Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Toepassing woonlandfactor op WGA-uitkering.

Uitspraak



15/1905 WIA en 15/2949 WIA

Datum uitspraak: 20 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 februari 2015, 14/919 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te Kaapverdië (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.J. van der Veen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld.

Namens appellant heeft mr. Van der Veen een schriftelijke zienswijze ingediend met betrekking tot het incidenteel hoger beroep.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2016. Voor appellant is verschenen mr. Van der Veen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.C.F.M. Mollee en mr. dr. J.H. Ermers.

OVERWEGINGEN

1.1.Betrokkene woont in Kaapverdië en heeft een loongerelateerde WGA-uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ontvangen.

1.2.

Bij besluit van 18 oktober 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van 11 november 2009 geen recht meer heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering en met ingang van die datum recht heeft op een vervolguitkering ter hoogte van € 391,72 bruto per maand.

2.1.

Bij besluit van 7 november 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat op de vervolguitkering een woonlandfactor van toepassing is en is de uitkering met ingang van 1 januari 2013 verlaagd naar € 302,24.

2.2.

Bij besluit op bezwaar van 3 januari 2014 zijn de bezwaren van appellant tegen deze verlaging ongegrond verklaard.

2.3.

Appellant heeft zijn beroep gebaseerd op de stelling dat het op 18 november 1981 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Kaapverdië inzake sociale zekerheid (NKV, Trb. 1982, 20) in de weg staat aan toepassing van het woonlandbeginsel. Appellant heeft zich voorts beroepen op artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in combinatie met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM en op artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).

3.1.

De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat het NKV niet in de weg staat aan toepassing van de woonlandfactor. De rechtbank is vervolgens tot het oordeel gekomen dat de inbreuk op het eigendomsrecht die wordt gemaakt door verlaging van de uitkering, pas voldoende wordt gecompenseerd als de verlaging ingaat zes maanden na het primaire besluit, te weten mei 2014. Het beroep is om die reden gegrond verklaard met bepalingen omtrent proceskosten in griffierecht.

3.2.

Appellant heeft in hoger beroep zijn gronden staande gehouden. Het Uwv heeft de gronden met betrekking tot het NKV gemotiveerd betwist.

3.3.

Het Uwv heeft zich in incidenteel hoger beroep gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank dat op grond van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM een uitlooptermijn van zes maanden na het primaire besluit van 7 november 2013 in acht had moeten worden genomen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Op 1 juli 2012 is de Wet Woonlandbeginsel in de sociale zekerheid (Wwsz) in werking getreden. Met deze wet is onder meer de artikel 62 van de Wet WIA gewijzigd, in het bijzonder het tweede lid. Hierdoor wordt aan de verzekerde die niet in Nederland, een lidstaat van de Europese Unie (EU), een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER), dan wel Zwitserland woont, een vervolguitkering slechts verstrekt ter hoogte van een bij ministeriële regeling vastgesteld percentage van het – kort samengevat – in Nederland geldende bedrag aan vervolguitkering. Voor Kaapverdië is dit percentage per 1 januari 2013 vastgesteld op 80%. Dit percentage wordt zo bepaald dat het een weergave is van de verhouding tussen het kostenniveau van het land waar de rechthebbende woonachtig is en dat van Nederland, waarbij dat percentage nooit hoger dan 100% kan zijn. Voor de rechthebbende die al voor 1 juli 2012 een vervolguitkering ontving, is de ingangsdatum van de wijziging van artikel 62 van de vervolguitkering bepaald op

1 januari 2013.

4.2.

Appellant heeft zich beroepen op het NKV. Dat verdrag bevat onder andere een bepaling die ziet op de verstrekking van een Nederlandse uitkering aan personen die zich in Kaapverdië bevinden. Artikel 5, eerste lid, van het NKV luidde ten tijde in geding als volgt:

1. Tenzij in dit Verdrag anders wordt bepaald, worden de uitkeringen bij invaliditeit of ouderdom of de uitkeringen aan nabestaanden, de renten bij arbeidsongevallen of beroepsziekten, de uitkeringen bij overlijden en de kinderbijslagen verkregen op grond van de wetgeving van een van de Verdragsluitende Partijen, aan de uitkeringsgerechtigden verstrekt, ook indien zij hun woonplaats op het grondgebied van de andere Partij vestigen.

4.3.

Partijen verschillen niet van mening over de vraag of de WGA-vervolguitkering geëxporteerd dient te worden, doch over de vraag of artikel 5 van het NKV toelaat of verbiedt dat deze uitkering wordt verlaagd, en dus slechts deels wordt verstrekt, bij het vestigen van de woonplaats in Kaapverdië.

4.4.

De Raad ziet geen aanknopingspunten om het Uwv en de rechtbank te volgen in een uitleg waarbij het deels niet verstrekken van een verkregen uitkering op grond van artikel 5 van het NKV is toegestaan en het geheel niet verstrekken van een dergelijke uitkering niet is toegestaan. Hiervoor is in de eerste plaats van belang dat artikel 5 van het NKV geen onderscheid maakt tussen beide vormen van aantasting van de uitkering. Met de rechtbank kan worden geconstateerd dat de tekst van artikel 5 van het NKV niet identiek is aan de tekst van artikel 5 van het Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko (NMV). In het NMV is niet alleen het intrekken doch ook expliciet het verminderen, wijzigen of schorsen van de uitkering wegens het wonen in het andere verdragsland uitgesloten. Artikel 5 van het NKV kan desalniettemin niet anders worden uitgelegd dan dat een uitkering waarop dit artikel betrekking heeft en ten aanzien waarvan de betrokkene aan alle ontstaansvoorwaarden voldoet, zonder aanpassingen aan een gerechtigde in het andere verdragsland dient te worden verstrekt. Hierbij is tevens van belang dat in de relatie met andere landen in het bilaterale sociale zekerheidsverdrag zelf is vastgelegd dat de uitkering kan worden aangepast aan het kostenniveau van het woonland of dat de export verdergaand kan worden beperkt of uitgesloten. Dit is bijvoorbeeld het geval in de artikelen 35a en 35b van het NMV en artikel 5, derde lid, van het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Arabische Republiek Egypte.

4.5.

De conclusie moet zijn dat artikel 5 van het NKV geen mogelijkheid schept de vervolguitkering te verlagen louter op de grond dat de gerechtigde zich in Kaapverdië heeft gevestigd. De toepassing van het woonlandbeginsel bij het vaststellen van de hoogte van de uitkering is hiermee in strijd.

5.1.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep van appellant slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het primaire besluit herroepen. Het incidenteel hoger beroep van het Uwv behoeft, gezien het voorgaande, geen bespreking.

5.2.

Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de kosten van appellant voor verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden begroot op € 495,- in bezwaar, en op € 990,- in hoger beroep, in totaal € 1.485,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

vernietigt de aangevallen uitspraak met uitzondering van de beslissingen over proceskosten en griffierecht;

verklaart het beroep tegen het besluit van 3 januari 2014 gegrond;

vernietigt het besluit van 3 januari 2014;

herroept het besluit van 7 november 2013;

veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 1.485,-;

bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 123,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en E.E.V. Lenos en

M.A.H. van Dalen-van Bekkum als leden, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2017.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) J.W.L. van der Loo

CVG

Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature