Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Aangevallen uitspraak 1 Rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat zorgvuldig medisch onderzoek is verricht door de artsen van het Uwv. Geen reden voor twijfel aan vastgestelde belastbaarheid. Voor benoemen van een deskundige geen reden. Functies passend. Appellant komt niet in aanmerking voor IVA-uitkering. Wel vergoeding proceskosten en griffierecht. Aangevallen uitspraak 2 Medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. FML aangepast. Geschikt voor de functies. Juiste maatstaf arbeid. Wat in hoger beroep is aangevoerd, geeft geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan en geeft onvoldoende reden om een onafhankelijke deskundige om advies te vragen. Aangevallen uitspraak 3 Terecht oordeel rechtbank dat medisch onderzoek voldoende zorgvuldig en volledig was. Gronden afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze niet slagen. Overwegingen in aangevallen uitspraak 3 worden volledig onderschreven. In hoger beroep geen medische gegevens ingebracht die tot ander oordeel moeten leiden over de medische belastbaarheid van appellant. In mei 2016 toekenning WIA-uitkering. Geen aanleiding tot benoeming onafhankelijk deskundige. Uwv terecht vastgesteld dat appellant met ingang van 2 juni 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld.

Uitspraak



15/2430 WIA, 16/347 ZW, 16/3802 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van

8 april 2015, 14/7102 (aangevallen uitspraak 1), 18 december 2015, 15/2402 (aangevallen uitspraak 2), 1 juni 2016, 15/4737 (aangevallen uitspraak 3) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 10 mei 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting in de zaken heeft gevoegd plaatsgevonden op 29 maart 2017. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Kneefel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was laatstelijk werkzaam als machinebediende voor gemiddeld 37,70 uur per week. Hij heeft zich op 25 mei 2012 ziek gemeld wegens een kwaadaardige aandoening.

1.2.

Op 27 februari 2014 heeft appellant een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Hij is op 24 maart 2014 onderzocht door een arts van het Uwv. Deze arts heeft de beperkingen van appellant weergegeven in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 31 maart 2014. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis daarvan de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend op minder dan 35%. Bij besluit van 22 april 2014 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 23 mei 2014 geen recht heeft op een

WIA-uitkering.

1.3.

Bij besluit van 24 september 2014 (bestreden besluit 1) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 april 2014, onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 september 2014 en het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 23 september 2014, ongegrond verklaard.

1.4.

Appellant heeft zich op 1 september 2014 opnieuw ziek gemeld nadat hij onwel was geworden na een injectie in zijn rechterschouder. Hij ontving op dat moment een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Op het spreekuur van 25 september 2014 heeft een bedrijfsarts appellant per 29 september 2014 geschikt geacht voor (ten minste één van) de in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functies. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 25 september 2014 vastgesteld dat appellant per 29 september 2014 geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). Bij beslissing op bezwaar van

10 april 2015 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit 2 ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 maart 2015 en een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van

6 april 2015 ten grondslag.

1.5.

Appellant heeft zich op 4 mei 2015 opnieuw vanuit de WW ziek gemeld in verband met een toename van de al bekende klachten en buikklachten. Op het spreekuur van 26 mei 2015 heeft een verzekeringsarts appellant per 2 juni 2015 geschikt geacht voor (ten minste één van) de in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functies. Het Uwv heeft bij besluit van 26 mei 2015 vastgesteld dat appellant per 2 juni 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 27 juli 2015 (bestreden besluit 3) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 27 juli 2015 ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen van appellant tegen de bestreden besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard.

2.1.

Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het onderzoek van het Uwv op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Het onderzoek is gebaseerd op de anamnese, een eigen onderzoek en informatie van de behandelend sector. Hetgeen appellant in beroep heeft aangevoerd heeft de rechtbank geen reden gegeven het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. De rechtbank heeft nog opgemerkt dat, indien het item vervoer onjuist in de FML is gewaardeerd, het Uwv ter zitting voldoende heeft toegelicht dat aanscherping van dit punt in de FML geen gevolgen heeft voor de geschiktheid van appellant voor de reeds geselecteerde functies.

2.2.

Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv terecht onderzocht of appellant geschikt was voor ten minste één van de functies die hem in het kader van de Wet WIA-beoordeling zijn voorgehouden. De rechtbank heeft in wat van de zijde van appellant is aangevoerd geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de conclusie van het Uwv dat appellant vanaf 29 september 2014 weer in staat kon worden geacht tot het verrichten van zijn arbeid.

2.3.

Bij aangevallen uitspraak 3 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 3 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen geen aanleiding te zien om te oordelen dat de rapporten van de verzekeringsartsen niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen, dan wel onvolledig zijn. De rechtbank heeft ook geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van de inhoud van die rapporten.

3.1.

In hoger beroep tegen de aangevallen uitspraken heeft appellant − samengevat − aangevoerd dat hij op 23 mei 2014 en daarna fysiek en psychisch meer was beperkt dan door het Uwv is vastgesteld en ook door de rechtbank is aangenomen. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat hij duurzaam arbeidsongeschikt is en vanaf die datum in aanmerking zou moeten komen voor een IVA-uitkering. In dat verband heeft appellant met name gewezen op de verklaringen van neuroloog dr. J.E.C. Bromberg van 16 juli 2012, 6 november 2014,

17 augustus 2016 en 28 september 2016 en MDL-arts L. Berk van 17 juni 2015, waaruit blijkt dat appellant bekend is met een hersentumor en epilepsie en tevens bij een psychiater onder behandeling is voor een depressie. Voorts heeft appellant verwezen naar nadere rapporten van Psychosofia van 17 augustus 2015, 16 februari 2016, 19 juli 2016 en 25 februari 2017. Naar de mening van appellant is het onbegrijpelijk dat hem, ondanks de beperkingen die veroorzaakt worden door hersenmaligniteit en epilepsie, productiefuncties worden voorgehouden die uitgaan van een normale concentratie en een uitstekende hand-, oog- en armcoördinatie en duurbelasting.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraken bepleit. In reactie op de gronden in hoger beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de FML op

6 oktober 2016 aangepast op het item 1.1.1, ‘vasthouden van de aandacht’. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft enkele van de geselecteerde functies laten vervallen en op grond van de overgebleven functies de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op minder dan 35% vastgesteld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat appellant per einde wachttijd in staat moet worden geacht de functies productiemedewerker (samenstellen van producten; 111180), wikkelaar, samenstellen elektronische apparatuur (267050) en medewerker tuinbouw (planten, bloemen en vruchten; 111010) te vervullen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

aangevallen uitspraak 1

4.1.

Op goede gronden en op basis van een juiste motivering heeft de rechtbank geconcludeerd dat een zorgvuldig medisch onderzoek is verricht door de artsen van het Uwv. Op het spreekuur van 24 maart 2014 heeft de arts eigen onderzoek verricht naar de beperkingen van appellant. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant aangewezen is op werkzaamheden in een werkomgeving met weinig longprikkelende omstandigheden. Zware fysieke belastingen zijn niet mogelijk, evenals zware psychische stress. Ladders, hoogtes, stellingen en steigers dienen vermeden te worden evenals gevaar opleverende machines, gevaarlijke draaiende machineonderdelen en het werken met of op rijdende machines. Hij mag geen voertuigen besturen of een solitaire functie vervullen. Zware krachtfuncties, zoals zwaar tillen, langdurig heffen boven schouderniveau en frequent ver reiken met de rechterarm zijn beperkt.

4.2.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 11 september 2014 uiteengezet dat met de aangegeven beperkingen voor werk zonder veelvuldige deadlines en productiepieken en werk zonder verhoogd risico en beperkingen ten aanzien van het sociaal functioneren voldoende rekening is gehouden met de epilepsie. Ook langdurig beeldschermwerk is gezien de epilepsie niet aan te raden. Er zijn daarom onder meer beperkingen aangenomen voor schouderbelasting. Terecht heeft de rechtbank van belang geacht dat de door appellant ingebrachte medische informatie kenbaar bij de beoordeling is betrokken.

4.3.

In wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd tegen de medische grondslag van het bestreden besluit wordt geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen. Zoals blijkt uit het betreffende rapport heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de FML van

6 oktober 2016 een extra beperking aangenomen op het aspect vasthouden van de aandacht. Uit de informatie van de neuroloog Bromberg heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in een rapport van 9 januari 2017 geconcludeerd dat de progressiviteit in klachten en beperkingen eerst na de datum in geding naar voren is gekomen. Een standpunt dat inzichtelijk is gemotiveerd en navolgbaar is.

4.4.

Wat betreft de rapporten van het Instituut Psychosofia wordt overwogen dat deze relevante argumenten kunnen bevatten ter onderbouwing van het standpunt van appellant. In die rapporten worden echter geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat voor appellant op de datum in geding zwaardere beperkingen zouden moeten worden aangenomen.

4.5.

Niet is gebleken dat in de FML van 6 oktober 2016 te weinig beperkingen voor appellant zijn aangenomen. Nu beide partijen hun standpunten hebben onderbouwd met medische informatie en er geen reden is voor twijfel aan de vastgestelde belastbaarheid, is voor het benoemen van een deskundige geen reden.

4.6.

Ervan uitgaande dat de beperkingen van appellant juist zijn gewaardeerd, is er geen aanleiding is om te oordelen dat de in hoger beroep aan de schatting ten grondslag gelegde functies, waarbij het verlies aan verdiencapaciteit is gesteld op minder dan 35%, niet passend zijn voor appellant. Appellant komt daarom ook niet in aanmerking voor een IVA-uitkering.

4.7.

Nu het Uwv eerst in hoger beroep met het overleggen van de FML van 6 oktober 2016 en het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 26 oktober 2016 het bestreden besluit deugdelijk heeft gemotiveerd, maar deze nadere motivering geen wijziging teweegbrengt in het bestreden besluit, worden met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hieraan geen gevolgen verbonden. Dit leidt er toe dat het hoger beroep niet slaagt en dat aangevallen uitspraak 1 voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Er bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant voor verleende rechtsbijstand in beroep en hoger beroep tegen bestreden besluit 1. Deze kosten worden begroot op € 990,- in beroep en op € 495,- in hoger beroep. De kosten betreffende de rapporten van het Instituut Psychosofia komen, onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4648, niet voor vergoeding in aanmerking. Gezien hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.7, slaagt het hoger beroep niet, zodat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

aangevallen uitspraak 2

6.1.

Inzake de handhaving van de vaststelling dat appellant met ingang van

29 september 2014 geen recht meer heeft op ziekengeld, wordt – evenals de rechtbank heeft gedaan – overwogen dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in informatie van neuroloog Bromberg van

6 november 2014 aanleiding gezien om appellant aanvullend op de FML van

31 maart 2014 licht beperkt te achten voor vasthouden van de aandacht. De arbeidskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 6 april 2015 vastgesteld dat appellant per

29 september 2014 arbeidsgeschikt kan worden geacht voor het verrichten van de in het kader van de Wet WIA geselecteerde functie van productiemedewerkster (111180). Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die zijn geselecteerd bij de schatting in het kader van de Wet WIA. Gelet hierop is het Uwv van een juiste maatstaf arbeid uitgegaan.

6.2.

Wat in hoger beroep is aangevoerd, geeft geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan en geeft onvoldoende reden om een onafhankelijke deskundige om advies te vragen. Het door appellant in hoger beroep overgelegde rapport van

16 februari 2016 van Instituut Psychosofia werpt geen ander licht op de medische situatie van appellant op de datum in geding. De brieven van de MDL-arts Berk van 17 juli 2015 en van neuroloog Bromberg van 17 augustus 2016 en 28 september 2016 zien niet op de datum in geding, zodat ook daaruit niet valt af te leiden dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperkingen van appellant op dat tijdstip onjuist heeft beoordeeld.

6.3.

Gelet op wat is overwogen onder 6.1 en 6.2 heeft het Uwv terecht vastgesteld dat appellant met ingang van 29 september 2014 geen recht meer heeft op ziekengeld. Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt. Aangevallen uitspraak 2 zal worden bevestigd. Bij deze uitkomst bestaat geen grond voor toewijzing van het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding.

7. Voor een vergoeding in de proceskosten is geen aanleiding.

aangevallen uitspraak 3

8.1.

Met betrekking tot bestreden besluit 3, dat betrekking heeft op de beëindiging van ziekengeld per 2 juni 2015, wordt overwogen dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig en volledig is geweest.

8.2.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft betoogd. De rechtbank heeft deze gronden afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat de desbetreffende gronden niet slagen. De overwegingen in aangevallen uitspraak 3 daartoe worden volledig onderschreven.

8.3.

Er zijn in hoger beroep geen medische gegevens ingebracht die tot een ander oordeel moeten leiden over de medische belastbaarheid van appellant. Uit de informatie van neuroloog Bromberg heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat de progressiviteit in klachten en beperkingen eerst na de datum in geding naar voren zijn gekomen, wat in mei 2016 heeft geleid tot de toekenning van een WIA-uitkering. Het standpunt van het Uwv, zoals verwoord in het rapport van 20 februari 2017 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, wordt onderschreven. In het voorgaande ligt besloten dat geen aanleiding bestaat tot benoeming van een onafhankelijk deskundige zoals door appellant wordt voorgestaan.

8.4.

Gelet op wat is overwogen onder 8.1 tot en met 8.3 heeft het Uwv terecht vastgesteld dat appellant met ingang van 2 juni 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld. Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt. Aangevallen uitspraak 3 zal worden bevestigd. Bij deze uitkomst bestaat geen grond voor toewijzing van het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding.

9. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraken;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep tot een

bedrag van € 1.485,-;

- wijst de verzoeken om veroordeling tot vergoeding van schade af;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en E.W. Akkerman en

A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2017.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) R.H. Budde

GdJ


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature