Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Onvoorwaardelijk ontslag. Ernstig plichtsverzuim.

Uitspraak



16/4222 AW, 16/4223 AW, 16/4540 AW

Datum uitspraak: 4 mei 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

24 mei 2016, 15/3484, 15/4161 en 15/7117 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft J.R. Seedorf hoger beroep ingesteld en verzocht om vergoeding van schade.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door J.R. Seedorf. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M. van Veeren en H. Adiaoui.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 22 januari 2007 in dienst bij de [gemeente] . Op

2 september 2013 heeft het college appellant de disciplinaire straf van onvoorwaardelijke plaatsing in een andere betrekking opgelegd wegens het bij herhaling zonder toestemming met een gevonden dienstpas parkeren in een parkeergarage voor dienstvoertuigen. Daarbij is vermeld dat bij een vergelijkbare of andere vorm van plichtsverzuim in de toekomst, een zwaardere disciplinaire straf kan worden opgelegd. Appellant heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddel aangewend.

1.2.

Vanaf 1 april 2014 vervulde appellant de functie van [functie] bij de afdeling [afdeling] . De [functie] is onder meer belast met het uitvoeren van onderhoud van de aanwezige apparatuur in parkeergarages, bij parkeerterreinen en bij parkeerautomaten en met het houden van toezicht op het correct gebruik van parkeergelegenheden en de naleving van de huisregels. Op 14 november 2014 heeft het college appellant de disciplinaire straf van vermindering van het salaris met twee periodieken voor de duur van twee jaar opgelegd wegens het met een dienstauto bezoeken van adressen die geen werklocatie zijn, het

’s nachts mee naar huis nemen van de dienstauto en het herhaaldelijk overschrijden van de maximaal toegestane snelheid. Bij functioneren zonder op- en aanmerkingen kan de inhouding van twee periodieken na een jaar worden teruggebracht naar inhouding van één periodiek. Bij hernieuwd vergelijkbaar of andersoortig plichtverzuim zal evenwel een zwaardere disciplinaire straf worden opgelegd, waarbij ontslag niet wordt uitgesloten. Ook tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend.

1.3.

Nadat ter zake op 8 januari 2015 met appellant een verantwoordingsgesprek was gevoerd, is appellant op 27 januari 2015 in kennis gesteld van het voornemen om hem disciplinair ontslag te verlenen wegens het vermoeden dat hij op 4 en op 7 januari 2015 gebruik heeft gemaakt van een zogeheten transponder om na werktijd zonder te betalen met zijn privéauto uit de parkeergarage [parkeergarage] te rijden. Op 4 februari 2015 heeft over het voornemen een hoorzitting plaatsgevonden. Bij besluit van 18 februari 2015 is appellant geschorst en is hem de toegang tot de dienstlocaties ontzegd. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt.

1.4.

Op 26 februari 2015 is appellant in kennis gesteld van het voorstel aan het college om hem disciplinair ontslag te verlenen. Hij is in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze daarover kenbaar te maken. Vervolgens heeft het college hem bij besluit van 23 april 2015 de disciplinaire straf van ontslag opgelegd, waarbij is bepaald dat deze straf onmiddellijk ten uitvoer wordt gelegd. Het ontslag is gegrond op de volgende gedragingen. Appellant heeft bij het uitrijden uit de parkeergarage [parkeergarage] op 4 januari 2015 geen betaling verricht bij de betaalautomaat maar is, om 17.03 uur, uitgereden met gebruikmaking van een uit een dienstauto afkomstige transponder. Pas nadat hem daarom was gevraagd heeft hij, op

7 januari 2015, de transponder teruggegeven. Ook op 7 januari 2015 is appellant, om

17.03

uur, uitgereden zonder te betalen, ditmaal met gebruikmaking van zijn eigen, uitsluitend voor de dienst bestemde, transponder. Het college beschouwt een en ander als ernstig plichtsverzuim. Appellant is twee maal eerder disciplinair bestraft, waarbij hij erop is gewezen dat bij herhaald plichtsverzuim een zwaardere straf kan worden opgelegd. Daarbij komt dat aan een mobilist hoge integriteitseisen worden gesteld. Dit alles in aanmerking genomen acht het college het gerechtvaardigd de zwaarst mogelijke straf van onvoorwaardelijk ontslag op te leggen. Ook tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt.

1.5.

Bij besluiten van 4 juni en 30 oktober 2015 heeft het college de bezwaren ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, de beroepen tegen de besluiten van 4 juni en 30 oktober 2015 ongegrond verklaard.

3. De Raad komt, naar aanleiding van wat partijen hebben aangevoerd, tot de volgende beoordeling

Schorsing en toegangsontzegging

3.1.

Indien gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid om een ambtenaar wegens een voorgenomen disciplinair ontslag te schorsen, moet volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 3 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK7366) worden beoordeeld of het bestuursorgaan bij het nemen van het schorsingsbesluit beschikte over voldoende gronden voor dat ontslagvoornemen. Daarbij geldt niet de eis dat die gronden ook het voorgenomen ontslag moeten kunnen dragen.

3.2.

In dit geval is aan de in 3.1 omschreven voorwaarde voldaan. Appellant heeft tijdens de met hem gevoerde verantwoordingsgesprekken niet betwist dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan wat hem wordt verweten. Het college heeft laten weten dat daarvan ook bevestiging is verkregen uit camerabeelden. Daarmee was sprake van voldoende gronden voor het ontslagvoornemen. Dat er enige tijd was gelegen tussen de verweten gedragingen en het schorsingsbesluit, maakt niet dat de schorsing onrechtmatig is. Het college heeft uiteengezet die tijd te hebben gebruikt voor onderzoek, waaronder het voeren van twee gesprekken met appellant. De daarvoor gebruikte tijd is niet onredelijk lang. De Raad is daarom met de rechtbank van oordeel dat de schorsing stand houdt. De rechtbank heeft verder met juistheid overwogen dat appellant geen specifieke gronden tegen de toegangsontzegging heeft aangevoerd. Het beroep tegen het besluit van 4 juni 2015 is terecht ongegrond verklaard.

Ontslag

3.3.

Appellant weerspreekt op zichzelf niet dat hij de hem verweten gedragingen heeft begaan. De eerst ter zitting van de Raad door hem geuite suggestie dat hij op 4 januari 2015 toch een betaling zou hebben verricht is, voor zover hij deze heeft gehandhaafd, niet aannemelijk geworden. Voor zover appellant betoogt dat het gebruik van de transponders per ongeluk heeft plaatsgevonden, volgt de Raad hem daarin niet. Zelfs al zou, zoals appellant heeft geopperd, op één of beide dagen de slagboom van de parkeergarage zijn opengegaan door de enkele aanwezigheid van een transponder in zijn auto en dus zonder dat hij die transponder daadwerkelijk heeft hoeven te gebruiken, dan nog geldt, zoals ook door de rechtbank doorslaggevend is geacht, dat hij op beide dagen voorafgaand aan het uitrijden zonder te betalen de betaalautomaat is gepasseerd zonder ook maar een poging tot betaling te doen. Het college heeft onweersproken verklaard dat dit passeren van de betaalautomaat op de camerabeelden van beide dagen is terug te zien. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat dit handelen van appellant als ernstig plichtsverzuim is te beschouwen.

3.4.

De Raad is verder met de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag onevenredig is aan het door appellant begane plichtsverzuim. Hierbij is de voorgeschiedenis van wezenlijk belang. Appellant was in betrekkelijk korte tijd al twee keer eerder bestraft voor deels soortgelijk plichtsverzuim. Hij is daarbij uitdrukkelijk en met een toenemende mate van indringendheid gewaarschuwd voor de gevolgen van herhaling. Niet ten onrechte heeft het college bij deze derde gelegenheid het vertrouwen in appellant definitief verloren. De gestelde financiële problemen van appellant en het gegeven dat hij achteraf heeft aangeboden het verschuldigde parkeergeld alsnog te betalen, maken dat niet anders.

3.5.

De Raad is gelet op 3.3 en 3.4 met de rechtbank van oordeel dat ook het ontslag stand houdt. Ook het beroep tegen het besluit van 30 oktober 2015 is terecht ongegrond verklaard.

Conclusie

3.6.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt, voor zover aangevochten, bevestigd. Omdat de besluiten van 4 juni en 30 oktober 2015 ook in hoger beroep in stand blijven en een verzoek om vergoeding van schade slechts voor inwilliging in aanmerking komt in geval van een onrechtmatig besluit, wordt het verzoek om vergoeding van schade afgewezen.

3.7.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons als voorzitter en B.J. van de Griend en

J.E.M. Polak als leden, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2017.

(getekend) T.G.M. Simons

(getekend) J. Smolders

HD


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature