Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Onvoorwaardelijk ontslag. Plichtsverzuim.

Uitspraak



14/1018 AW

Datum uitspraak: 4 mei 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

24 januari 2014, 13/3993 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Veiligheid en Justitie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.P.J. Franssen hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

De minister heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken overgelegd.

Na overleg tussen partijen heeft de minister een medische expertise aangevraagd bij

prof. dr. G.F. Koerselman, psychiater.

Met een concept-rapport heeft Koerselman verslag gedaan van zijn onderzoek. Partijen hebben op dit rapport hun zienswijze gegeven, waarna een definitief rapport van 27 juni 2016 is opgemaakt. Na overlegging van dit rapport aan de Raad, heeft appellant desgevraagd zijn zienswijze hierop gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2017. Appellant is verschenen bijgestaan door mr. Franssen. De minister werd vertegenwoordigd door mr. J.H. Sanders en drs. P.C.I. Boelhouwers.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 1 april 2001 werkzaam bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) in de functie van [naam functie A] in de penitentiaire inrichting [naam PI], locatie [locatie]. Op deze locatie waren naast het ambtelijk personeel van DJI ook ingehuurde medewerkers van beveiligingsbedrijf [naam beveiligingsbedrijf] werkzaam.

1.2.

In augustus 2012 hebben drie vrouwelijke medewerkers van [naam beveiligingsbedrijf] bij de minister melding gemaakt van ongewenste omgangsvormen en seksuele intimidatie door appellant. Naar aanleiding van deze melding heeft op 23 augustus 2012 een gesprek plaatsgevonden tussen appellant, een tweetal plaatsvervangend vestigingsdirecteuren en een waarnemend teamleider beveiliging. Vervolgens heeft de minister een disciplinair onderzoek laten uitvoeren door het Bureau Integriteit van de DJI. Medewerkers van het Bureau Integriteit hebben in het kader van dit onderzoek, naast de meldsters van het ongewenste gedrag, ook (ex-)collega’s van appellant gehoord. Als laatste is appellant zelf gehoord op 11 oktober 2012. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 17 oktober 2012.

1.3.

Nadat de minister het voornemen daartoe bekend had gemaakt en appellant daarover zijn zienswijze naar voren had gebracht, heeft de minister bij besluit van 14 januari 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 juni 2013 (bestreden besluit) aan appellant wegens zeer ernstig plichtsverzuim met onmiddellijke ingang, op grond van artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR), in verbinding met artikel 84 van het ARAR , de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Daaraan heeft de minister onder meer ten grondslag gelegd dat appellant vrouwelijke collega’s aanhoudend en ongewenst heeft benaderd door het stellen van seksueel getinte vragen, het maken van ongepaste opmerkingen en het vertonen van seksueel getint gedrag. Daarnaast heeft hij diverse vrouwelijke collega’s bedreigd, waarbij hij zich liet voorstaan op het feit dat hij medewerker van de DJI was, daarmee implicerend dat hij de leiding had. Appellant heeft zich gedragen in strijd met hetgeen een goed ambtenaar betaamt (artikel 50, eerste lid, van het ARAR) en met de Gedragscode DJI. Voor de ernst van het plichtsverzuim heeft de minister van belang geacht dat appellant het verweten gedrag bewust heeft vertoond en dat hij al eerder op zijn gedrag was aangesproken door zijn leidinggevende. Bovendien heeft appellant als medewerker van de DJI een voorbeeldfunctie voor de medewerkers van een extern beveiligingsbedrijf en is professionele integriteit in zijn functie een kerncompetentie.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat uit de verklaringen van de zes vrouwen die door het Bureau Integriteit zijn gehoord voldoende duidelijk blijkt dat appellant ten aanzien van vrouwelijke collega’s aanhoudend seksueel getinte opmerkingen maakte en ook anderszins zich schuldig maakte aan seksuele intimidatie. De rechtbank heeft in hetgeen door appellant daartegen is aangevoerd geen aanknopingspunten gezien om te twijfelen aan de door de betreffende personen afgelegde verklaringen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de betreffende vrouwelijke collega’s hun verklaringen voor elkaar hebben geschreven. Het beroep dat appellant heeft gedaan op de groepscultuur die zou heersen onder het personeel van de betreffende afdeling, eruit bestaande dat ook door collega’s op dezelfde wijze seksueel getinte opmerkingen werden gemaakt, is door de rechtbank verworpen. Daarbij heeft de rechtbank, onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad (waaronder de uitspraak van 13 januari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC4301) erop gewezen dat, zelfs indien van zo’n cultuur wel sprake is, dit appellant niet ontslaat van zijn eigen verantwoordelijkheid voor zijn gedrag. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van plichtsverzuim. Voorts is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het verweten gedrag aan appellant kan worden toegerekend. In het door appellant in beroep overgelegde (samenvatting van het) rapport van een tweetal psychologen van GGZ Oost Brabant, die appellant hebben onderzocht, heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het plichtsverzuim niet aan hem kan worden toegerekend. In het rapport van de GGZ is weliswaar geconcludeerd dat bij appellant sprake is van een pervasieve ontwikkelingsstoornis, niet anderszins omschreven (PDD-NOS), en van beperkingen op het gebied van sociale interactie en de communicatie, maar deze beperkingen rechtvaardigen niet de conclusie dat bij appellant enig besef van de onjuistheid van zijn gedrag ontbreekt. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het feitencomplex in voldoende mate dat appellant wist dat zijn gedrag niet door de beugel kon. De rechtbank acht voorts de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig aan de aard en de ernst van het plichtsverzuim. Daarbij is van belang dat aan een complexbeveiliger van een penitentiaire inrichting hoge eisen van integriteit en betrouwbaarheid worden gesteld. Ook acht de rechtbank in dit verband van belang dat appellant in het verleden al twee keer is gewaarschuwd voor soortgelijk gedrag. Ten slotte heeft de rechtbank het beroep op het gelijkheidsbeginsel verworpen op de grond dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van gelijke gevallen. Uit de beschikbare gedingstukken blijkt niet dat de door appellant genoemde collega’s zich in dezelfde mate schuldig hebben gemaakt aan hetzelfde gedrag als appellant wordt verweten.

3. Naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.

3.1.

De door appellant aan het hoger beroep ten grondslag gelegde standpunten zijn in essentie een herhaling van de gronden die hij in beroep heeft aangevoerd. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank deze gronden aan de orde gesteld en overtuigend gemotiveerd waarom deze gronden niet kunnen leiden tot een gegrondverklaring van het beroep. Dat de rechtbank daarbij het verzoek van appellant tot het oproepen van getuigen, eveneens gemotiveerd, heeft afgewezen, maakt dit niet anders. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen en maakt die tot de zijne. De Raad acht dan ook aannemelijk dat appellant de hem verweten gedragingen heeft begaan. Deze gedragingen zijn als plichtsverzuim aan te merken.

3.2.

Hetgeen appellant in hoger beroep nog heeft aangevoerd over de toerekenbaarheid van de verweten gedragingen in relatie tot het bij hem aanwezige autistische klachtenbeeld, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het gedrag niet aan hem kan worden toegerekend. Daarbij is van belang dat de vraag of plichtsverzuim is aan te merken als toerekenbaar plichtsverzuim volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 11 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4155) een vraag is naar de juridische kwalificatie van het betrokken feitencomplex. Voor de toerekenbaarheid is niet van doorslaggevende betekenis of het gedrag psychopathologisch verklaarbaar is, maar of de betrokkene de ontoelaatbaarheid van dat gedrag heeft kunnen inzien en overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen. Zoals de rechtbank terecht heeft vastgesteld, bevat het rapport van de GGZ-psychologen geen aanknopingspunten voor het oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van ontoerekenbaarheid in de hiervoor bedoelde betekenis. De door appellant in hoger beroep overgelegde verklaring van psychiater M. Winkler, waarin zij de conclusies uit het rapport van de psychologen onderschrijft, maakt dit niet anders. Ook het in hoger beroep overgelegde rapport van Koerselman geeft geen aanleiding voor de conclusie dat het verweten gedrag niet kan worden toegerekend. Koerselman acht de mogelijke aanwijzingen dat er bij appellant een autismespectrumstoornis zou bestaan, niet erg overtuigend. Voor zover dat toch het geval zou zijn, openbaart die zich in ieder geval alleen op het lichtste niveau en is die niet van een zodanige ernst dat appellant daardoor niet zou kunnen reageren op grenzen die anderen in contact met hem trekken. Er was bij appellant geen sprake van een zo ernstige communicatieve beperking, dat hij een duidelijke aanwijzing met betrekking tot het ongewenste van zijn gedrag niet zou hebben kunnen begrijpen en dat hij daaraan geen gevolg zou hebben kunnen geven. Koerselman heeft bij appellant geen aanknopingspunten kunnen vinden voor andere aandoeningen op psychiatrisch gebied. De Raad heeft geen reden om aan de juistheid van de bevindingen van Koerselman te twijfelen. De door appellant nog overgelegde beslissing van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van

20 november 2014, waarbij aan appellant met ingang van 10 november 2014 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is toegekend, geeft evenmin aanleiding voor een andersluidend oordeel over de toerekenbaarheid. Daartoe is van belang dat de aan appellant toegekende WIA-uitkering voortvloeit uit arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een motorongeval op 12 november 2012. Het rapport van de verzekeringsarts, waarin deze de beperkingen van appellant heeft vastgesteld, ziet voorts niet op de in dit geding relevante periode. Appellant heeft er op gewezen dat de verzekeringsarts ook beperkingen heeft opgenomen in rubriek 1.9 van de functionele mogelijkhedenlijst (cliënt is aangewezen op vaste, bekende werkwijzen, routine-afhankelijk), welke beperking volgens appellant is vastgesteld vanwege zijn autismespectrumstoornis. Nog daargelaten dat uit het rapport van de verzekeringsarts niet blijkt op grond van welk onderzoek hij tot de vaststelling van deze beperking is gekomen, kan op grond van het enkele gegeven dat voornoemde beperking is vastgesteld, niet de conclusie worden getrokken dat de verweten gedragingen niet aan appellant kunnen worden toegerekend.

3.3.

De Raad volgt appellant niet in zijn standpunt dat de minister, op grond van het beginsel van goed werkgeverschap, op het moment dat de leidinggevende van appellant voor het eerst op de hoogte raakte van het ongewenste gedrag, appellant had moeten verplichten zich onder medische behandeling te stellen. Voor een zo vergaande verplichting is geen rechtsgrond aan te wijzen, zodat de minister daartoe niet bevoegd is. Ook heeft appellant niet duidelijk gemaakt welk gevolg het onderschrijven van zijn standpunt voor het bestreden besluit zou moeten hebben.

3.4.

De Raad ziet in het functioneren van appellant voorafgaand aan de verweten gedragingen, zoals dat naar voren komt uit het dossier, geen aanwijzingen voor twijfel aan de geestelijke gezondheidstoestand van appellant. De enkele omstandigheid dat appellant niet eerder was gewaarschuwd maakt dat niet anders. Van eerdere ziekmeldingen of medische behandeling is niet gebleken. De minister was dan ook niet gehouden om naar de geestelijke gezondheidstoestand van appellant een nader onderzoek in te stellen, alvorens tot de hier bestreden besluitvorming over te gaan. Die gehoudenheid volgt ook niet uit de omstandigheid dat de minister, gedurende de fase van het hoger beroep, zonder daartoe verplicht te zijn, alsnog zo’n onderzoek heeft laten verrichten door Koerselman.

3.5.

Gelet op de aard en de ernst van het plichtsverzuim is de opgelegde straf van disciplinair ontslag ook naar het oordeel van de Raad niet onevenredig. Hij volstaat met een verwijzing naar de overwegingen van de rechtbank hierover, die hij onderschrijft.

3.6.

Uit 3.1 tot en met 3.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en

J.J.T. van den Corput en H. Benek als leden, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2017.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) A. Mansourova

HD

Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature