Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online

U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Vrijspraak doodslag/(zware) mishandeling van zwangere ex-vriendin. Veroordeling valsheid in geschrift.

Uitspraak



Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-003014-14

Datum uitspraak: 17 mei 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 25 juli 2014 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15‑710014-14 en 15-710031-14 tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1979,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 februari 2015, 20 januari 2016, 22 november 2016, 10 april 2017, 11 april 2017, 17 mei 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis heeft zowel de officier van justitie als de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Verzoek splitsing

De raadsman heeft ter terechtzitting van 11 april 2017 gepersisteerd bij zijn eerdere verzoek de zaken met de parketnummers 15-710014-14 en 15-710031-14 (valsheid in geschrift) te splitsen op grond van het bepaalde in artikel 285, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

De raadsman heeft op 22 november 2016 betoogd dat splitsing is geïndiceerd omdat er geen verband bestaat tussen de zaken en de voeging niet in het belang is van het onderzoek. Ter terechtzitting van 11 april 2017 heeft hij daaraan toegevoegd dat de verdachte reeds geruime tijd in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht in verband met hetgeen hem in de zaak met parketnummer 15-710014-14 is ten laste gelegd, en dat de verdachte bij de huidige dagvaarding in geval van een integrale vrijspraak van de in die zaak ten laste gelegde feiten, niet in aanmerking komt voor een schadevergoeding voor de tijd die hij ten onrechte in detentie heeft doorgebracht. Dit vormt in combinatie met de eerder aangevoerde gronden een extra reden om de zaken te splitsen, aldus de raadsman.

De advocaat-generaal heeft zich tegen toewijzing van dit verzoek verzet.

Op grond van artikel 285, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering beveelt de rechter de splitsing van gevoegde feiten als hij van oordeel is dat tussen de feiten onvoldoende verband bestaat, dan wel dat de voeging niet in het belang van het onderzoek is. In dit geval zijn de onderzoeken van beide zaken met elkaar verweven. Het valsheid-feit is immers in het onderzoek naar de andere feiten ontdekt en tegelijkertijd onderzocht. Het voortzetten van de gevoegde behandeling is ook uit proceseconomische overwegingen gewenst. De inhoudelijke behandeling van beide zaken heeft immers tegelijkertijd plaatsgevonden en het hof doet in beide zaken op 17 mei 2017 uitspraak. Dat bij een mogelijke vrijspraak voor het ene feit de veroordeling voor het andere feit aan schadevergoeding wegens het ondergaan van voorlopige hechtenis in de weg zou staan, zoals de raadsman heeft betoogd, vormt geen grond voor splitsing van de zaken. Het verzoek wordt afgewezen.

Tenlasteleggingen

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank en in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijzigingen is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

Zaak met parketnummer 15-710014-14:

1 primair: hij op of omstreeks 30 oktober 2013 te [plaats 1] opzettelijk [slachtoffer 1] en haar ongeboren kind van (ongeveer 30 weken zwangerschap) van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet

- die [slachtoffer 1] (meermalen) met kracht met haar hoofd tegen een trap en/of de reling van een trap en/of de grond en/of tegen een ander (hard) voorwerp geslagen en/of;

- die [slachtoffer 1] (hard(van de trap)) geduwd en/of;

- ( ander) onbekend gebleven geweld op die [slachtoffer 1] uitgeoefend;

(waardoor) die [slachtoffer 1] (tegen een hard voorwerp en/of op de grond) ten val en/of terecht is (ge)komen en/of;

- ( vervolgens) de ademhaling van die [slachtoffer 1] op enigerlei wijze belemmerd/haar verstikt en/of;

- ander onbekend gebleven geweld op die [slachtoffer 1] uitgeoefend tengevolge waarvan die [slachtoffer 1] en haar ongeboren kind is/zijn overleden.

1 subsidiair: hij op of omstreeks 30 oktober 2013 te [plaats 1] aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten zuurstoftekort en/of belemmering van de ademhaling en/of hartfalen en/of een hartstilstand en/of de dood van haar ongeboren kind, heeft toegebracht door:

- die (hoogzwangere) [slachtoffer 1] (meermalen) met kracht met haar hoofd tegen een trap en/of de reling van een trap en/of de grond en/of tegen een ander (hard) voorwerp te slaan en/of;

- die [slachtoffer 1] (hard (van de trap]) te duwen en/of;

- ( ander) onbekend gebleven geweld op die [slachtoffer 1] uit te oefenen; (waardoor) die [slachtoffer 1] (tegen een hard voorwerp) ten val is(ge)komen dan wel (hard) op de grond terecht is gekomen en/of;

- ( vervolgens) de ademhaling van die [slachtoffer 1] op enigerlei wijze te belemmeren/haar te verstikken en/of: - ander onbekend gebleven geweld op die [slachtoffer 1] uit te oefenen

tengevolge waarvan die [slachtoffer 1] is overleden.

1 meer subsidiair: hij op of omstreeks 30 oktober 2013 te [plaats 1] opzettelijk [slachtoffer 1] heeft mishandeld immers heeft verdachte die (hoogzwangere) [slachtoffer 1] ,

- ( meermalen) met kracht met haar hoofd tegen een trap en/of de reling van een trap en/of de grond en/of tegen een ander (hard) voorwerp geslagen en/of;

- ( hard (van de trap)) geduwd (waardoor die [slachtoffer 1] (tegen en/of op een hard voorwerp en/of de grond) ten val en/of terecht is gekomen)

tengevolge waarvan die [slachtoffer 1] (en haar ongeboren vrucht) is/(zijn) overleden, althans zwaar lichamelijk letsel (zuurstoftekort en/of belemmering van de ademhaling en/of hartfalen en/of een hartstilstand en/of de dood van haar ongeboren kind) heeft/hebben bekomen.

2 primair: hij op of omstreeks 30 oktober 2013 te [plaats 1] opzettelijk [slachtoffer 1] tot wier onderhoud, verpleging en/of verzorging hij, verdachte, krachtens wet of overeenkomst verplicht was, in een hulpeloze toestand heeft gebracht en/of gelaten, door die (hoogzwangere) [slachtoffer 1] (nadat zij ten val was gekomen en gewond en/of bewusteloos en/of onmachtig was geraakt)

- niet en/of foutief en/of kortdurend zelf te reanimeren en/of;

- geen (adequate) (eerste) hulp te verlenen (zoals bijvoorbeeld haar in een stabiele zijligging leggen) en/of;

- haar in (ernstig) gewonde toestand en/of stervende en/of met hartfalen en/of bewusteloos en/of

- onmachtig alleen achter te laten in een trappenhuis van een flat en/of;

- ( vervolgens) geen (adequate) (medische) hulp in te roepen voor die (zwaar) gewonde en/of bewusteloze en/of onmachtige en/of stervende (hoogzwangere) [slachtoffer 1]

tengevolge waarvan die [slachtoffer 1] is overleden, althans zwaar lichamelijk letsel (een hoofdwond en/of hartfalen en/of een hartstilstand en/of zuurstoftekort en/of belemmering van de ademhaling en/of de dood van haar ongeboren kind) heeft bekomen.

2 subsidiair: hij op of omstreeks 30 oktober 2013 te [plaats 1] opzettelijk de gezondheid van [slachtoffer 1] heeft benadeeld immers heeft verdachte

- die [slachtoffer 1] niet althans onvoldoende (lang) zelf gereanimeerd en/of zelf geen (adequate) (eerste) hulp verleend (zoals bijvoorbeeld haar in een stabiele zijligging leggen) en/of

- nagelaten 112 te bellen en/of (daardoor) adequate medische hulp in te schakelen en/of

- die [slachtoffer 1] (ernstig) gewond en/of stervende achtergelaten en/of alleen gelaten,

tengevolge waarvan deze [slachtoffer 1] is overleden, althans zwaar lichamelijk letsel (zuurstoftekort en/of belemmering van de ademhaling en/of hartfalen en/of een hartstilstand en/of het verlies van haar ongeboren kind heeft bekomen.

Zaak met parketnummer 15-710031-14:

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 7 november 2013 te Amsterdam en/of te Leiden en/of te Leiderdorp en/of te Purmerend en/of te Woerden, en/althans (elders) in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een) vals(e) of vervalst(e) diploma(’s) en/of cijferlijst(en), te weten:

- een bachelordiploma Bestuurskunde, althans een Bachelor degree of Public Administration en/of (een) (bijbehorende) cijferlijst van de Rijksuniversiteit Leiden en/of

- een propedeusediploma en/of cijferlijst van de opleiding Medische Biologie van de Universiteit van Amsterdam en/of

- een masterdiploma Geneeskunde, althans een Drs. degree General Medicine en/of (een) (bijbehorende) cijferlijst(en) van de Universiteit van Amsterdam,

- ( elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware die/dat geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, meermalen, althans eenmaal, dat/die diploma(’s) en/of cijferlijst(en) heeft overlegd aan

- een of meer werkgever(s) te weten [werkgever 2] en/of [werkgever 3] en/of [werkgever 4] en/of [werkgever 1] (ter verkrijging van (een) ba(a)n(en)/arbeidscontract(en)), en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat bovengenoemd(e) diploma(’s) en/of cijferlijst(en) (op een computer) geheel valselijk is/zijn opgemaakt en/of (vervolgens) is/zijn uitgeprint.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Geldigheid van de dagvaarding in de zaak met betrekking tot het overlijden van [slachtoffer 1] en haar ongeboren kind (parketnummer 15-710014-14)

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting van 11 april 2017 gepersisteerd bij het door zijn voorganger mr. W.J. Ausma ter terechtzitting van 20 januari 2016 gevoerde preliminaire verweer. Dit verweer houdt in dat de tenlastelegging door de toegelaten vordering tot wijziging daarvan innerlijk tegenstrijdig is, omdat de verdachte onder feit 1 een handelen en onder feit 2 een nalaten wordt verweten. De dagvaarding dient daarom nietig te worden verklaard.

Het hof heeft dit verweer ter terechtzitting van 20 januari 2016 als volgt verworpen:

“Het hof stelt vast dat met de gewijzigde tenlastelegging feiten afzonderlijk ten laste zijn gelegd teneinde daarover een oordeel van het hof te verkrijgen. Naar het oordeel van het hof maakt dit de tenlastelegging nog niet innerlijk tegenstrijdig. Het hof, dat de tenlastelegging leest tegen de achtergrond van de inhoud van het dossier, zal moeten beoordelen welk gedeelte wel, dan wel niet, bewezen is en, in geval van een bewezenverklaring, welke gevolgen dit heeft voor de strafmaat.”

Het hof handhaaft deze vaststelling en dit oordeel. In aanvulling hierop geldt het volgende.

Een tenlastelegging is innerlijk tegenstrijdig als cumulatief twee mogelijkheden worden gepresenteerd die niet naast elkaar kunnen bestaan.

Aan de verdachte is onder feit 1 ten laste gelegd – kort gezegd – dat hij geweld heeft gebruikt tegen [slachtoffer 1] ten gevolge waarvan zij is komen te overlijden. Na wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep wordt de verdachte onder feit 2 verweten – kort gezegd – dat hij heeft nagelaten jegens [slachtoffer 1] de nodige zorg te betrachten (door medische hulp in te schakelen) ten gevolge waarvan zij is komen te overlijden.

De feiten 1 en 2 hebben – mede bezien in het licht van de gedragingen die onder de gedachtestreepjes zijn opgenomen – betrekking op verschillende gedragingen en feitencomplexen, die zowel tezamen als afzonderlijk van elkaar tot een bewezenverklaring zouden kunnen leiden. Daarom is de dagvaarding niet innerlijk tegenstrijdig. Dat feit 1 op een commissiedelict en feit 2 op een omissiedelict ziet, maakt dit oordeel niet anders.

Het hof verwerpt derhalve het verweer.

De zaak met betrekking tot het overlijden van [slachtoffer 1] en haar ongeboren kind (parketnummer 15-710014-14)

Het hof zal hierna eerst ingaan op de aanleiding voor het strafrechtelijk onderzoek naar het overlijden van [slachtoffer 1] en haar ongeboren kind en op de verdachte omstandigheden die gedurende het onderzoek naar voren zijn gekomen, te weten a) de bloedsporen in het trappenhuis, b) de verslechterde relatie tussen de verdachte en [slachtoffer 1] , c) feiten en omstandigheden betreffende de verdachte in de ochtend van 30 oktober 2013, d) de verklaringen van de verdachte daarover, e) feiten en omstandigheden betreffende de verdachte in de middag van 30 oktober 2013 en f) de verdwenen tas, sleutels en telefoon van [slachtoffer 1] . Vervolgens zullen de standpunten van de advocaat-generaal en de verdediging kort en zakelijk worden weergegeven, alvorens het hof – aan de hand van de inhoud van het strafdossier en hetgeen ter terechtzitting aan de orde is gekomen – tot een oordeel zal komen over de bewezenverklaring van de aan de verdachte ten laste gelegde feiten.

De aanleiding voor strafrechtelijk onderzoek

Op 30 oktober 2013 om 12.28 uur is bij de Gemeenschappelijke meldkamer Hollands-Midden een verzoek binnengekomen om te gaan naar de [straat] in [plaats 1] . [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ), bewoner van de zesde verdieping van de flat aan de [straat] gaf daarbij aan dat hij zojuist in het trappenhuis van zijn flat een zwangere vrouw heeft aangetroffen die vermoedelijk dood is. Zij ligt op haar rug met haar bovenlichaam nog op de trap. Haar benen liggen op het tussenstuk tussen de trappen van de tweede en derde verdieping. Op haar handen en gezicht zit bloed. [getuige 1] heeft meteen een 112-melding gedaan. Hij is even van haar weggelopen, maar volgt de telefonische instructie om weer naar de vrouw terug te gaan en om haar plat op de grond op haar rug te leggen. [getuige 1] geeft vervolgens aan dat zij al koud aanvoelt.

Om 12:35 uur constateert de inmiddels gearriveerde politie dat de toen nog onbekende vrouw geen hartslag of ademhaling heeft en wordt de reanimatie gestart. De zwangere vrouw ligt volgens de verbalisanten met haar hoofd in een plas helder vocht en bloed.

Om 12:37 uur en 12:38 uur zijn vervolgens ambulances ter plaatse gekomen. Ambulancepersoneel heeft de reanimatie toen overgenomen. De zwangere vrouw is om 13:07 uur met een eigen hartritme en met bloedcirculatie naar het LUMC (Leids Universitair Medisch Centrum) gebracht. Na onderzoek in het ziekenhuis blijkt het kind in de baarmoeder te zijn overleden. Omstreeks 14:00 uur, na een spoedkeizersnede, overlijdt ook de moeder.

De zwangere vrouw is door een medebewoonster van de flat herkend als de bewoonster van [straat] [huisnummer 1] . Het blijkt te gaan om [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ). De na de 112-melding ter plaatse verschenen hoofdagent [verbalisant] heeft, nadat de ambulancebroeders de reanimatie hadden overgenomen, gezocht naar persoonlijke spullen van de vrouw die haar identiteit zouden kunnen bevestigen, maar heeft in het trappenhuis geen tas, telefoon of portemonnee aangetroffen. Haar identiteit is later bevestigd door familieleden. [slachtoffer 1] is 30 weken en 6 dagen zwanger geweest.

Gelet op de in het trappenhuis van de [flat] aangetroffen situatie, waaronder een plas bloed met een veegspoor op de derde etage, zag voornoemde [verbalisant] aanleiding om de technische en de tactische recherche in kennis te laten stellen. Nadat het slachtoffer was overgebracht naar het LUMC is, vanwege de grote plas bloed op de derde etage en omdat onbekend was hoe [slachtoffer 1] terecht was gekomen op de plek waar zij werd gevonden en wat er gebeurd was, het trappenhuis vanaf de vierde etage naar beneden tot aan de tweede etage afgesloten en als plaats delict aangemerkt.

Het ziekenhuis heeft op de dag van het overlijden van [slachtoffer 1] en haar ongeboren kind geen verklaring natuurlijk overlijden afgegeven. Na een schouw om 17:00 uur diezelfde middag heeft de gemeentelijke lijkschouwer verklaard er niet van overtuigd te zijn dat de dood ten gevolge van een natuurlijke oorzaak is ingetreden.

Na aanwijzingen dat sprake is van een slechte en gespannen relatie tussen [slachtoffer 1] en haar ex, zijnde de verdachte, wordt hij op 1 november 2013 voor het eerst als zodanig door de politie gehoord.

Verdachte omstandigheden

a. De bloedsporen in het trappenhuis

Op het trapbordes waar [slachtoffer 1] is aangetroffen zijn enkele bloedvegen aangetroffen. Ook op de trap omhoog naar de derde etage werden op enkele spijlen onderaan bloedvegen aangetroffen. Op het hoger gelegen bordes van de derde etage, waarop de voordeur van [slachtoffer 1] uitkomt, lag meer bloed. Daar is nabij het stalen hekwerk van de trap een plas bloed met daaromheen diverse ronde bloeddruppels aangetroffen. Tevens werd op dit bordes bloed aangetroffen in de vorm van een veegspoor. Verder werden op de opgaande betonnen trap op de rand van de eerste trede en de trapboom en de onderste rand van het metalen hek bloedveegjes aangetroffen.

b. De verslechterde relatie tussen de verdachte en [slachtoffer 1]

De verdachte en [slachtoffer 1] hebben elkaar in 2006 leren kennen via het werk. Zij kregen na enige tijd met elkaar te zijn omgegaan een zoontje, [naam 1] . Na zijn geboorte heeft [slachtoffer 1] enige tijd bij de verdachte in huis gewoond. Nadat [slachtoffer 1] daar was vertrokken, bleven de verdachte en zij elkaar met enige regelmaat zien, waarbij het ook tot seksuele contacten kwam. Op 30 oktober 2013 was [slachtoffer 1] opnieuw zwanger van de verdachte.

De verdachte en [slachtoffer 1] hadden tot kort voor de ten laste gelegde feiten regelmatig contact met elkaar, onder meer over hun zoontje [naam 1] . Op een in beslag genomen mobiele telefoon van de verdachte bleek een groot aantal historische gegevens te zijn gewist, die weer zichtbaar konden worden gemaakt. Uit het zo achterhaalde sms-verkeer blijkt dat de verdachte en [slachtoffer 1] in de periode juli tot en met oktober 2013 een gespannen verhouding hadden. Zij maakten ruzie over de omgang met [naam 1] en over het paspoort van [naam 1] , dat de verdachte kennelijk niet aan [slachtoffer 1] wilde afgeven.

De discussie tussen beiden heeft geleid tot een vonnis van de rechtbank Den Haag van [datum] , waarin de verdachte op straffe van een dwangsom van maximaal € 10.000 is veroordeeld tot onder meer het nakomen van de omgangsregeling en tot het afgeven van het paspoort van [naam 1] aan [slachtoffer 1] . Uit hoofde van dit vonnis heeft de verdachte dwangsommen verbeurd tot het maximale bedrag. De deurwaarder heeft op 19 september 2013 loonbeslag gelegd onder [werkgever 1] , de werkgever van de verdachte.

Op 16, 22, 23, 24 en 30 oktober 2013 heeft de verdachte telefonisch contact gehad met het deurwaarderskantoor. Het deurwaarderskantoor heeft aangetekend dat de verdachte “heel boos” was.

De moeder van [slachtoffer 1] en de broer van [slachtoffer 1] hebben als getuigen verklaard dat [slachtoffer 1] hun heeft verteld dat zij had ontdekt dat de verdachte haar ‘begluurde’, dat ze zich niet meer veilig voelde en bang was dat de verdachte haar wat aan zou doen. Zij heeft hun gezegd dat zij hem omstreeks medio oktober in een auto voor haar flat zag zitten en zag dat hij erg schrok toen hij merkte dat zij hem gezien had. In sms-berichten van [slachtoffer 1] aan de verdachte lijkt zij hieraan te refereren: “… laat me in het vervolg met rust, gluurder” en “Van gluurders wordt ik niet bepaald vriendelijk!” (23 resp. 25 oktober 2013). De stiefvader van [slachtoffer 1] heeft als getuige verklaard dat [slachtoffer 1] doodsbang was voor de verdachte, vooral de laatste tijd.

c. Feiten en omstandigheden betreffende de verdachte in de ochtend van 30 oktober 2013

[slachtoffer 1] had op 30 oktober 2013 om 09:00 uur een afspraak in het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) bij de verloskunde polikliniek voor het maken van een echo.

Verbalisanten hebben camerabeelden bekeken die zijn gemaakt op 30 oktober 2013 tussen 08:00 uur en 11:00 uur van het verkeer rondom het centraal station in Leiden. Camera V22, die zicht heeft op het verkeer onder het viaduct vanaf het Schuttersveld in de richting van de Rijnsburgerweg, heeft geregistreerd dat op 30 oktober 2013 om 08:45:02 uur een blauw voertuig – dat qua vorm en kleur overeenkomt met het voertuig van [slachtoffer 1] – vanaf het Schuttersveld in de richting van de Rijnsburgerweg kwam aangereden en de tunnel inreed. Om 08:45:07 uur reed een donkerkleurig voertuig met daarin een lichtkleurige hoed rechts op de hoedenplank, vanuit dezelfde richting als de blauwe auto. Dit voertuig reed ook de tunnel in. Camera V18, die toezicht houdt op dezelfde weg, heeft geregistreerd dat om 08:45:20 uur een blauwe [auto 1] met kenteken [kenteken 1] , de tunnel is ingereden. Dit voertuig behoort toe aan [slachtoffer 1] . Een donkerkleurige [auto 2] met kenteken [kenteken 2] , toebehorende aan de verdachte, is om 08:45:20 uur de tunnel ingereden. Rechts op de hoedenplank van deze auto lag een lichtgekleurde hoed. Door camera D007, die is gepositioneerd bij de rotonde bij het LUMC met het zicht in de richting van de Wassenaarseweg te Leiden, is geregistreerd dat een blauw voertuig, dat lijkt op de auto van [slachtoffer 1] , om 08:47:19 uur vanaf de Wassenaarseweg de rotonde in de richting van het LUMC is gereden. Om 08:47:57 uur is te zien dat door een donkerkleurige auto, die wat betreft het model en de kleur overeenkomt met de auto van verdachte, dezelfde weg werd afgelegd.

Om 09:07 uur heeft de verdachte met zijn telefoon een foto gemaakt van een brief op een computerscherm. De brief hield een verklaring in met daaronder de naam van [naam 2] , een vriend van de verdachte, met betrekking tot het ophalen van het paspoort van [naam 1] op 9 augustus 2013. De brief is gedateerd 24 oktober 2013. De verdachte heeft tussen 09:10 uur en 09:15 uur een aantal telefoontjes gepleegd met diverse ziekenhuizen. Hierbij werd het basisstation Bloemerd te [plaats 1] aangestraald. Dat staat in de nabije omgeving van de woning van de verdachte.

Om 09:27 uur heeft de verdachte een WhatsApp-bericht gestuurd naar zijn schoonmoeder, [naam 3] , waarin hij vraagt of zij [naam 1] die dag wil opvangen indien hij half zes niet redt.

[slachtoffer 1] had op 30 oktober 2013 om 09:45 uur nog een andere afspraak in het LUMC, deze keer voor het bezoeken van een verpleegkundig spreekuur. Om 09:52 uur is de betaalpas van [slachtoffer 1] gebruikt in het LUMC. Daarna zijn met de betaalpas van [slachtoffer 1] geen transacties meer verricht. Om 09:54 uur heeft zij haar voicemail afgeluisterd.

Op de door verbalisanten bekeken camerabeelden van het verkeer rondom het centraal station in Leiden, is te zien dat om 10:02:53 uur een donkerkleurige auto rechts op de hoedenplank een lichtkleurige hoed, de tunnelbak in de richting van het LUMC inreed. Op camera D007, rotonde LUMC met zicht in de richting van de Wassenaarseweg, is te zien dat vermoedelijk de auto van de verdachte om 10:04:33 uur de rotonde opreed in de richting van het LUMC. Vervolgens is te zien dat de [auto 1] van [slachtoffer 1] om 10:17:05 uur vanuit de richting van het LUMC de rotonde is opgereden in de richting van de Wassenaarseweg. De [auto 2] van de verdachte is om 10:17:51 uur eveneens uit de richting van het LUMC de rotonde opgereden in de richting van de Wassenaarseweg. Om 10:19 uur stond de auto van [slachtoffer 1] links voorgesorteerd te wachten voor het verkeerslicht dat linksaf gaat in de richting van de Willem de Zwijgerlaan te Leiden. De auto van de verdachte stond in dezelfde rij te wachten. Om 10:20:22 uur reed de auto van [slachtoffer 1] de tunnelbak in, in de richting van de Plesmanlaan. De [auto 2] van de verdachte is om 10:20:38 uur achter voornoemd voertuig aangereden, zij het dat de [auto 2] beduidend langzamer reed dan de [auto 1] .

d. De verklaringen van de verdachte over de ochtend van 30 oktober 2013

Zoals hiervoor is gebleken, heeft de verdachte op twee momenten gedurende de ochtend van 30 oktober 2013 zichtbaar voor de verkeerscamera’s in zijn auto achter [slachtoffer 1] aangereden. Hij reed achter haar aan toen zij richting het LUMC reed en, nadat hij tussendoor thuis had gewerkt, opnieuw toen zij het LUMC weer had verlaten. De verdachte heeft pas tijdens het vijfde verhoor, op 10 november 2013, toegegeven dat hij [slachtoffer 1] is tegengekomen op de ochtend van 30 oktober 2013, nadat hem deze onderzoeksresultaten van de camerabeelden waren bekendgemaakt. Voor het bekendmaken van die resultaten bleef hij zich op het standpunt stellen dat hij haar al geruime tijd niet meer had gezien.

Waar de verdachte aanvankelijk, in lijn met dat standpunt, in de eerste zeven verhoren heeft verklaard op 30 oktober 2013 niet in het flatgebouw te zijn geweest waar [slachtoffer 1] woonde, verklaarde hij op 15 november 2013 hier wel te zijn geweest, [slachtoffer 1] te hebben gesproken en uiteindelijk, nadat hij haar boven gewond had aangetroffen, te hebben gereanimeerd. Pas geruime tijd nadat hij op 7 augustus 2014 hoger beroep had ingesteld, wijzigde hij zijn positie. Voorafgaand aan de eerste regiezitting in hoger beroep schreef de toenmalige raadsman op 13 februari 2015 aan het hof dat de verdachte afstand nam van de verklaring dat hij in het trappenhuis aanwezig was geweest. Als reden om op 15 november te verklaren dat hij in het trappenhuis van de [flat] is geweest, heeft de verdachte later opgegeven dat hij in zijn cel bezoek had gekregen van de Raad voor de Kinderbescherming, die hem uithuisplaatsing van [naam 1] hadden aangezegd. De verdachte heeft verklaard dat hij vermoedde snel naar huis te kunnen als hij duidelijkheid kon verschaffen over de gebeurtenissen in het trappenhuis, en zo zelf weer voor zijn zoon zou kunnen zorgen. De verklaring van 15 november 2013 zou, volgens de verklaringen van de verdachte in de hoger beroepsfase, geheel zijn gebaseerd op hetgeen zich in het voorgeleidingsdossier bevond dat hem op of rond 11 november 2013 ter beschikking was gesteld.

e. Feiten en omstandigheden betreffende de verdachte in de middag van 30 oktober 2013

Om 12:14 uur heeft de verdachte gebeld naar zijn zus [naam zus] , waarbij de paal Bloemerd werd aangestraald, die in de omgeving van zijn woning staat. Vervolgens belde hij om 12:18 uur het nummer van [slachtoffer 1] (paal Zijldonk te Leiden) en om 12:21 uur zijn advocaat, mr. Visser (paal Veenerdijk te Rijpwetering).

Om 12:30 uur heeft de verdachte naar het LUMC gebeld voor het maken van een afspraak bij de afdeling huidziekten. Bij dit telefoongesprek is de zendmast Rijnlanderweg te Hoofddorp aangestraald.

Om 12:39 heeft de verdachte, naar eigen zeggen rijdend in de auto, een selfie gemaakt van zijn kin, waarop wondjes te zien zijn.

Om 12:40 uur heeft de verdachte gebeld naar het medisch centrum te Alkmaar. Het basisstation Laaglandersluis te Velsen werd hierbij aangestraald. Om 12:53 uur heeft de verdachte nogmaals getracht [slachtoffer 1] te bereiken. Dit contact duurde 43 seconden en daarbij werd gebruik gemaakt van de zendmast Pr. Alexanderstraat te Alkmaar.

In de werkagenda van de verdachte stond dat hij een afspraak had in het Medisch Centrum in Alkmaar (hierna: MCA) om 12:30 uur, hetgeen wordt bevestigd door de getuige [getuige 2] . De verdachte arriveerde daar pas omstreeks 13:10 uur en rook opvallend sterk (en anders dan anders) naar aftershave. De collega’s die op dezelfde kamer zitten als [getuige 2] , hebben het raam opengedaan op het moment dat de verdachte de ruimte had verlaten. Het was [getuige 2] voorts opgevallen dat de verdachte ditmaal niet veel werk controleerde. Ze had verwacht dat hij langer bezig zou zijn. Hij leek wat onrustiger dan anders. Ook getuige [getuige 3] , met wie de verdachte een afspraak had in het MCA, valt op dat de verdachte – die anders altijd op tijd kwam – te laat was voor de afspraak. De verdachte kwam ook op hem onrustig over.

In de loop van de middag probeert de verdachte verschillende keren contact op te nemen met [slachtoffer 1] . De eerste keer om 12:18 uur per telefoon, dan om 12:29 uur en 15:26 uur per e-mail, om 16:01 uur opnieuw per telefoon en om 18:27 uur per sms.

f. De tas, sleutels en telefoon van [slachtoffer 1]

droeg altijd een tas bij zich waarin zij haar sleutels en portemonnee bewaarde. Ook had zij altijd haar mobiele telefoon bij zich, verklaren verschillende getuigen uit haar omgeving. Bij het aantreffen van [slachtoffer 1] in het trappenhuis zijn echter geen persoonlijke spullen van haar aangetroffen en ook bij nader onderzoek zijn de ontbrekende tas, sleutels en mobiele telefoon van [slachtoffer 1] nooit gevonden.

Van de mobiele telefoon van [slachtoffer 1] is bekend dat deze op 30 oktober 2013 om 08:00:48 uur een datasessie is gestart die in totaal 16.387 seconden heeft geduurd. Hierbij werd als eerste het basisstation Koekoekstraat 1 te [plaats 1] aangestraald. Het betrof een langdurige doorlopende datasessie. De doorlopende datasessie moet worden onderscheiden van het daadwerkelijke dataverkeer. Een doorlopende datasessie is de administratieve toegang van de telefoon tot het dataverkeer en uit het bestaan van een dergelijke sessie is niet af te leiden op welk(e) moment(en) de telefoon daadwerkelijk data heeft gebruikt. Van het daadwerkelijke dataverkeer kan niet worden vastgesteld op welk tijdstip dit is geëindigd. Wel staat vast dat het laatst geregistreerde daadwerkelijke netwerkcontact van de telefoon heeft plaatsgevonden om 09:54 uur. Op dit tijdstip werd de voicemail beluisterd en werd gebruik gemaakt van het basisstation Albinusdreef te Leiden. Er zijn na 09:54 uur geen contacten in de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van [slachtoffer 1] geregistreerd. Dit kan betekenen dat geen gebruik meer is gemaakt van het telefoonnummer, dat het telefoonnummer geen bereik meer had in het netwerk, dat het telefoontoestel uitstond of defect was, of dat de telefoon in de zogenoemde vliegtuigmodus stond. Wel heeft het WhatsApp-account van [slachtoffer 1] (voor het laatst) contact gemaakt met de WhatsApp-server om 12:19 uur. Het kan niet worden vastgesteld van welke zendmast daarbij gebruik is gemaakt, omdat alleen het basisstation wordt geregistreerd dat is gebruikt bij het opzetten van de dataverbinding, in dit geval om 08:00:48 uur. Evenmin is vast te stellen of dit contact met WhatsApp via een wifi-netwerk is gelegd.

In de periode na 30 oktober 2013 heeft het toestel (IMEI-nummer) van [slachtoffer 1] geen contact meer gemaakt met het telecomnetwerk. Vermoedelijk stond de telefoon uit of was de telefoon defect.

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal acht bewezen dat de verdachte zijn ex-partner [slachtoffer 1] en hun ongeboren kind van het leven heeft beroofd, door met dat opzet onbekend gebleven geweld op [slachtoffer 1] uit te oefenen, ten gevolge waarvan zij en haar ongeboren dochter zijn overleden. Daarnaast acht de advocaat-generaal bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het in hulpbehoevende toestand achterlaten en het niet inschakelen van medische hulp. Zij is van oordeel dat van overlijden door een misdrijf moet worden uitgegaan en voert daartoe aan dat de kans op spontaan overlijden van een gezonde vrouw zeer zeldzaam is, dat geweld op de hals, leidend tot overlijden, geen sporen hoeft na te laten, dat de verdachte medische kennis heeft, dat de verdachte een motief heeft en geen alibi, dat persoonlijke spullen van [slachtoffer 1] zijn verdwenen, dat de verdachte een alibi heeft proberen te creëren en belastende gegevens heeft laten verdwijnen, dat de verdachte gelegenheid heeft gehad om [slachtoffer 1] en haar ongeboren dochter van het leven te beroven, dat hij haar heeft achtervolgd op de dag van haar overlijden en dat de verdachte zich na enkele verhoren plaatste op de plaats delict, maar die verklaringen later introk en kennelijk leugenachtig verklaarde.

Het standpunt van de verdachte

Hoewel de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard op 30 oktober 2013 [slachtoffer 1] in het trappenhuis van de [flat] te hebben ontmoet en – tegen die achtergrond – eerder ook heeft meegewerkt aan een reconstructie van hetgeen daar is gebeurd, heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep ontkend dat hij op 30 oktober 2013 in het trappenhuis van de [flat] is geweest. Hij ontkent elke betrokkenheid bij haar overlijden. Namens de verdachte is allereerst aangevoerd dat het zeer waarschijnlijk is dat [slachtoffer 1] pas rond 12:25 uur uit haar huis is vertrokken, terwijl de verdachte toen allang met de auto op weg was naar Alkmaar. Hij kan daarmee niets met de val of de dood te maken hebben gehad. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat de dood waarschijnlijk niet door van buiten komend geweld veroorzaakt is en dat een alternatief scenario van natuurlijk overlijden beter bij het dossier past dan de stelling van het Openbaar Ministerie dat de verdachte de dood moet hebben veroorzaakt. [slachtoffer 1] is volgens de verdediging overleden als gevolg van hartfalen en dat is hoogstwaarschijnlijk veroorzaakt door een val van de trap.

Gelet op het voorgaande is namens de verdachte vrijspraak bepleit.

Het oordeel van het hof

Het hof staat na langdurig strafrechtelijk onderzoek in deze zaak voor de vraag of kan worden vastgesteld dat het overlijden van [slachtoffer 1] en haar ongeboren kind verband houdt met enig strafbaar handelen en zo ja, of de verdachte op enige manier betrokken is geweest bij hetgeen [slachtoffer 1] en haar ongeboren kind op 30 oktober 2013 is overkomen en of dit maakt dat hetgeen wat hem door het Openbaar Ministerie wordt verweten, wettig en overtuigend is bewezen.

De doodsoorzaak van [slachtoffer 1]

De gemeentelijke lijkschouwer, [lijkschouwer] , heeft op 30 oktober 2013 bij een schouw van het lichaam van de inmiddels overleden [slachtoffer 1] de volgende letsels waargenomen:

boven op het behaarde hoofd centraal een bijna recht verlopende scheurwond van ongeveer drieënhalve centimeter lang tot op de hersenschedel;

op de linkerschouder ter hoogte van het schouderblad een verkleuring van de huid passend bij een blauwe plek;

rondom het linkeroog voornamelijk op het bovenooglid een verkleuring en zwelling van de huid passend bij een blauwe plek; links op de neusrug een kleine verwonding.

Bij de sectie is door de arts en patholoog [patholoog] geen anatomische en geen toxicologische doodsoorzaak gevonden. Zij heeft op 30 december 2013 gerapporteerd dat er als gevolg van bij leven opgelopen uitwendig inwerkend botsend geweld onderhuidse bloeduitstortingen verspreid over de romp en de ledematen waren en dat er een huidscheur was bovenop de kruin. De letsels passen naar haar oordeel goed bij letsels ontstaan door een val van de trap waarbij het hoofd ergens tegenaan is gebotst/geslagen. Op grond van de sectiebevindingen kunnen letsels door derden toegebracht niet worden uitgesloten. Het oplopen van de letsels is voor de dood niet van betekenis geweest. Er waren bij sectie geen ziekelijke orgaanafwijkingen waargenomen waarmee het intreden van de dood was te verklaren.

Forensisch arts KNMG, [forensisch arts] , rapporteert op 22 april 2014 dat slechts in zeer beperkte mate iets van de doodsoorzaak is te zeggen, maar dat het gezien de hoofdwond van [slachtoffer 1] en de lichtstijve pupillen voor de hand ligt om te veronderstellen dat het hoofdletsel heeft geleid tot een ademhalings- en circulatiestilstand.

De doodsoorzaak van het ongeboren kind

Op 30 oktober 2013 is om 13:35 uur door middel van echoscopisch onderzoek geconstateerd dat het ongeboren kind, een meisje, was overleden. Volgens forensisch arts [forensisch arts] is het kind naar alle waarschijnlijkheid overleden als gevolg van de instabiele bloedcirculatie bij de moeder, leidend tot een reanimatiesetting.

Wanneer is [slachtoffer 1] gewond geraakt en heeft de verdachte daarmee een alibi?

De verdediging gaat er – in tegenstelling tot de advocaat-generaal – vanuit dat [slachtoffer 1] niet eerder dan omstreeks 12:25 uur uit haar woning vertrokken is en daarna gewond is geraakt. De verdachte was op dat moment reeds aantoonbaar met zijn auto onderweg naar Alkmaar en heeft aldus een alibi.

De navolgende vier feiten maken volgens de verdediging dat het eigenlijk niet anders kan dan dat [slachtoffer 1] omstreeks 12:25 uur ten val kwam:

het bloed op het tussenplateau tussen de tweede en derde etage was nog helder en nat toen de hulpdiensten ter plaatse waren;

het kind had op dat moment nog hartritme;

de telefoon van [slachtoffer 1] heeft omstreeks 12:19 uur nog contact gemaakt met WhatsApp;

de kans op een succesvolle reanimatie neemt elke minuut dat niet gereanimeerd wordt met 10 procent af en het is nog mogelijk gebleken om, nadat de hulpdiensten zeven minuten na de melding ter plaatse waren verschenen, aanvankelijk succesvol te reanimeren.

Het hof gaat, naast de al eerder vermelde feiten en omstandigheden met betrekking tot telefoongegevens en tot het aantreffen van [slachtoffer 1] , uit van het volgende.

Op 30 oktober 2013 rond 11:00 uur heeft de getuige [getuige 4] (hierna: [getuige 4] ), bewoonster van [flat] [huisnummer 2] , [slachtoffer 1] aan zien komen rijden in haar auto. Het duurde volgens deze getuige heel lang voordat [slachtoffer 1] uit de auto kwam. [slachtoffer 1] kwam vervolgens langzaam aanlopen en had een tas bij zich. Zij zag er erg moe en bleek uit. [getuige 4] stond in de hal van de flat en zag dat [slachtoffer 1] het flatgebouw binnenkwam en via een deur die met een sleutel moet worden geopend de andere hal inging waar de trap en de lift zijn. [getuige 4] , die op de tweede etage woont, is omstreeks 11:10 uur via de trap naar haar woning teruggegaan en heeft [slachtoffer 1] , die op de derde etage woonde, niet meer gezien.

Omstreeks 11:45 à 12:00 uur is [getuige 4] via de trap weer naar beneden gelopen. Zij heeft verklaard dat zij toen [slachtoffer 1] niet heeft zien liggen. Uit het forensisch onderzoek, in het bijzonder de foto- en video-opnamen van de zichtlijn die men heeft als men vanaf de galerij van de tweede etage (nummer 25 tot en met 43) komt richting het trappenhuis, is gebleken dat het deel van het plateau/de trap tussen de tweede en derde verdieping waar het lichaam van [slachtoffer 1] is aangetroffen, voor [getuige 4] niet zichtbaar is geweest.

Om 12:00 uur werd [slachtoffer 1] bij de basisschool van [naam 1] verwacht om hem op te halen, maar daar is zij niet verschenen. Deze school ligt dicht bij de [adres] te [plaats 1], zijnde de woning van de verdachte, en de reisduur vanaf de [straat] naar die woning bedraagt tussen de zeven en tien minuten.

Tussen 10:51 uur en 12:00 uur zijn geen telefoongesprekken met de toestellen van de verdachte geregistreerd. De verdachte had vier gemiste oproepen tussen 12:00 uur en 12:13 uur op het telefoonnummer eindigend op 7165, waaronder een gemiste oproep van zijn zus, [naam zus] , om 12:10 uur. Dit gesprek werd na vier seconden doorgeschakeld naar de voicemail. Hierbij werd van basisstation Bloemerd gebruik gemaakt. Om 12:14 uur heeft de verdachte gebeld naar [naam zus] , waarbij hetzelfde basisstation werd aangestraald.

De verpleegkundige van de eerste ambulance die aan de [straat] ter plaatse was gekomen, [ambulancemedewerker] , heeft op 20 februari 2014 tegenover de politie verklaard dat zij het hart van [slachtoffer 1] weer aan de gang hebben gekregen, mede omdat het ging om een jong iemand van ongeveer 30 jaar, die over het algemeen een sterk hart heeft, maar dat dit nog geen garantie is dat die persoon het ook overleeft. Als de hersenen niet meer functioneren, kan het hart nog wel doorgaan, maar is de kans op overleven niet groot. Op de vraag hoe lang zij zelf dacht dat [slachtoffer 1] daar al had gelegen, heeft zij geantwoord: “Ik denk dat ze er niet zo lang lag, maar het is heel lastig te zeggen. Het is moeilijk in te schatten. Misschien 10 of 15 minuten? Ik denk niet zo lang, omdat het bloed nog nat was en omdat het ongeboren kind aanvankelijk ook nog een hartritme had. Dat het bloed nog nat was, weet ik omdat er bloed op mijn broek was gekomen”.

Op 25 en 26 maart 2014 is per e-mail (via aandachtsfunctionaris forensische zaken [naam 4] verzocht deze mededeling (het hof begrijpt: de mededeling over het hartritme van het ongeboren kind), toe te lichten. [ambulancemedewerker] zou toen desgevraagd hebben verklaard dat dit geen eigen waarneming is geweest, maar dat zij dit een paar dagen na de reanimatie had vernomen in het LUMC van een niet bij naam bekende neonatoloog die betrokken zou zijn geweest bij de spoedkeizersnede van [slachtoffer 1] . Deze neonatoloog zou hebben verklaard dat het kind nog trage hartactie had, maar dat het na geboorte alsnog overleden was.

Volgens de rapportage van de forensisch arts [forensisch arts] , van 22 april 2014, wordt deze verklaring van [ambulancemedewerker] echter schriftelijk weerlegd door de behandelend artsen. Hij wijst erop dat echoscopisch onderzoek van de foetus tijdens de reanimatie in het ziekenhuis aantoonde dat het kind in de baarmoeder was overleden.

Op grond van de voorgaande feiten en omstandigheden stelt het hof vast dat [slachtoffer 1] ná 11:00 uur gewond moet zijn geraakt, omdat de getuige [getuige 4] haar op dat tijdstip nog levend en zonder verwondingen heeft gezien. Voorts had [slachtoffer 1] , om tijdig op school te zijn voor het ophalen van haar zoontje – gelet op de benodigde reistijd van zeven tot tien minuten – uiterlijk omstreeks 11:50 uur haar woning aan de [straat] moeten verlaten. Dat zij op dat moment haar woning ook daadwerkelijk heeft verlaten, blijkt echter niet uit het dossier.

Het hof ziet – anders dan de raadsman – gelet op het voorgaande geen aanleiding om te veronderstellen dat de verwonding zich niet eerder dan rond 12:25 kan hebben voorgedaan en overweegt daaromtrent in het bijzonder nog het volgende.

Uit de verklaring van de getuige [getuige 4] kan – anders dan de verdediging veronderstelt – niet worden afgeleid dat er tussen 11:45 en 12:00 uur nog niets was gebeurd. Immers, deze getuige had, terwijl zij vanaf haar woning op de tweede verdieping via het trappenhuis naar beneden liep, blijkens forensisch onderzoek naar de zichtlijnen, geen zicht op de plaats waar [slachtoffer 1] onderaan de trap heeft gelegen, zodat de getuige [slachtoffer 1] toen niet heeft kunnen waarnemen, als zij er op dat moment al zou hebben gelegen. Evenmin kan deze getuige vanaf de tweede verdieping de hal van de derde verdieping hebben gezien.

Uit de vaststelling dat het toestel van [slachtoffer 1] voor het laatst op 30 oktober 2013 om 12:19 uur bij WhatsApp online is geweest, vloeit niet noodzakelijk voort dat het [slachtoffer 1] zelf is geweest die WhatsApp op dit tijdstip heeft afgesloten. Denkbaar is immers dat WhatsApp op haar telefoon nog openstond en dat een ander, die inmiddels in het bezit was van deze telefoon, deze heeft uitgezet, vlak na of tijdens het moment waarop de verdachte telefonisch contact zocht met deze telefoon.

Verder kan, gelet op de rapportage van forensisch arts [forensisch arts] , waardoor een verklaring van verpleegkundige [ambulancemedewerker] omtrent de hartslag van het ongeboren kind in een ander daglicht komt te staan, niet worden vastgesteld dat de baby bij aanvang van de reanimatiepogingen nog een hartslag had.

Dat het bloed op het plateau tussen de tweede en derde etage nog nat was, biedt onvoldoende basis voor de conclusie dat de verwonding pas omstreeks 12:25 uur is ontstaan, nu die enkele constatering geen indicatie is van een concreet aantal minuten dat is verlopen tussen het moment van aantreffen en het moment waarop het bloed er moet zijn terechtgekomen. Ook overigens bevat het dossier geen duidelijke aanwijzingen over het tijdstip waarop de verwondingen zijn ontstaan.

Uit het voorgaande vloeit voort dat [slachtoffer 1] in de periode tussen 11:00 uur en 12:28 uur, het moment dat zij gevonden werd, gewond moet zijn geraakt en terecht is gekomen op de plaats waar ze is gevonden.

De verdachte heeft naar het oordeel van het hof geen alibi voor de periode tussen 11:00 uur en enkele minuten over 12. Vanaf 10:51 uur – het tijdstip waarop nog een telefoongesprek met een telefoontoestel van de verdachte is geregistreerd, waarbij gebruik is gemaakt van de paal Bloemerd bij zijn woning – kan hij zich immers in de richting van de [straat] hebben bewogen. De reisafstand is maximaal 10 minuten. Vanaf 12:14 uur heeft hij opnieuw gebruik gemaakt van de telefoon via diezelfde paal. Indien hij op de [straat] zou zijn geweest, moet hij daar uiterlijk enkele minuten na 12:00 uur zijn vertrokken om zijn woning tijdig te bereiken.

Wat is er gebeurd met [slachtoffer 1] in het trappenhuis?

De omstandigheden waaronder [slachtoffer 1] in het trappenhuis van de [flat] is aangetroffen roepen vele vragen op. Op het plateau van de derde etage zijn een grote plas bloed, enkele bloeddruppels en bloed in de vorm van een veegspoor aangetroffen. [slachtoffer 1] is echter een halve verdieping lager gevonden, onderaan de trap tussen de derde etage en het bordes halverwege de tweede en derde etage. Daarnaast zijn bij [slachtoffer 1] geen tas of persoonlijke spullen aangetroffen, hoewel zij die altijd bij zich had. Deze spullen zijn, ondanks uitgebreid onderzoek, tot op heden niet teruggevonden.

Het hof ziet zich allereerst geconfronteerd met de omstandigheid dat er geen getuigen of camerabeelden zijn van hetgeen zich in het trappenhuis van de [flat] heeft voorgedaan op 30 oktober 2013 en voorts met het feit dat – zoals eerder overwogen – deskundigen niet precies hebben kunnen vaststellen waarmee het hoofd van de zwangere [slachtoffer 1] in botsing is gekomen. Op 15 november 2013 is de brandkraan in het trappenhuis op de derde etage nog bemonsterd op biologische sporen om te onderzoeken of het slachtoffer mogelijk met haar hoofd tegen de knop van de brandkraan was gevallen, maar deze bemonstering is – anders dan die van de deurklinken – niet getest op bloed. Deze bemonstering is voor DNA-onderzoek naar het NFI gestuurd, maar uit het dossier blijkt niet dat dit tot enig onderzoek heeft geleid en zo ja, wat de uitkomst daarvan is geweest. Het forensisch onderzoek geeft op dit punt dus evenmin uitsluitsel.

De bloedsporen op de derde verdieping van het trappenhuis aan de [straat] duiden er op dat [slachtoffer 1] daar gewond is geraakt. Er zijn wel foto’s gemaakt van die bloedsporen, maar er is geen onderzoek gedaan naar de aard en hoedanigheid van die bloedsporen, waaruit mogelijkerwijs meer op te maken zou zijn geweest over het ontstaan van het letsel en dat wellicht ook een indicatie zou hebben kunnen opleveren voor het moment waarop de bloedsporen zijn ontstaan. Hierover is nu niets met zekerheid te zeggen.

Vast staat wel dat [slachtoffer 1] door de getuige [getuige 1] niet is gevonden op de plaats waar zij, gezien de aanzienlijke hoeveelheid bloed die daar werd aangetroffen, enige tijd moet hebben gelegen, te weten op de derde verdieping. De getuige trof haar aan op de trap naar beneden, ter hoogte van het bordes halverwege de tweede en de derde verdieping. Naar het antwoord op de vraag hoe en wanneer zij gewond is geraakt en hoe zij vanaf de derde verdieping op deze plaats is terechtgekomen, kan het hof slechts gissen, nu uit het dossier niet anders is af te leiden dan dat het aangetroffen bloed nog nat was en er tussen beide plaatsen waar [slachtoffer 1] moet hebben gelegen enkele bloeddruppels zijn aangetroffen. Dat zij van de ene naar de andere plaats zou zijn gedragen of gesleept, is uit het forensisch onderzoek niet gebleken.

Ook blijkt onvoldoende uit het onderzoek dat er daadwerkelijk geweldshandelingen aan die botsing zijn voorafgegaan en zo ja welke. Het letsel dat op het lichaam van [slachtoffer 1] is aangetroffen kan volgens deskundigen worden aangemerkt als klein en is niet verklarend voor het overlijden. Het letsel is volgens hen zowel verklaarbaar door reanimatie, medisch handelen als door geweldsinwerkingen in een ander kader. Welk kader wordt niet gespecificeerd.

Uit dit een en ander moet worden geconcludeerd dat niet is vast te stellen wat er vóór het oplopen van de verwondingen met [slachtoffer 1] is gebeurd en hoe en wanneer zij de verwondingen heeft opgelopen. De vraag of het hoofdletsel is ontstaan door een onbekende geweldshandeling of door een ongelukkige val is, gelet op de inhoud van het strafdossier, niet te beantwoorden, nu ook de deskundigenrapportages met betrekking tot de doodsoorzaak beide mogelijkheden open laten. Evenmin is uit het onderzoek gebleken hoe en wanneer zij van de derde verdieping op de tussenverdieping is terechtgekomen en hoe lang ze daar heeft gelegen voordat ze werd gevonden door de getuige [getuige 1] .

Was de verdachte op 30 oktober 2013 in het trappenhuis aanwezig?

Uit de relevante feiten en omstandigheden blijkt, zoals hiervoor overwogen, dat de verdachte geen alibi heeft voor het grootste deel van de ongeveer anderhalf uur op 30 oktober 2013 waarin [slachtoffer 1] gewond moet zijn geraakt. Verder komt het beeld naar voren dat de verdachte zich op die dag opmerkelijk heeft gedragen. Allereerst heeft hij op twee tijdstippen in de ochtend in zijn auto enige tijd achter de auto van [slachtoffer 1] gereden. Dat dit tot tweemaal toe een toevallige ontmoeting was, zoals de verdachte heeft verklaard, acht het hof niet geloofwaardig. Daarnaast leidt het hof uit de gang van zaken in de middag van 30 oktober 2013 af dat het voor de verdachte die middag geen business as usual was. Anders dan blijkbaar gebruikelijk, was hij te laat voor een werkafspraak. Hij meldde de late komst pas tien minuten na het afgesproken tijdstip, terwijl de reistijd naar het MCA bij de verdachte bekend was en hij dus ook al bij vertrek had kunnen melden dat hij te laat ging komen. Daarnaast viel zijn afwijkende gedrag, sterke geur en kortere aanwezigheid dan anders op bij degenen in het MCA met wie hij samenwerkte.

Dit alles, in onderling verband en samenhang bezien, en mede gelet op de moeizame (en op bepaalde momenten ronduit vijandige) relatie tussen de verdachte en [slachtoffer 1] , en zijn woede over het loonbeslag dat [slachtoffer 1] had laten leggen in verband met de verbeurde dwangsommen, maakt dat het voor de hand lag te vermoeden dat de verdachte iets te maken had met de verdachte omstandigheden waaronder [slachtoffer 1] op 30 oktober 2013 is aangetroffen.

Het hof stelt aan de andere kant vast dat er, naast de verklaringen van de verdachte die hij aflegde op 15 november 2013 tot en met de zitting van de rechtbank, geen enkel technisch bewijs is dat de verdachte op 30 oktober 2013 rondom het moment dat [slachtoffer 1] gewond is geraakt, in dat trappenhuis aanwezig is geweest. Het trappenhuis is – na fotografisch onderzoek van bloedsporen op 30 oktober 2013 – diezelfde middag schoongemaakt. Naar technisch bewijs met betrekking tot de aanwezigheid van de verdachte in het trappenhuis is op dat moment niet gezocht. Op 15 november 2013 zijn alsnog de deurklinken van de toegangsdeuren van de hal op de begane grond bemonsterd op biologische sporen en getest op de aanwezigheid van bloed, maar dit heeft geen aanwijzingen in de richting van de verdachte opgeleverd.

De rechtbank heeft overwogen dat het verhaal van de verdachte met betrekking tot het reanimeren van [slachtoffer 1] niet geloofwaardig was, niet alleen vanwege de wijze waarop hij zou hebben gereanimeerd, maar ook omdat onderzoek aan het shirt van [slachtoffer 1] geen sporen van zijn DNA heeft opgeleverd. Het hof deelt die conclusie. Het hof heeft na de eerste inhoudelijke behandeling nader DNA-onderzoek bevolen aan haar jas en broek en de op het shirt van [slachtoffer 1] aangetroffen haren. Dergelijk onderzoek was eerder niet gedaan omdat de verdachte had verklaard in het trappenhuis aanwezig te zijn geweest. Zijn herziene verklaring met betrekking tot zijn aanwezigheid maakte dit onderzoek, naar het oordeel van het hof, alsnog noodzakelijk. Ook dit onderzoek leverde geen DNA-spoor op dat matchte met dat van de verdachte. Evenmin was er onder de nagels van [slachtoffer 1] DNA aanwezig dat duidt op fysiek contact, of een worsteling met iemand anders, dus ook niet met de verdachte.

Uit technisch bewijs is de aanwezigheid van de verdachte dus niet af te leiden, en het dossier bevat evenmin getuigenverklaringen die in die richting wijzen.

De advocaat-generaal heeft, aan de hand van het wonderlijke verloop van de dag van de verdachte, het mogelijke motief om [slachtoffer 1] iets aan te doen en zijn aanvankelijke verklaring over zijn aanwezigheid in het trappenhuis, die hij later heeft ingetrokken, betoogd dat de verdachte met die intrekking kennelijk leugenachtig heeft verklaard. Zij gaat er daarmee van uit dat de verdachte in het trappenhuis aanwezig is geweest en verantwoordelijk is voor de dood van [slachtoffer 1] .

Het hof overweegt naar aanleiding hiervan als volgt.

Weliswaar heeft de verdachte leugenachtig verklaard over zijn reanimatiepoging, maar de reden daarvoor kan gelegen zijn in een andere omstandigheid dan dat hij enig strafbaar handelen in het trappenhuis heeft willen verbloemen. Zelf heeft hij verklaard dat hij tot deze later ingetrokken verklaring is gekomen onder de druk van zijn voorlopige hechtenis en de gevolgen daarvoor voor zijn zoontje [naam 1] en in de verwachting daarmee niet langer als verdachte te zullen worden aangemerkt.

Zoals eerder is gebleken, is er geen technisch of getuigenbewijs dat de verdachte op 30 oktober 2013 tussen 11:00 en grofweg 12:00 uur in het trappenhuis is geweest. Maar zelfs als het hof van dit laatste zou uitgaan, is dit onvoldoende om tot een veroordeling te komen, omdat onvoldoende duidelijk is wat daar precies is gebeurd.

Als het hof alle bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang beschouwt, blijven er nog te veel onzekerheden over die aan de hand van de inhoud van het dossier niet kunnen worden weggenomen. De stappen die moeten worden gezet voor enige bewezenverklaring, vereisen te veel speculatie over wat er gebeurd moet zijn.

Dat hiermee een voor alle nabestaanden moeilijk verteerbare onzekerheid blijft bestaan omtrent de laatste momenten in het leven van [slachtoffer 1] en de oorzaak van haar dood en die van haar ongeboren kind acht het hof zeer betreurenswaardig.

Het hof komt al met al niet verder dan de vaststelling dat de verdachte door zijn handelen op en na 30 oktober 2013 veel verdenking op zich heeft geladen, maar dat het wettig bewijs ontbreekt op grond waarvan deze verdenking tot een veroordeling kan leiden voor hetgeen hem in de zaak met parketnummer 15-710014-14 onder 1 en 2 is ten laste gelegd. Hij zal daarvan dan ook moeten worden vrijgesproken.

Gezien dit oordeel kunnen de door de verdediging opgeworpen verweren verder onbesproken blijven en treedt evenmin de voorwaarde in waaronder een getuigenverzoek was gedaan. Over dit getuigenverzoek zal het hof dan ook geen beslissing nemen.

De zaak met betrekking tot het gebruik van valse documenten (parketnummer 15-710031-14)

Tijdens een doorzoeking in de woning van de verdachte zijn in een tablet digitale diploma’s van de universiteiten van Amsterdam en Leiden gesteld op naam van de verdachte aangetroffen.

Ten tijde van zijn aanhouding was de verdachte werkzaam bij het bedrijf [werkgever 1] te [plaats 2] . Hij heeft bij dat bedrijf op 20 januari 2013 een jaarcontract gekregen. Voor de functie die de verdachte bekleedde is een universitair diploma, het liefst in een medische richting, vereist. Ten behoeve van zijn sollicitatie bij dit bedrijf heeft de verdachte een afschrift overhandigd van een bachelorsdiploma Bestuurskunde, althans een Bachelor Degree of Public Administration van de Rijksuniversiteit Leiden en van een doctoraal diploma Geneeskunde van de Universiteit van Amsterdam.

De verdachte heeft van 1 september 1999 tot en met 30 september 2007 ingeschreven gestaan bij de studie Geneeskunde aan de Universiteit van Amsterdam, maar heeft geen diploma behaald. De verdachte heeft nooit ingeschreven gestaan als student bij de Universiteit van Leiden. Namens de universiteiten van Amsterdam en Leiden is aangifte gedaan van valsheid in geschrift.

De verdachte heeft ter terechtzitting van 20 januari 2016 erkend dat hij gebruik heeft gemaakt van vervalste universitaire diploma’s om te doen voorkomen dat hij een universitaire studie heeft voltooid, terwijl hij de studie niet heeft voltooid.

Het hof acht op grond van het voorgaande bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 15‑710031-14 ten laste gelegde heeft begaan op de wijze als hierna vermeld.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer

15-710031-14 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak met parketnummer 15-710031-14:

hij in de periode van 1 januari 2013 tot en met 7 november 2013 in Nederland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse diploma’s, te weten:

- een bachelordiploma Bestuurskunde, althans een Bachelor degree of Public Administration van de Rijksuniversiteit Leiden en

- een masterdiploma Geneeskunde van de Universiteit van Amsterdam,

elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware die geschriften echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte die diploma’s heeft overlegd aan

een werkgever te weten [werkgever 1] ter verkrijging van een baan, en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat bovengenoemde diploma’s geheel valselijk zijn opgemaakt.

Hetgeen in de zaak met parketnummer 15-710031-14 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in de zaak met parketnummer 15-710031-14 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in de zaak met parketnummer 15-710031-14 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225 wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 15-710031-14 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in de zaak met parketnummer 15-70014-14 onder het meer subsidiair tweede alternatief en het in de zaak met parketnummer 15‑710031-14 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in de zaak met parketnummer 15-70014-14 onder feit 1 primair, feit 2 primair en het in de zaak met parketnummer 15-710031-14 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift. Hij was in het bezit van een vals bachelordiploma Bestuurskunde en een masterdiploma Geneeskunde en heeft deze diploma’s gebruikt ter verkrijging van een baan, die hij zonder deze diploma’s niet zou hebben gekregen. De werkzaamheden van verdachte bestonden uit het controleren van artsen en verpleegkundigen met betrekking tot patiëntgegevens en hen daarover te instrueren. De verdachte had aldus toegang tot privacygevoelige medische informatie die hij zonder deze diploma’s niet had verkregen.

De verdachte heeft door zijn handelen het vertrouwen geschaad dat de maatschappij moet kunnen hebben in de juistheid van diploma’s. De maatschappij heeft er belang bij dat op de juistheid van diploma’s kan worden vertrouwd, nu dergelijke geschriften onderbouwen dat de bezitter ervan beschikt over bepaalde kennis en vaardigheden. Dit geldt te meer wanneer het diploma’s betreffen die iets zeggen over medische kennis. Door gebruik te maken van de valse diploma’s op de arbeidsmarkt heeft de verdachte bovendien ten onrechte voorgedrongen op anderen die wel veel tijd en energie hebben gestoken in het daadwerkelijk behalen van een diploma. Het hof rekent dit de verdachte aan en vindt daarom dit feit dermate ernstig dat een vrijheidsstraf passend wordt geacht.

Uit de Justitiële Documentatie van 27 maart 2017 blijkt dat de verdachte niet eerder strafrechtelijk onherroepelijk is veroordeeld.

Het hof constateert dat in hoger beroep sprake is van een schending van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Tussen het moment waarop het Openbaar Ministerie hoger beroep heeft ingesteld – 30 juli 2014 – en het arrest van het hof op 17 mei 2017 zijn ruim twee jaren en negen maanden verstreken. Het hof zal de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn verdisconteren in de strafmaat.

Het hof acht, alles afwegende, in beginsel voor dit feit een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden passend en geboden. Het hof ziet evenwel in de overschrijding van de redelijke termijn en de daarmee samenhangende ouderdom van het bewezen verklaarde feit aanleiding te volstaan met een strafoplegging van na te melden duur.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 16.088,37. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 8.088,37. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-710014-14 onder 1 en 2 ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht.

Dit wettelijke voorschrift wordt toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 15-710014-14 onder 1 primair, 1 subsidiair, 1 meer subsidiair, 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 15‑710031-14 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte in de zaak met parketnummer 15‑710031-14 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 15-710031-14 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Heft op het – op 22 november 2016 geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.F.E. Geerlings, mr. D.J.M.W. Paridaens en mr. P.C. Römer, in tegenwoordigheid van

mr. M. Gieske, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 mei 2017.

Zaaksdossier, p. 36.

Zaaksdossier, p. 24 en 26.

Zaaksdossier, p. 32.

Aanvullend dossier B, p. 377.

Aanvullend dossier B, p. 382.

Zaaksdossier, p. 38.

Zaaksdossier, p. 34 en 43.

Zaaksdossier, p. 30.

Zaaksdossier, p. 43-44.

Zaaksdossier, p. 30.

Zaaksdossier, p. 37.

Forensisch dossier, p. 11.

Getuigendossier, p. 128 en 161.

Forensisch dossier, p. 261-299

Getuigendossier, p. 214-215

Getuigendossier, p. 125 en 133.

Forensisch dossier, p. 267.

Getuigendossier, p. 148

Zaaksdossier, p. 47.

Zaaksdossier, p. 48.

Zaaksdossier, p. 48.

Zaaksdossier, p. 151.

Zaaksdossier, p. 199.

Zaaksdossier, p. 121.

Zaaksdossier, p. 125.

Zaaksdossier, p. 315.

Zaaksdossier, p. 90.

Zaaksdossier, p. 51.

Zaaksdossier, p. 49-50.

Zaaksdossier, p. 121-122.

Zaaksdossier, p. 144.

Zaaksdossier, p. 121-122.

Zaaksdossier, p. 71.

Getuigendossier, p. 108.

Getuigendossier, p. 108.

Getuigendossier, p. 109.

Getuigendossier, p. 47, 136 en 154.

Getuigendossier, p. 30.

Zaaksdossier, p. 160 en Forensisch dossier, p. 13 e.v.

Proces-verbaal van bevindingen van 26 september 2016, opgemaakt door verbalisant [deskundige] , p. 2 (ontvangen van het Openbaar Ministerie voorafgaand aan de terechtzittingen van 10 en 11 april 2017.)

Verklaring van deskundige [deskundige] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 10 april 2017.

Zaaksdossier, p. 90.

Zaaksdossier, p. 94

Verklaring van deskundige [deskundige] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 10 april 2017.

Aanvullend dossier A, p. 495 en 498.

Proces-verbaal van bevindingen van 26 augustus 2016, opgemaakt door verbalisant [deskundige] , p. 3 (ontvangen van het Openbaar Ministerie voorafgaand aan de terechtzitting van 22 november 2016).

Zaaksdossier, p. 92.

Zaaksdossier, p. 38.

Aanvullend dossier B, p. 372 e.v.

Aanvullend dossier B, p. 381-382.

Getuigendossier, p. 54-55.

Forensisch dossier, p. 121-122.

Zaaksdossier, p. 32.

Zaaksdossier, p. 164.

Zaaksdossier, p. 121.

Zaaksdossier, p. 87-88.

Getuigendossier, p. 44.

Aanvullend dossier B, p. 378.

Forensisch dossier, p. 135.

NFI-rapport [patholoog] d.d. 31 december 2013, p. 5 en Aanvullend dossier B, p. 374.

Zaaksdossier, p. 144

De door het hof ten aanzien van dit feit in de volgende voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen. Voor zover de in de voetnoten aangeduide bewijsmiddelen een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering betreffen, zijn deze telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

Proces-verbaal van bevindingen van 11 maart 2014, zaaksdossier 2, p. 48-49.

Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] , zaaksdossier 2, p. 25-26.

Proces-verbaal van bevindingen van 28 maart 2014, zaaksdossier 2, p. 3, een kopie van een diploma Bachelor of Science in Public Administration van de Universiteit van Leiden op naam van verdachte, zaaksdossier 2, dossierpagina 33, een kopie van een diploma Geneeskunde van de Universiteit van Amsterdam op naam van verdachte, zaaksdossier 2, dossierpagina 32.

Geschrift, betreffende een bericht van de Dienst Uitvoering Onderwijs van 9 december 2013, zaaksdossier 2, p. 44.

Proces-verbaal van aangifte van 28 maart 2014, zaaksdossier 2, p. 56-57.

Proces-verbaal van aangifte van 20 maart 2014, zaaksdossier 2, p. 54-55, en een proces-verbaal van aangifte van 28 maart 2014, zaaksdossier 2, p. 57.

Verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 20 januari 2016.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature