Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

CIZ heeft over de periode van 3 april 2009 tot 4 mei 2015 voor de AWBZ-zorg niet kunnen volstaan met een indicatie van minimale zorginzet, zijnde PV klasse 4 en Begeleiding individueel klasse 2. CIZ heeft zich in hoger beroep desgevraagd op het standpunt gesteld dat, ingeval behandeling niet voorliggend zou zijn, betrokkene over de periode van 3 april 2009 tot 4 mei 2015 is aangewezen op zorgzwaartepakket GGZ 3C “Beschermd wonen met intensieve begeleiding”. De Raad ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door betrokkene voor de periode van 3 april 2009 tot 4 mei 2015 te indiceren voor zorgzwaartepakket GGZ 3C. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak



12/4312 AWBZ, 12/4313 AWBZ

Datum uitspraak: 11 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 20 juni 2012, 10/46 en 10/1871 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

CIZ

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

de Staat der Nederlanden, ministerie van Veiligheid en Justitie (Staat)

PROCESVERLOOP

CIZ heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. F.E. van Nisselrooij, advocaat, een verweerschrift ingediend.

CIZ en betrokkene hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2013. Namens CIZ zijn verschenen mr. I.C.J.G. van Maris-Kindt en medisch adviseur C. van Putte-Boon. Namens betrokkene zijn verschenen mr. L.T.M. den Teuling, advocaat, de moeder van betrokkene en P.A.M. de Laat, gezinstherapeut.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst voor nader onderzoek door CIZ en betrokkene. CIZ en betrokkene hebben nadere stukken ingediend en hebben over en weer gereageerd.

Vervolgens heeft de Raad psychiater prof. dr. R.J. van den Bosch als deskundige benoemd. Van den Bosch heeft op 12 december 2014 rapport uitgebracht. CIZ en betrokkene hebben hun zienswijze op het deskundigenrapport ingezonden. Van den Bosch heeft in reactie hierop op 15 oktober 2015 een nader rapport opgesteld. CIZ en betrokkene hebben hierop gereageerd en hebben nadere stukken ingediend.

CIZ heeft bij brieven van 26 januari 2016, 15 februari 2016 en 30 mei 2016 vragen van de Raad beantwoord. Daarop heeft betrokkene gereageerd.

Naar aanleiding van het verzoek om schadevergoeding van betrokkene wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft de Raad de Staat mede als partij aangemerkt.

Zowel CIZ als betrokkene hebben toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Betrokkene, geboren in 1972, heeft sinds 1995 een ernstige chronische psychiatrische aandoening (schizofrenie). In 1995 is betrokkene, na een zelfmoordpoging, drie maanden opgenomen geweest in een psychiatrische instelling. Betrokkene woont bij zijn ouders. Zijn vader is eveneens ernstig psychiatrisch ziek. Betrokkene wordt al jarenlang intensief begeleid en verzorgd door zijn moeder, die verpleegkundige is.

1.3.1. Op 17 februari 2009 heeft de moeder van betrokkene namens hem een aanvraag gedaan voor zorg bij of krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ), bestaande uit Persoonlijke Verzorging, Ondersteunende Begeleiding, Activerende Begeleiding en Verblijf. Uit de aanvraag blijkt dat de moeder betrokkene 24 uur per dag zorg verleent.

1.3.2. CIZ heeft betrokkene bij besluit van 3 april 2009 voor de periode van 3 april 2009 tot

3 april 2010 geïndiceerd voor Begeleiding groep, klasse 3. Betrokkene heeft op 28 april 2009 tegen dat besluit bezwaar gemaakt.

1.3.3. Bij besluit van 8 december 2009 (bestreden besluit 1) heeft CIZ het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 3 april 2009 − onder verwijzing naar het advies van medisch adviseur D. van Veenendaal van 25 november 2009 − ongegrond verklaard. Volgens CIZ is onderzoek nodig naar de aandoening en beperkingen van betrokkene, zodat geen

AWBZ-indicatie kan worden gesteld. CIZ heeft het besluit van 3 april 2009 in stand gelaten omdat het instellen van bezwaar niet mag leiden tot een nadeliger indicatie dan wanneer betrokkene geen bezwaar zou hebben gemaakt (verbod van reformatio in peius).

1.4.1. Betrokkene heeft op 26 februari 2010 bij CIZ een nieuwe aanvraag voor AWBZ-zorg ingediend. CIZ heeft deze aanvraag bij besluit van 4 mei 2010 afgewezen omdat betrokkene nog niet was gestart met professionele behandeling binnen de geestelijke gezondheidszorg (GGZ). Daarom valt niet te overzien wat de omvang van de restbeperkingen na behandeling zal zijn.

1.4.2. Bij beslissing op bezwaar van 27 januari 2011 (bestreden besluit 2) heeft CIZ het bezwaar tegen het besluit van 4 mei 2010 deels gegrond verklaard, dit besluit ingetrokken en vervangen door bestreden besluit 2. Bij bestreden besluit 2 heeft CIZ – onder verwijzing naar het advies van zijn medisch adviseur Van Veenendaal van 18 augustus 2010 – betrokkene geïndiceerd voor minimale zorginzet. Volgens de medisch adviseur moet worden afgeweken van het uitgangspunt dat AWBZ-zorg niet aan de orde is omdat betrokkene afziet van behandelmogelijkheden. Betrokkene is zorgmijder. Daarom is minimale zorginzet aangewezen, waarmee voorkomen wordt dat betrokkene aan zijn lot wordt overgelaten. Op basis van minimale zorginzet heeft CIZ betrokkene voor de periode van 4 mei 2010 tot 4 mei 2015 geïndiceerd voor Persoonlijke Verzorging, klasse 4, en Begeleiding individueel, klasse 2. Bij brief van 31 januari 2011 heeft CIZ medegedeeld dat de indicatie

– coulancehalve – ingaat op 3 april 2009.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank – voor zover van belang – de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat CIZ – met in achtneming van de uitspraak – nader op de bezwaren en het verzoek om schadevergoeding beslist. CIZ is veroordeeld tot betaling van griffierecht en proceskosten van betrokkene in beroep. Volgens de rechtbank is onvoldoende komen vast te staan dat een behandeling van betrokkene tot verbetering van zijn beperkingen zou leiden. Daarbij heeft de rechtbank het standpunt van de huisarts van betrokkene, P.T.C. Hoeks, betrokken. Volgens Hoeks geeft reguliere behandeling van betrokkene geen meerwaarde ten aanzien van de intensieve thuisbegeleiding, geeft het ziektebeeld binnen de reguliere psychiatrie geen verdere behandelmogelijkheden en kan betrokkene nu zonder medicatie met licht psychotische verschijnselen functioneren. Gelet op de brief van 2 maart 2010 van psychiater W. Postema is het de vraag of reguliere behandeling zal leiden tot verlichting van de bij betrokkene bestaande symptomen en klachten en kan behandeling een en ander zelfs in negatieve zin beïnvloeden. Hieruit volgt dat het op de weg van CIZ ligt om de juistheid van zijn standpunt dat behandeling van betrokkene zal leiden tot verbetering van de bij hem bestaande beperkingen, aan te tonen, aldus de rechtbank.

3.1. CIZ heeft zich in hoger beroep – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat kan worden volstaan met een indicatie voor minimale zorginzet omdat sprake is van een wettelijk voorliggende voorziening in de vorm van behandeling van de psychische klachten van betrokkene door de GGZ op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Hiertoe heeft CIZ gewezen op het advies van zijn medisch adviseur Van Veenendaal van 18 augustus 2010 en zijn aanvulling daarop van 16 maart 2011. Volgens Van Veenendaal is de visie van Postema over de behandelmogelijkheden van betrokkene inconsistent en zijn er wel degelijk behandelmogelijkheden waarmee verbetering van de symptomen en beperkingen kan worden bereikt. Volgens Van Veenendaal kan behandeling ook ambulant, in de thuissituatie, plaatsvinden.

3.2. Betrokkene heeft zich in hoger beroep achter het oordeel van de rechtbank geschaard.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Tussen partijen is in geschil of CIZ betrokkene terecht voor minimale zorginzet heeft geïndiceerd voor de periode van 3 april 2009 tot en met 4 mei 2015 omdat sprake is van een voorliggende voorziening in de vorm van behandeling op grond van de Zvw.

4.2. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ (Bza) heeft de verzekerde, behoudens voor zover het zorg betreft die kan worden bekostigd op grond van een andere wettelijke regeling of een zorgverzekering als bedoeld in de Zvw, aanspraak op, voor zover hier van belang, persoonlijke verzorging en begeleiding als bedoeld in de artikelen 4 en 6. In het derde lid is bepaald dat aanspraak op zorg slechts bestaat voor zover de verzekerde, gelet op zijn behoefte en uit een oogpunt van doelmatige zorgverlening, redelijkerwijs daarop is aangewezen.

4.3. Na onderzoek van betrokkene en bestudering van de in het dossier aanwezige (medische) informatie over betrokkene heeft de door de Raad benoemde deskundige Van den Bosch in zijn rapport van 12 december 2014 op de volgende vragen van de Raad als volgt geantwoord:

“Kan behandeling van [betrokkene] (vanaf 15 februari 2009), in zijn specifieke situatie, (nog) tot verbetering van zijn gezondheidstoestand leiden?

Antwoord: Het is zeker denkbaar dat enige verbetering mogelijk is, met name bij medicatiegebruik, maar er is wat dit betreft geen enkele zekerheid.

Zo ja, welke behandeling is dat? (..)

Antwoord: Ik verwijs naar de paragraaf ‘Behandelrichtlijnen’. Het is niet zeker

dat medicatie effectief zal zijn, maar de kans dat antipsychotische middelen tot althans enige verbetering leiden, is reëel. (…). Psycho-educatie kan wel zinvol zijn, vooral voor de moeder van betrokkene. (..) Ik wijs er op dat voor zover er behandelopties zijn die nu niet worden benut, deze niet impliceren dat betrokkene opgenomen moet worden. Daarvoor zie ik geen indicatie. De keuze zou desgewenst heel goed kunnen vallen op ambulante behandeling, waarbij het huidige beleid van zijn moeder intact kan blijven.

Indien een behandeling mogelijk is, in hoeverre is de kans aanwezig dat deze behandeling kan leiden tot een verslechtering in plaats van een verbetering in de gezondheidstoestand van [betrokkene] ?Antwoord: Ik acht het niet aannemelijk dat een verslechtering zal optreden (…).

Welke beperkingen verwacht u dat Van Ingen nog zal hebben tijdens en na een eventuele behandeling? Wat is de te verwachten ‘eindtoestand’?

Antwoord: Ik acht het aannemelijk dat er niet veel verbetering te bereiken is.

Concreter en stelliger kan ik deze vraag niet beantwoorden.

Is er in uw visie bij [betrokkene] sprake van schizofrenie? (…)

Antwoord: De psychische toestand van betrokkene moet zonder twijfel worden

aangeduid als schizofrenie, en wel een ernstige vorm daarvan.”

4.4. CIZ heeft in reactie op het rapport van Van den Bosch, onder verwijzing naar het aanvullend advies van zijn medisch adviseur Van Putte-Boon van 29 januari 2015, naar voren gebracht dat uit het rapport van Van den Bosch blijkt dat ambulante behandeling van betrokkene middels medicatie tot enige verbetering in het functioneren van betrokkene zou kunnen leiden. Daarnaast is psycho-educatie vooral voor de moeder zinvol. Deze behandeling is voorliggend op AWBZ-zorg. Naast behandeling is betrokkene volgens CIZ aangewezen op langdurige zorg vanuit de AWBZ. Volgens CIZ kan niet worden vastgesteld welke AWBZ-zorg passend is omdat er nog geen behandelaar is met wie die zorg in overleg kan worden vastgesteld. CIZ meent daarom te kunnen volstaan met een minimale inzet van AWBZ-zorg.

4.5. Vervolgens heeft betrokkene een reactie van Postema van 21 mei 2015 ingezonden. Postema heeft onder meer naar voren gebracht dat ook hij de opmerking van CIZ dat middels medicatie enige verbetering in het functioneren van betrokkene kan worden bereikt, heeft gemaakt. Doch daar moet volgens hem aan toegevoegd worden dat we in de geschiedenis slechts één medicament vinden dat meer averechts dan sanerend werkte. Verder vermeldt Postema dat naast de medicatie er niet een vorm van hulp wordt genoemd waar echt heil van te verwachten is.

4.6. Op verzoek van de Raad heeft Van den Bosch op 15 oktober 2015 aanvullend gerapporteerd. Hij heeft, voor zover van belang, het volgende verklaard:

“C. van Putte-Boon, arts, 29 januari 2015: De arts constateert dat ik aangeef dat ambulante behandeling met medicatie tot enige verbetering zou kunnen leiden, en dat psycho-educatie voor zijn moeder zinvol is, in respectvolle samenwerking. Deze informatie geeft geen aanleiding om de eerdere adviezen te wijzigen. Behandeling is voorliggend op AWBZ zorg. Daarnaast is langdurige zorg vanuit de AWBZ aangewezen.Mijn reactie: Hier kan ik in meegaan. Dit is in overeenstemming met mijn conclusie.

W. Postema, psychiater, 21 mei 2015:De psychiater nuanceert de constatering van mevrouw Van Putte-Boon dat

psycho-educatie zinvol is, omdat ik dat als mogelijkheid aanduidde.Mijn reactie: Dit is correct, maar mijns inziens een triviale nuancering. Hij herhaalt zijn eerdere opvattingen. Hij is sceptisch over de verbetering die met medicatie bereikt zou kunnen worden.Mijn reactie: Deze scepsis zou bevestigd kunnen worden, maar dat moet eerst blijken. Ik pleit er voor deze kans in elk geval te benutten. Feit is dat adequate behandeling naar professionele maatstaven momenteel geen kans krijgt en dat niet uit te sluiten is dat daardoor aan betrokkene een mogelijke verbetering wordt onthouden.

De essentie van mijn beoordeling is daarnaast dat ik het psychiatrisch ziektebeeld van betrokkene als ernstig waardeer en dat de moeder van betrokkene steun verdient. Het evenwicht binnen het gezin lijkt fragiel en betrokkene is zeer kwetsbaar, reden om te pleiten voor een respectvolle bejegening (altijd vanzelfsprekend, maar hier wel erg belangrijk).”

4.7.

Op het aanvullend rapport van Van Den Bosch van 15 oktober 2015 is door CIZ en betrokkene gereageerd. Medisch adviseur M. van Wamel heeft zich op het standpunt gesteld dat het aanvullend rapport van Van den Bosch van 15 oktober 2015 niet leidt tot aanpassing van het medisch advies van CIZ. Van de zijde van betrokkene is een reactie van Postema van 3 november 2015 ingezonden. Postema sluit zich niet aan bij de visie van Van den Bosch om de mogelijkheid tot behandeling met medicatie te benutten. Postema heeft daarin, voor zover hier van belang, als volgt verklaard:

“In principe heeft prof. van den Bosch gelijk als hij zegt “ik pleit ervoor deze kans in elk geval te benutten”. Ik sluit mij echter daar om twee redenen niet bij aan:1. Is deze kans nauwelijks waarschijnlijk.2. Zijn de negatieve gevolgen voor patiënt en zijn familie voorspelbaar heftig.

Uiteindelijk beaamt prof. van den Bosch de kwetsbaarheid en de fragiliteit van het gezin. Als er sprake moet zijn van AWBZ-zorg, dan ben ik op dit moment onvoldoende op de hoogte wat er thans wel, dan wel niet onder de AWBZ valt.

Als we de “AWBZ-zorg” vervangen door zorg, dan denk ik met name aan intensieve klinische zorg bij een ernstige decompensatie.P.S. Deze heeft vele jaren niet plaatsgevonden dankzij de op maat gesneden zorg van moeder en haar gezin.”

4.8.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. De bevindingen van Van den Bosch geven blijk van een zorgvuldig onderzoek, zijn inzichtelijk en consistent. De Raad ziet geen aanleiding de deskundige niet te volgen.

4.9.

De Raad beantwoordt de vraag of CIZ in dit geval heeft kunnen volstaan met een indicatie voor minimale zorginzet ontkennend. Uit vaste rechtspraak (uitspraken van 14 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2012:BY3936 en 23 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2657) vloeit voort dat het inzetten van AWBZ-zorg kan zijn aangewezen in het kader van en ter aanvulling van behandeling. De mogelijkheid van behandeling sluit niet uit dat daarnaast en, zo nodig daaraan voorafgaand, benodigde AWBZ-zorg moet worden geindiceerd. Juist in het geval van betrokkene dient noodzakelijke zorg, hulp en ondersteuning op grond van de AWBZ aanvullend te worden geboden en dient deze daadwerkelijk te zijn afgestemd op de zorg voor zover deze op grond van de Zvw kan worden gerealiseerd. Uit de rapporten van Van den Bosch blijkt dat betrokkene, naast een GGZ-behandeling, hoe dan ook is aangewezen op AWBZ-zorg. Gelet hierop volstaat een minimale inzet van AWBZ-zorg niet en had CIZ betrokkene in volle omvang in aanmerking moeten brengen voor die door hem benodigde AWBZ-zorg.

4.10.

Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.9 volgt dat CIZ over de periode van 3 april 2009 tot 4 mei 2015 voor de AWBZ-zorg niet heeft kunnen volstaan met een indicatie van minimale zorginzet, zijnde PV klasse 4 en Begeleiding individueel klasse 2.

4.11.

CIZ heeft zich in hoger beroep desgevraagd op het standpunt gesteld dat, ingeval behandeling niet voorliggend zou zijn, betrokkene over de periode van 3 april 2009 tot 4 mei 2015 is aangewezen op zorgzwaartepakket GGZ 3C “Beschermd wonen met intensieve begeleiding”. De Raad ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door betrokkene voor de periode van 3 april 2009 tot 4 mei 2015 te indiceren voor zorgzwaartepakket GGZ 3C.

Redelijke termijn

5.1.

Betrokkene heeft verzocht om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

5.2.

Of de redelijke termijn is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat daarbij van belang zijn de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene.

5.3.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder is in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.

5.4.

Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Nu de over de bestreden besluiten gevoerde procedures betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, de looptijd van de indicatie in de tweede procedure ook de looptijd van de indicatie in de eerste procedure omvat en de zaken bij de rechtbank gezamenlijk zijn behandeld, wordt voor de zaken gezamenlijk eenmaal het tarief van € 500,- gehanteerd, waarbij het indienen van het eerste bezwaarschrift het startpunt is. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift tegen bestreden besluit 1 door CIZ op 8 mei 2009 tot de datum van deze uitspraak zijn zeven jaar en ruim acht maanden verstreken. Noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van betrokkene zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaren zou mogen bedragen. Dat betekent dat de toegestane behandelingsduur van vier jaar met drie jaar en acht maanden is overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 4.000,-.

5.5.

Vanaf de ontvangst door CIZ van het bezwaarschrift tot aan de datum van het bestreden besluit 1 zijn zeven maanden verstreken. CIZ zal worden veroordeeld tot een schadevergoeding van € 500,-. Vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 11 januari 2010 tot aan de datum van deze uitspraak zijn bijna 7 jaar verstreken. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 3.500,- ten laste van de Staat.

Conclusie

6. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak wordt vernietigd voor zover de besluiten van 3 april 2009 en 4 mei 2010 niet zijn herroepen en voor zover de rechtbank CIZ heeft opgedragen nader te beslissen op de daartegen gerichte bezwaren en het verzoek om schadevergoeding. De Raad zal de besluiten van 3 april 2009 en 4 mei 2010 herroepen en zelf voorzien zoals vermeld onder 4.11.

Proceskosten

7. De Raad ziet aanleiding om CIZ te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.485-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover de besluiten van 3 april 2009 en 4 mei 2010 niet zijn herroepen en voor zover daarbij aan CIZ is opgedragen nader op de bezwaren en het verzoek om schadevergoeding te beslissen;

herroept de besluiten van 3 april 2009 en 4 mei 2010;

voorziet zelf in de zaak door betrokkene voor de periode van 3 april 2009 tot 4 mei 2015 te indiceren voor Zorgzwaartepakket GGZ 3C en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde bestreden besluiten;

bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

veroordeelt CIZ tot vergoeding aan betrokkene van schade tot een bedrag van € 500,-;

veroordeelt de Staat tot vergoeding aan betrokkene van schade tot een bedrag van € 3.500,-;

veroordeelt CIZ in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van

€ 1.485,- en bepaalt dat van CIZ een griffierecht wordt geheven van € 466,-.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en M.F. Wagner en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van R.I. Troelstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2017.

(getekend) R.M. van Male

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

IvR


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature