief van 28 oktober 2016 heeft het hof het deskundigenbericht naar partijen verstuurd en hen in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken een reactie daarop aan het hof te doen toekomen.

Bij het hof is op 10 november 2016 de eerste declaratie van de deskundige bij het hof ingekomen.

Van de zijde van de vrouw is op 23 november 2016 een brief gedateerd 21 november 2016 bij het hof ingekomen. Hierin laat de vrouw weten op korte termijn het hof om een verklaring voor recht te zullen verzoeken dat partijen dienen over te gaan tot verevening van pensioenaanspraken, alsmede om de man te veroordelen om de waarde van de pensioenaanspraken van de vrouw af te storten.

Van de zijde van de man is op 25 november 2016 een V-formulier van 24 november 2016 met bijlagen bij het hof ingekomen. Hierin laat de man onder meer weten bezwaar te hebben tegen het aangekondigde aanvullende verzoek van de vrouw.

Voorts is van de zijde van de man op 27 januari 2017 een brief van 26 januari 2017 met bijlagen bij het hof ingekomen en op 31 januari 2017 een V-formulier van 30 januari 2017.

Bij faxbericht van 31 januari 2017 heeft de vrouw een aanvullend verzoek met bijlagen bij het hof ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak is op 10 februari 2017 voortgezet.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, alsmede door [naam 2] , financieel adviseur;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de deskundige.

Op 17 maart 2017 is de laatste declaratie van de deskundige bij het hof ingekomen.

Partijen zijn bij e-mailbericht van 28 maart 2017 door het hof in de gelegenheid gesteld om te reageren op de declaraties van de deskundige.

Van de zijde van de vrouw is op 31 maart 2017 een reactie bij het hof ingekomen. De vrouw heeft geen opmerkingen ten aanzien van de declaraties van de deskundige. Wel is zij van mening dat de kosten van de deskundige dienen te worden gedragen door de man. Door zijn weigerachtige houding om de benodigde stukken over te leggen, kon de vrouw niet anders dan een deskundigenonderzoek verzoeken. Als de vrouw de kosten daarvan zou moeten dragen, dan wordt de man in feite beloond voor het in strijd met de wet en het procesreglement niet tijdig in het geding brengen van de stukken.

Van de zijde van de man is binnen de door het hof gestelde termijn geen reactie ingekomen.

VERDERE BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. Het hof dient nog een oordeel te geven over de waarde van de aandelen in de vennootschap [bedrijf 1] , inclusief haar deelneming [bedrijf 2] , alsmede over het verzoek tot proceskostenveroordeling.

2. De rechtbank heeft in haar bestreden beschikking van 3 oktober 2014 overwogen: “De rechtbank kan daarom de waarde van de aandelen niet bepalen en zal beslissen dat de aandelen van [bedrijf 1] aan de man worden toegedeeld onder de verplichting de helft van de waarde op de peildatum van werkelijke verdeling aan de vrouw te vergoeden.”

3. Bij brief van 31 januari 2017 heeft de vrouw nog aan de orde gesteld de pensioenverevening en heeft zij haar verzoek vermeerderd. Gelet op het gemotiveerde bezwaar van de man tegen de vermeerdering van het verzoek van de vrouw in dit stadium van het appel met verzoeken ter zake van pensioenverevening, zal het hof deze niet bij de beoordeling betrekken. Het hof acht de handelwijze van de vrouw in strijd met een goede procesorde nu zij in dit stadium van het proces nog haar verzoek vermeerdert. Bovendien heeft de deskundige bij het opstellen van het deskundigenbericht geen rekening kunnen houden met de gegevens zoals de vrouw deze op31 januari 2017 in het geding heeft gebracht.

Waarde aandelen

4. De deskundige is in zijn deskundigenbericht tot de volgende conclusies gekomen. De vordering van de onderneming op de man in privé bedraagt € 385.529,-. De deskundige constateert dat dit bedrag inbaar zal zijn, indien de man over andere te liquideren vermogensbestanddelen beschikt dan slechts de vordering op de vrouw uit hoofde van de overeengekomen afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden (€ 207.428,-) tot een beloop van minimaal circa € 180.000,-. Zo niet dan is de waarde van de vordering minimaal op€ 207.428,- (de omvang van de vordering op de vrouw) te stellen. Omdat de deskundige - ondanks herhaalde verzoeken daartoe - niet over alle benodigde stukken van de zijde van de man kon beschikken, is hij er vanuit gegaan dat de vordering geheel inbaar is en vertegenwoordigen de aandelen van [bedrijf 1] (hierna: de holding) op basis van liquidatiewaarde per 31 december 2014 een waarde van € 143.470,-. Indien echter uit wordt gegaan van een inbaarheid van € 207.428,- dan bedraagt de liquidatiewaarde nihil. In de waardering van de aandelen van de holding is de waarde van de deelneming [bedrijf 2] op nihil gesteld, gezien het negatieve eigen vermogen per 31 december 2014 van [bedrijf 2] van € 118.850,-. Om die reden is ook de vordering van de holding op [bedrijf 2] van€ 50.218,- niet inbaar geacht. De tegen fiscale grondslagen gewaardeerde pensioenvoorziening in eigen beheer van € 56.442,- die door de holding is toegezegd, dient ten behoeve van de liquidatiebalans aangepast te worden naar een commerciële waarde van de pensioenverplichting van € 240.796,-.

5. De vrouw kan zich vinden in het deskundigenbericht met uitzondering van de daarin vastgestelde vordering van de man op de vrouw uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden van € 207.428,-. Deze vordering is gebaseerd op verschillende onderlinge verrekeningsposten, waaronder de rekening-courantschuld van € 104.732,- per31 december 2012, terwijl de peildatum 23 mei 2012 is. Bij gebrek aan wetenschap over de hoogte van de rekening-courantschuld op 23 mei 2012 betwist de vrouw dat partijen over de hoogte van de vordering overeenstemming hebben.

6. De man kan zich vinden in de conclusies van de deskundige, maar wenst te benadrukken dat de vordering van de holding op de man oninbaar is, althans inbaar voor maximaal het bedrag van € 194.553,-. De waarde van de aandelen per 31 december 2014 is dan ook nihil. Ter onderbouwing van deze stelling legt de man onder meer de aangifte en aanslag inkomstenbelasting 2014 en de aangifte inkomstenbelasting 2015 over. Het hof begrijpt de stelling van de man aldus dat hij onvoldoende liquide middelen heeft om de vordering te kunnen voldoen.

7. Het hof overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de totale schuld van de man in privé aan de holding per 31 december 2014 € 385.529,- bedraagt. De vrouw stelt dat deze vordering volledig inbaar is. Zij voert hiertoe onder meer aan dat de man een vordering op haar heeft uit hoofde van de afwikkeling huwelijkse voorwaarden die gebruikt kan worden om de schuld af te lossen. Voorts heeft de man een eigen woning met een overwaarde tussen de € 95.000,- en € 200.000,- en is sprake van een eigen vermogen op de balans van € 143.470,-. Ook heeft de man aandelen in [bedrijf 3] In totaal kan de man dan ook over een vermogen van minstens € 400.000,- beschikken, aldus de vrouw. De man heeft deze stellingen gemotiveerd weersproken.

8. Naar het oordeel van het hof is niet gebleken dat de man over liquide middelen dan wel andere vermogensbestanddelen dan de vordering op de vrouw uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden beschikt om de vordering die de holding op hem heeft te voldoen. Uit de aan het hof overgelegde aangifte en aanslag inkomstenbelasting 2014 en aangifte inkomstenbelasting 2015 blijkt dat de man niet tot nauwelijks box 3 vermogen heeft. De man heeft weliswaar een woning in eigendom waarvan de WOZ-waarde in 2016 is vastgesteld op € 535.000,-, maar de man bewoont deze woning met zijn gezin en er rust een hypothecaire geldlening op van € 441.181,-. Uitgaande van een executiewaarde variërend tussen de 70 en 80%, is het hof met de deskundige van oordeel dat de overwaarde op de woning niet in aanmerking kan worden genomen bij het bepalen van de inbaarheid van de vordering. De stelling van de vrouw dat de woning veel meer waard is dan de vastgestelde WOZ-waarde en de overwaarde te gelde kan worden gemaakt, heeft zij, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de man, onvoldoende onderbouwd. Het hof is dan ook van oordeel dat de man niet over de middelen beschikt om de schuld aan de holding te voldoen, anders dan de vordering die hij heeft op de vrouw uit hoofde van de afwikkeling huwelijkse voorwaarden. Het hof gaat daarbij uit van een rekening-courantschuld van € 104.732,- per december 2012, mede gezien de stellingen van de vrouw te dien aanzien in haar beroepschrift, zodat de totale vordering van de man op de vrouw uit hoofde van de afwikkeling huwelijkse voorwaarden € 207.428,- bedraagt. Ook indien uitgegaan wordt van een rekening-courantschuld van € 78.982,- op 23 mei 2012 zoals de vrouw thans stelt, blijft de waarde van de aandelen van de onderneming nihil nu de vordering van de holding op de man niet volledig inbaar is. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen met betrekking tot de toedeling van de aandelen echter met dien verstande dat de waarde van de aandelen in [bedrijf 1] nihil is.

Declaratie deskundige

9. De deskundige heeft om een schadeloosstelling van zijn werkzaamheden gevraagd voor een bedrag van (11.797,50 + 1.815,- =) € 13.612,50. Gezien de aard en omvang van de opdracht acht het hof dit een redelijk bedrag en zal de schadeloosstelling vast stellen conform de door de deskundige gevraagde schadeloosstelling.

10. De kosten van de deskundige moeten door beide partijen voor een gelijk bedrag worden gedragen. Het hof ziet in de stellingen van de vrouw geen aanleiding om de man in de kosten van het deskundigenbericht te veroordelen.

11. Gezien het feit dat de griffier van dit hof reeds de schadeloosstelling ten laste van Rijkskas aan de deskundige heeft betaald, dienen partijen ieder hun aandeel in de schadeloosstelling aan de griffier van dit hof te voldoen. Ieder der partijen dient derhalve aan de griffier van dit hof te voldoen de somma van (13.612,50/2 =) € 6.806,25,-.

Proceskosten

12. Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren. Het hof ziet onvoldoende aanleiding om de vrouw in de kosten van de procedure te veroordelen zoals door de man verzocht.

13. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking met betrekking tot de aandelen [bedrijf 1] en in aanvulling daarop stelt de waarde van de aandelen vast op nihil;

stelt de schadeloosstelling van de deskundige vast op een bedrag van € 13.612,50;

veroordeelt de vrouw in de kosten van het deskundigenonderzoek voor een bedrag van€ 6.806,25, welk bedrag op de voet van artikel 244 Rv dient te worden voldaan aan de griffier van het hof; hiertoe zal de vrouw een factuur ontvangen van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) met betaalinstructies;

veroordeelt de man in de kosten van het deskundigenonderzoek voor een bedrag van € 6.806,25, welk bedrag op de voet van artikel 244 Rv dient te worden voldaan aan de griffier van het hof; hiertoe zal de man een factuur ontvangen van het LDCR met betaalinstructies;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, P.M. van der Zanden enL.H.M. Zonnenberg, bijgestaan door mr. A.C. van Waning als griffier en uitgesproken ter terechtzitting van 5 april 2017.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature