Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Schuldig nalatig verklaard. Appellant heeft niet aangetoond dat hij aan al zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan.

Uitspraak



14/4499 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

10 juli 2014, 13/7418 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] , Duitsland (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 12 mei 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.E.I.K. Jaminon, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van een enkelvoudige kamer op 5 augustus 2016. Appellant is daar verschenen, bijgestaan door mr. Jaminon. Namens de Svb is verschenen

mr. H.S. van Zanten.

Het onderzoek is heropend na de zitting. Vervolgens is de zaak verwezen naar een meervoudige kamer van de Raad.

Op verzoek van de Raad heeft de Svb een nadere schriftelijke toelichting verstrekt.

Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 31 maart 2017, waar appellant, mr. Jaminon en mr. Van Zanten opnieuw zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is in 2005 vanuit Nederland naar België verhuisd. Op 13 maart 2005 is hij uitgeschreven uit de toenmalige gemeenschappelijke basisadministratie (GBA). In 2009 heeft de Belastingdienst de Svb bericht dat appellant over het jaar 2003 een bedrag van € 3.797,- aan inkomstenbelasting en/of premie volksverzekeringen niet heeft betaald. De Svb heeft in juni 2009 een poging gedaan om appellant op de hoogte te stellen van de verkregen informatie van de Belastingdienst en hem mede te delen hoe hij kon voorkomen schuldig nalatig verklaard te worden. Bij raadpleging van de GBA bleek dat appellant daarin sinds

13 maart 2015 niet meer was opgenomen. De Svb heeft appellant toen niet kunnen bereiken. Appellant heeft ter zitting verklaard tot september 2009 steeds op hetzelfde adres in België te hebben gewoond.

1.2.

In 2011, toen appellant inmiddels in Duitsland woonde, is hij grensoverschrijdend in Nederland gaan werken. Zijn inhoudingsplichtige Nederlandse werkgevers hebben loonaangifte gedaan onder vermelding van het adres van appellant. Aldus is de Svb in de loop van 2013 via een systeemmelding achter het actuele buitenlandse adres van appellant gekomen.

1.3.

Bij besluit van 3 juni 2013 heeft de Svb appellant schuldig nalatig verklaard over het tijdvak van 1 augustus 2003 tot en met 31 december 2003 ter zake van het niet betalen van premie ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Daarbij is de Svb ervan uitgegaan dat appellant niet in Nederland woonde, maar vanaf 1 augustus 2003 verzekerd was op grond van werken in loondienst.

1.4.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 3 juni 2013. Hij heeft aangevoerd dat in de periode voorafgaand aan 2003 een conflict is ontstaan met een inspecteur van de Belastingdienst. Na tussenkomst van de juridisch adviseur van appellant is overeengekomen dat appellant een som van ongeveer € 14.000,- zou betalen tegen finale kwijting van alle aanslagen en vorderingen van de Belastingdienst over de periode waarop het conflict betrekking had, met inbegrip van 2003. Kort hierna zou appellant toch nog een aanslag over 2003 hebben ontvangen, die op een misverstand berustte en door de juridisch adviseur met de Belastingdienst werd afgehandeld. Van een premieschuld over 2003 kan volgens appellant dan ook geen sprake zijn. Appellant heeft verder laten weten niet meer te beschikkien over stukken betreffende de schikking. De administraties van de bedrijven waarvoor appellant heeft gewerkt en de administratie van zijn juridisch adviseur zijn in verband met het verstrijken van de wettelijke bewaartermijn van zeven jaren vernietigd. Wel heeft appellant enkele schriftelijke verklaringen van zijn juridisch adviseur overgelegd, waarin deze het bestaan van een schikking over de periode van 2001 tot en met 2003 bevestigt. Volgens appellant heeft hij zich bij vertrek uit Nederland uit de GBA laten uitschrijven en daarbij tevens zijn nieuwe adres in België gemeld.

1.5.

Naar aanleiding van de stellingen van appellant hebben de gemachtigde van appellant en de Svb in diverse stadia van deze procedure nadere informatie ingewonnen bij de Belastingdienst. De Belastingdienst heeft laten weten dat als gevolg van het verlopen van de maximale bewaartermijn in het systeem geen informatie is terug te vinden die wijst op een schikking of finale kwijting. Evenmin beschikt men nog over een papieren archief. Ook betaling van het door appellant genoemde bedrag is wegens het lange tijdsverloop niet meer na te gaan.

2. Bij besluit van 8 november 2013 heeft de Svb het bezwaar ongegrond verklaard en, omdat inmiddels was gebleken dat appellant gedurende het gehele jaar 2003 in Nederland had gewoond, appellant over dit gehele jaar schuldig nalatig verklaard ter zake van het niet betalen van AOW-premie. Daarbij is overwogen dat de aanslag over 2003 met dagtekening

1 juli 2005 is opgelegd naar aanleiding van een aangifte van appellant in 2005, zodat appellant een aanslag kon verwachten. Met de verklaring van de juridisch adviseur heeft appellant volgens de Svb niet voldoende aangetoond dat een finale kwijting over het jaar 2003 heeft plaatsgevonden. Voorts kan het bezwaar niet zijn gegrond op het verweer dat de aanslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is opgelegd.

3. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank komen de stellingen van appellant er in essentie op neer dat de aanslag voor het jaar 2003 in verband met de finale kwijting ten onrechte is opgelegd. Op grond van het bepaalde in artikel 18a van de Wet financiering volksverzekeringen (Wfv) kan de rechtmatigheid van de aanslag geen onderwerp zijn van deze procedure. De bewijslast dat het niet betalen van de premie niet aan appellant kan worden toegerekend, berust bij appellant. Naar het oordeel van de rechtbank is appellant er niet in geslaagd dit bewijs te leveren. Dat het actuele adres van appellant in 2009 niet in de GBA was terug te vinden, komt volgens de rechtbank voor rekening en risico van appellant.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de rechtbank terecht het besluit van de Svb in stand heeft gelaten waarbij appellant over het gehele jaar 2003 schuldig nalatig is verklaard ter zake van het niet betalen van AOW-premie.

4.2.

Ingevolge artikel 18, tweede lid, van de Wfv is een premieplichtige schuldig nalatig indien hij nalaat de door hem op aanslag verschuldigde premie voor de volksverzekeringen te betalen. Voor zover de premieplichtige kan aantonen dat er omstandigheden aanwezig zijn op grond waarvan het niet betalen van de premie hem niet toegerekend kan worden, wordt afgezien van het schuldig nalatig stellen van de premieplichtige.

4.3.

Voor zover appellant heeft willen betogen dat de aanslag over 2003 hem niet meer had mogen worden opgelegd, heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat artikel 18a van de Wfv zich ertegen verzet dat dit punt in deze procedure aan de orde komt. Het beroep kan op grond van deze bepaling immers niet zijn gegrond op het verweer dat de aanslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld. In deze procedure is het daarom een gegeven dat appellant over 2003 premie verschuldigd was.

4.4.

Ten aanzien van de vraag of appellant heeft nagelaten de premie te betalen, wordt vastgesteld dat volgens het geautomatiseerde systeem van de Belastingdienst rond 1 juli 2005 aan appellant een aanslag over 2003 is opgelegd, waarvan een bedrag ad € 3.797,- nog verschuldigd was. Uit de gegevens van de Belastingdienst blijkt niet dat sprake is geweest van een schikking en van betaling van een bedrag tegen finale kwijting. Ook appellant kan deze stelling niet onderbouwen met documenten, zoals een schikkingsovereenkomst of een betalingsbewijs.

4.5.

De bewijsnood van zowel appellant als (indirect) de Belastingdienst is voor een belangrijk deel het gevolg van het tijdsverloop tussen de oplegging van de aanslag (2005) en het moment van de beslissing tot schuldig nalatigverklaring (2013), waardoor de wettelijke bewaartermijn was verstreken. Niet in geschil is dat de Svb in 2009, kort na het ontvangen van het bericht van de Belastingdienst, heeft geprobeerd appellant te informeren over de mogelijke schuldige nalatigheid. Op dat moment had de Svb de stelling van appellant dat een schikking had plaatsgevonden die mede betrekking had op het jaar 2003, bij de Belastingdienst kunnen verifiëren. Ook appellant of zijn juridisch adviseur beschikte mogelijk op dat moment nog over de stukken. De Svb heeft appellant echter niet kunnen bereiken omdat zijn nieuwe adres (in België) niet in de GBA was vermeld.

4.6.

Ingevolge artikel 68 van de Wet GBA , zoals dat ten tijde hier van belang luidde, is de ingezetene die naar redelijke verwachting gedurende een jaar ten minste twee derden van de tijd buiten Nederland zal verblijven, verplicht, bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van inschrijving binnen vijf dagen voor zijn vertrek uit Nederland schriftelijk aangifte van vertrek te doen. Hij doet in die aangifte mededeling van dat vertrek, van het volgende land van verblijf en van het eerste adres van verblijf in dat land. Nu het nieuwe adres van appellant in 2009 niet in de GBA was opgenomen, wordt ervan uitgegaan dat appellant in 2005 niet aan zijn verplichting op grond van artikel 68 van de Wet GBA heeft voldaan.

4.7.

Ingevolge artikel 18, derde lid, aanhef en onder c, van de Wfv wordt van het schuldig nalatig stellen niet afgezien indien de premieplichtige de bekendmaking van de beschikking met betrekking tot het stellen van een aantekening als bedoeld in het eerste lid bemoeilijkt of onmogelijk maakt omdat is nagelaten te voldoen aan onder andere de krachtens artikel 68 van de Wet GBA geldende verplichtingen.

4.8.

Derhalve dient de bewijsnood van appellant met betrekking tot zijn stelling dat hij al het verschuldigde heeft betaald, voor rekening en risico van appellant te komen. De vraag is dan of appellant met het overleggen van enkele verklaringen van zijn juridisch adviseur toereikend heeft aangetoond dat hij aan al zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan.

4.9.

Geoordeeld wordt dat dit niet het geval is. In de eerste plaats lijkt het niet aannemelijk, zoals de Svb terecht heeft aangevoerd, dat er in geval van een betaling tegen finale kwijting nog een vordering in het systeem van de Belastingdienst staat, onder welke code dan ook. Dat in dit geval de wat onbestemde code van oninbaarheid 58 (overige redenen) is gebruikt, doet daaraan niet af. Het is de Raad ambtshalve bekend dat in gevallen van schuldige nalatigheid frequent gebruik wordt gemaakt van code 58. In de tweede plaats is de verklaring van de juridisch adviseur op het punt van de inhoud van de vermeende schikking weinig gedetailleerd en op punten afwijkend van de verklaring van appellant. Zo verschillen de verklaringen met betrekking tot het bedrag dat gemoeid is met de schikking. De juridisch adviseur herinnert zich verder geen aanvullende aanslag over 2003, die op een vergissing zou hebben berust en waarover hij contact zou hebben gehad met de Belastingdienst. Voor zover al sprake is geweest van enige schikking, is overigens niet komen vast te staan dat de vermeende “finale kwijting” ook betrekking zou hebben op eventuele nieuwe aanslagen als gevolg van nadere inkomensgegevens.

4.10.

Geconstateerd wordt dat appellant niet heeft aangetoond dat hij aan al zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan.

4.11.

Voor zover appellant heeft willen aanvoeren dat het niet betalen, voor zover daarvan sprake zou zijn, hem niet kan worden verweten omdat hij nooit een herinnering heeft ontvangen en er nooit incassomaatregelen zijn toegepast, dient dit verweer te worden verworpen. Op grond van artikel 18, derde lid, aanhef en onder b, van de Wfv wordt van het schuldig nalatig stellen immers niet afgezien als de premie voor de volksverzekeringen niet of niet geheel kan worden ingevorderd omdat is nagelaten te voldoen aan de krachtens artikel 68 van de Wet GBA geldende verplichtingen.

4.12.

Uit wat onder 4.1 tot en met 4.11 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos als voorzitter en M.M. van der Kade en

M.A.H. van Dalen-van Bekkum als leden, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2017.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) L.H.J. van Haarlem

KP


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature