Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online

U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Schending ambtsgeheim en plichtsverzuim staan vast. Beroep van betrokkene op gelijkheidsbeginsel slaagt niet maar leidt niet tot andere uitkomst gelet op overweging 5.3. Bevestiging aangevallen uitspraak met verbetering van gronden. De bij het nadere besluit opgelegde disciplinaire straf van voorwaardelijk ontslag doet meer recht aan de omstandigheden van dit geval. De Raad acht dit voorwaardelijk ontslag met een proeftijd van twee jaar niet onevenredig aan het plichtsverzuim. Deze proeftijd van twee jaren is inmiddels verstreken.

Uitspraak



16/7497 AW, 17/757 AW, 17/891 AW

Datum uitspraak: 11 mei 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank [naam eenheid] van

22 november 2016, 15/663 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de korpschef van politie (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.T.J.H. Berns, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. drs. M.H. Welter een verweerschrift ingediend en tevens incidenteel hoger beroep ingesteld.

Namens appellant heeft mr. Berns een zienswijze gegeven over het incidenteel hoger beroep.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant op 17 januari 2017 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Namens betrokkene heeft mr. drs. Welter hierop een reactie gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Berns, drs. A.F. Quaedvlieg en A.Chr.W.V. Smeets. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. drs. Welter.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene was werkzaam bij de politie, laatstelijk in de rang van [rang] in de Eenheid [naam eenheid].

1.2.

Op 20 januari 2012 heeft [naam A] te [vestigingsplaats] betrokkene, die hij kende via een Vereniging van Eigenaren en die toentertijd werkzaam was in de voormalige politieregio [naam politieregio] als [naam functie], benaderd om te achterhalen of hij met de investering van € 400.000,- in vastgoedprojecten in Duitsland was opgelicht.

1.3.

Diezelfde dag heeft betrokkene via zijn privé-e-mailadres aan het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) [naam eenheid] een informatieverzoek gedaan betreffende in de e-mail bij naam genoemde bedrijven en personen.

1.4.

Op 24 januari 2012 heeft betrokkene op zijn politie-e-mailadres een e-mail ontvangen van de Duitse politie, waarin informatie werd verstrekt over een bedrijf en personen. Op

29 januari 2012 heeft betrokkene op zijn politie-e-mailadres een e-mail ontvangen van het Nederlandse Consulaat te Dubai, waarin werd aangegeven dat een bepaald bedrijf niet stond geregistreerd in Dubai.

1.5.

Betrokkene heeft beide berichten op respectievelijk 24 januari 2012 en 31 januari 2012, door tussenkomst van de directiesecretaresse bij [naam A] doorgezonden aan [naam A]. Het bericht van 29 januari 2012 is, vermoedelijk door deze directiesecretaresse, tevens doorgezonden naar L, belastingadviseur van [naam A] en werkzaam bij [naam bedrijf] te [woonplaats].

1.6.

Nadat appellant het voornemen daartoe bekend had gemaakt en betrokkene zijn zienswijze daarop naar voren had gebracht, heeft appellant bij besluit van 15 mei 2014 (ontslagbesluit) betrokkene onder toepassing van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) met ingang van 18 mei 2014 de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd. Appellant heeft betrokkene verweten in strijd met de op hem rustende verplichting vertrouwelijke politie-informatie aan derden te hebben verstrekt. Daarnaast heeft appellant betrokkene verweten dat hij door zijn contacten met en optreden in de richting van [naam A], de schijn van belangenverstrengeling en van schending van de ambtelijke integriteit niet heeft weten te vermijden.

1.7.

Bij besluit van 23 januari 2015 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het ontslagbesluit ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft hiertoe geoordeeld dat overtuigend is komen vast te staan dat betrokkene zijn ambtsgeheim heeft geschonden. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat betrokkene de schijn van belangenverstrengeling heeft gewekt door zelf en zonder ruggenspraak de kwestie op te pakken die was aangekaart door [naam A]. Deze gedragingen leveren plichtsverzuim op en kunnen, nu appellant dat niet heeft bestreden, aan hem worden toegerekend. De rechtbank was evenwel van oordeel dat appellant in redelijkheid niet tot de opgelegde straf heeft kunnen komen. Betrokkene heeft aangegeven dat zijn doel steeds is geweest een burger vanuit zijn functie als politieman ter wille te zijn. Het feit dat betrokkene heeft gevraagd de informatie, waar hij via zijn privé-e-mailadres om heeft verzocht, te sturen naar zijn politie-e-mailadres, wijst ook in die richting. Betrokkene heeft van de vertrouwelijke informatie geen oneigenlijk gebruik gemaakt. Ook is niet gebleken dat [naam A] door de verstrekte informatie is bevoordeeld of dat derden zijn benadeeld. Appellant heeft het tegendeel, dat betrokkene niet vanuit zijn politietaak heeft gehandeld, niet aannemelijk kunnen maken. Het feit dat appellant de door betrokkene gestelde mutatie in het politieregistratiesysteem Basisvoorzieningen voor opsporing (BVO) niet heeft kunnen vinden, acht de rechtbank niet van doorslaggevend gewicht. Tenslotte acht de rechtbank het beroep op het gelijkheidsbeginsel door betrokkene deugdelijk onderbouwd. Appellant heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat geen sprake is van gelijke gevallen.

3. Het hoger beroep van appellant richt zich tegen het oordeel van de rechtbank over de onevenredigheid van de opgelegde disciplinaire straf, alsmede tegen wat de rechtbank heeft overwogen over het gelijkheidsbeginsel. Het incidenteel hoger beroep van betrokkene keert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat betrokkene de schijn van belangenverstrengeling heeft gewekt.

4.1.

Bij besluit van 17 januari 2017 (nader besluit) heeft appellant ter uitvoering van de aangevallen uitspraak met toepassing van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, in verbinding met artikel 78, eerste lid, van het Barp aan betrokkene de disciplinaire straf van ontslag opgelegd onder de bepaling dat deze niet ten uitvoer wordt gelegd indien betrokkene zich gedurende een termijn van twee jaar niet schuldig maakt aan soortgelijk of enig ander ernstig plichtsverzuim. Daarnaast heeft appellant betrokkene met toepassing van artikel 84, eerste lid, aanhef en onder c, van het Barp geschorst tot de definitieve uitspraak in hoger beroep.

4.2.

Betrokkene heeft tegen het nadere besluit aangevoerd dat dit in strijd is met de opdracht van de rechtbank, nu wederom de straf van ontslag is opgelegd. Het voorwaardelijke karakter van de straf doet er niet aan af dat de strafmaat niet proportioneel is. Een termijn van voorwaardelijkheid dient niet als strafvermindering, maar als uitstel en mogelijk afstel van de opgelegde straf. Appellant mag ook niet middels een schorsing, die zowel diffamerend is als financieel negatief uitpakt, in strijd met het oordeel van de rechtbank tewerkstelling van betrokkene belemmeren.

4.3.

De Raad zal het nadere besluit, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht , mede in de beoordeling betrekken.

5.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.2.

Betrokkene heeft de onder 1.5 beschreven gedraging erkend. Dat dit verstrekken van vertrouwelijke politie-informatie aan derden schending van het ambtsgeheim oplevert en plichtsverzuim inhoudt is evident en wordt door betrokkene ook niet weersproken.

5.3.

Partijen verschillen van mening over de vraag of de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag evenredig aan dit plichtsverzuim is te achten. Betrokkene heeft in dat verband betwist dat hij met de hem verweten gedraging de schijn van belangenverstrengeling heeft gewekt. Op zichzelf beschouwd volgt de Raad hem daarin niet. In aanmerking genomen dat betrokkene en [naam A] elkaar vanuit hun persoonlijk leven kenden en elkaar nu en dan ontmoetten, wekken het buiten de voorgeschreven kanalen om afhandelen van het verzoek van [naam A] en het aan [naam A] doorspelen van de resultaten daarvan, onmiskenbaar de schijn van belangenverstrengeling, wat de achterliggende intenties van betrokkene ook zijn geweest. Niettemin, en hoe zeer ook geldt dat betrokkene met zijn handelwijze een ernstige fout heeft gemaakt, deelt de Raad het oordeel van de rechtbank dat de opgelegde disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag niet evenredig is aan de aard en de ernst van het plichtsverzuim. Hierbij is, naast het gegeven dat betrokkene in zijn langjarige loopbaan bij de politie kennelijk nimmer eerder in de fout is gegaan, van belang dat niet is gebleken dat betrokkene heeft gehandeld vanuit enig ander motief dan dat van de uitvoering van de politietaak, dat [naam A] door de gang van zaken op generlei wijze is bevoordeeld en dat de informatieverstrekking aan [naam A] evenmin heeft geleid tot benadeling van enige derde.

5.4.

De Raad volgt appellant wel in zijn standpunt dat het beroep van betrokkene op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Anders dan in de onderhavige zaak kon in het door betrokkene genoemde geval het plichtsverzuim niet (meer) worden vastgesteld. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Gelet op wat is overwogen in 5.3 leidt dit echter niet tot een andere uitkomst.

5.5.

Uit 5.3 volgt dat noch het hoger beroep van appellant, noch het incidenteel hoger beroep van betrokkene slaagt. De aangevallen uitspraak komt, gelet op het overwogene onder 5.4 met verbetering van gronden, voor bevestiging in aanmerking.

Nader besluit van 17 januari 2017

5.6.

Met de schorsing van betrokkene bij het nadere besluit heeft appellant in feite de werking van de aangevallen uitspraak en van het ter uitvoering daarvan genomen nadere besluit willen opschorten. Schorsing is daarvoor niet het rechtens geëigende middel. Opschorting van een opdracht van de rechter kan alleen worden verkregen door middel van het vragen van een voorlopige voorziening. Dit betekent dat het nadere besluit in zoverre niet in stand kan blijven.

5.7.

Gelet op wat in 5.3 is overwogen, doet de bij het nadere besluit opgelegde disciplinaire straf van voorwaardelijk ontslag meer recht aan de omstandigheden van dit geval en acht de Raad dit voorwaardelijk ontslag met een proeftijd van twee jaar niet onevenredig aan het plichtsverzuim. De Raad deelt niet het standpunt van betrokkene dat het hier gaat om een straf van gelijke zwaarte als de straf van onvoorwaardelijk ontslag. Het nadere besluit brengt mee dat betrokkene recht heeft op nabetaling van bezoldiging, waarop volgens vaste rechtspraak

- vergelijk de uitspraak van 5 juni 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD5395, onder 4.2.4 - door appellant in mindering mag worden gebracht eventueel door betrokkene in de desbetreffende periode genoten loon.

5.8.

De Raad stelt tot slot vast dat nu, zoals de gemachtigde van appellant ter zitting heeft bevestigd, de ingangsdatum van het voorwaardelijk strafontslag 18 mei 2014 is, en dezelfde datum geldt voor de aanvang van de proeftijd, de proeftijd van twee jaren inmiddels is verstreken.

5.9.

Uit 5.6 en 5.7 volgt dat het beroep van betrokkene tegen het nadere besluit slechts slaagt voor zover betrokkene daarbij is geschorst. Het beroep wordt gegrond verklaard en het nadere besluit zal in zoverre worden vernietigd.

Proceskosten

5.10.

Aanleiding bestaat om appellant te veroordelen in de proceskosten die betrokkene in verband met het hoger beroep en het nadere besluit redelijkerwijs heeft moeten maken, tot een bedrag van € 1.237,50 voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 17 januari 2017 gegrond en vernietigt dit besluit

voor zover betrokkene daarbij is geschorst;

- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.237,50.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en M. Kraefft en H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2017.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) A.M. Pasmans

HD

Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature