Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online


 

E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:GHAMS:2015:1284
Gerechtshof Amsterdam, 200.148.707-01 GDW

Inhoudsindicatie:

De KBvG is van mening dat het houden van het incassokantoor in een andere plaats dan waar de gerechtsdeurwaarder is benoemd in strijd is met artikel 16 Gerechtsdeurwaarderswet . De gerechtsdeurwaarder mag immers buiten het kantoor in zijn vestigingsplaats geen nevenkantoor houden, anders dan met toestemming van de Minister van Justitie en Veiligheid, zie lid 2 van artikel 16 Gdw . Deze toestemming ontbreekt in dit geval. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de Minister het houden van bijkantoren expliciet verbiedt. Verder blijkt uit de jurisprudentie dat de nevenactiviteiten van de gerechtsdeurwaarder niet los kunnen worden gezien van zijn ambtelijke activiteiten. Er bestaat geen grond voor de uitleg dat artikel 16 Gdw beperkt zou zijn tot de ambtelijke activiteiten van de gerechtsdeurwaarder en het de gerechtsdeurwaarder vrij zou staan ten behoeve van buitenambtelijke activiteiten kantoren buiten zijn vestigingsplaats te openen.

De kamer heeft de klacht gegrond verklaard en aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping opgelegd, zulks met de aanzegging dat, indien andermaal door hem een van de in artikel 34 eerste lid van de Gerechtsdeurwaarderswet (Gdw) bedoelde handelingen of verzuimen wordt gepleegd, een geldboete, schorsing of ontzetting uit het ambt zal worden overwogen.

Het hof heeft de klacht ongegrond verklaard. Het hof is van oordeel dat een incassokantoor niet onder het begrip ‘nevenkantoor’ van artikel 16 Gdw valt, zodat het toestemmingsvereiste als bedoeld in artikel 16 lid 2 Gdw hier niet van toepassing is.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug