Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Dubbel hoger beroep. Blijvend gehele weigering WW-uitkering. Over de vraag of de werkloosheid al dan niet in overwegende mate aan betrokkene kan worden verweten wordt als volgt overwogen. In de uitspraak van 22 oktober 2015 heeft de Raad geoordeeld dat het voor betrokkene verzachtende omstandigheden oplevert dat zijn leidinggevenden er van op de hoogte waren dat hij met Loonbedrijf [naam loonbedrijf] nevenwerkzaamheden verrichtte voor het waterschap en dat de opdrachten van het waterschap zelf afkomstig waren. Daarentegen heeft de Raad betrokkene verweten dat hij de risico’s van het frequent inhuren van Loonbedrijf [naam loonbedrijf] op (de schijn van) belangenverstrengeling, vriendjespolitiek en oneerlijke concurrentie niet met zijn leidinggevenden heeft besproken. Voorts is, zoals in 4.3 weergegeven, in het bijzonder gewicht toegekend aan de tweede gedraging, waarbij betrokkene misbruik heeft gemaakt van kennis waarover hij als ambtenaar de beschikking had gekregen. Het geheel van gedragingen van betrokkene die tot zijn ontslag hebben geleid en de omstandigheden waarin deze hebben plaats gevonden, leiden tot het oordeel dat de werkloosheid weliswaar enigszins verminderd verwijtbaar is, maar niet in die mate dat de werkloosheid betrokkene niet in overwegende mate kan worden verweten.

Uitspraak



15/3456 WW, 15/3523 WW

Datum uitspraak: 5 april 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 7 april 2015, 14/6451 en 14/6373 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het dagelijks bestuur van waterschap Scheldestromen te Middelburg (waterschap)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Namens het waterschap heeft mr. P.J. Schaap, advocaat, hoger beroep ingesteld

(15/3456 WW).

Namens betrokkene heeft mr. D.E. de Hoop hoger beroep ingesteld (15/3523 WW).

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2017. Voor het waterschap zijn verschenen mr. M.P.H. Hageman en mr. Schaap. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. M.P.W.M. Wiertz. Betrokkene is, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene is in 1993 aangesteld bij een rechtsvoorganger van het waterschap. Vanaf

1 januari 2011 was hij 36 uur per week werkzaam in de functie van medewerker beheer en onderhoud. Het waterschap heeft betrokkene bij besluit van 6 januari 2014 de disciplinaire maatregel van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd. Bij besluit van 7 mei 2014 heeft het waterschap het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 6 januari 2014 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 18 december 2014 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant het besluit van 7 mei 2014 vernietigd. Bij uitspraak van 22 oktober 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:3674) heeft de Raad de uitspraak van 18 december 2014 vernietigd en het beroep van betrokkene tegen het besluit van 7 mei 2014 ongegrond verklaard. Daarmee is het ontslag in rechte vast komen te staan.

1.2.

Bij besluit van 15 januari 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat betrokkene vanaf 3 februari 2014 recht heeft op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), maar dat deze uitkering niet tot uitbetaling komt, omdat betrokkene verwijtbaar werkloos is geworden.

1.3.

Bij beslissing op bezwaar van 16 september 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 15 januari 2014 gegrond verklaard. Betrokkene is met ingang van 3 februari 2014 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering, die gedurende de eerste 26 weken, tot 4 augustus 2014, voor de helft wordt uitbetaald. Hieraan ligt ten grondslag dat betrokkene verwijtbaar werkloos is, maar dat de werkloosheid hem niet in overwegende mate kan worden verweten.

2. Het waterschap en betrokkene hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen ongegrond verklaard en het verzoek van betrokkene om schadevergoeding afgewezen. De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een objectieve dringende reden voor het gegeven ontslag. Betrokkene heeft met zijn loonbedrijf opdrachten aangenomen van en leveringen verricht aan het waterschap, hetgeen in strijd is met de Sectorale Arbeidsvoorwaardenregelingen waterschapspersoneel en waarmee grote bedragen gemoeid waren. Betrokkene heeft voorts bij het uitbrengen van offertes inzage gehad in de door de concurrenten uitgebrachte offertes. De rechtbank acht aannemelijk dat betrokkene deze offerteprijzen heeft gebruikt voor het verkrijgen van opdrachten voor zijn loonbedrijf. Voorts heeft betrokkene het waterschap benadeeld door ten minste één opdracht binnen te halen waarvoor hij een onderaannemer heeft ingeschakeld tegen een lagere prijs. De rechtbank heeft geoordeeld dat het waterschap bij het geven van ontslag voortvarend genoeg te werk is gegaan en heeft geen persoonlijke omstandigheden aanwezig geacht op grond waarvan het waterschap niet tot ontslag had mogen overgaan. Er is geen sprake van een situatie waarin betrokkene geen enkel verwijt van de werkloosheid valt te maken. Wel is het waterschap nalatig geweest met betrekking tot integriteit en heeft het betrokkene opdrachten verstrekt. De rechtbank onderschrijft het standpunt van het Uwv dat, gelet op de rol van het waterschap, de werkloosheid betrokkene niet in overwegende mate kan worden verweten.

3.1.

Het waterschap heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank bestreden dat de werkloosheid betrokkene niet in overwegende mate kan worden verweten. Het feit dat het waterschap betrokkene opdrachten heeft verleend ontslaat hem niet van zijn eigen verantwoordelijkheid en een gebrek aan adequate controle doet niet af aan de ernst van het geconstateerde plichtsverzuim. Bovendien waren twee van de aan betrokkene verweten gedragingen – het gebruik van informatie die hij van een collega had verkregen om lagere offertes in te dienen dan concurrenten en het benadelen van het waterschap door een hogere prijs in rekening te brengen dan waarvoor werk was uitgevoerd – niet bekend bij de leidinggevenden van betrokkene. Deze twee gedragingen vloeien niet voort uit het feit dat het waterschap betrokkene opdrachten verstrekte en er was voor het waterschap geen aanleiding om controle op deze specifieke situaties te verrichten, omdat het waterschap niet kon bevroeden dat die zich voordeden. Zeker de eerste gedraging zou op zichzelf beschouwd al een dringende reden voor ontslag van betrokkene zijn geweest. De handelwijze van betrokkene in deze kwestie is manifest oneerlijk en kan ook, indien zij bekend wordt bij derden, grote schade toebrengen aan het imago van onkreukbaarheid dat het waterschap in zijn handelen met toeleveranciers dient te hebben.

3.2.1.

Betrokkene bestrijdt in hoger beroep het oordeel van de rechtbank dat aan het ontslag een objectieve dringende reden ten grondslag ligt. De rechtbank motiveert op geen enkele wijze hoe zij tot deze conclusie komt. In de ontslagzaak heeft dezelfde rechtbank in de uitspraak van 18 december 2014 geoordeeld dat een groot deel van het handelen van betrokkene – het verrichten van nevenwerkzaamheden en opdrachten ten behoeve van het waterschap – niet als plichtsverzuim is aan te merken. Daarom is geen sprake van verwijtbare werkloosheid. Het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van een situatie waarin betrokkene geen enkel verwijt valt te maken van de werkloosheid, is niet gemotiveerd.

3.2.2.

Betrokkene voert ook aan dat het waterschap geen procesbelang meer heeft bij zijn hoger beroep. De maximale duur van de toegekende WW-uitkering is op 2 november 2016 verstreken. Uit artikel 23 van de WW vloeit voort dat een intrekking van de uitkering in een beroep ingesteld door de werkgever niet eerder plaatsvindt dan de dag volgend op die waarop de uitspraak is gedaan. Deze datum ligt bij een voor het waterschap positieve uitspraak altijd na 2 november 2016, zodat het hoger beroep van het waterschap niet kan leiden tot het door hem gewenste resultaat van intrekking van de WW-uitkering.

3.3.

Het Uwv heeft om bevestiging van de aangevallen uitspraak verzocht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het waterschap heeft ter zitting van de Raad verklaard dat hij de WW-uitkering, die op hem als overheidswerkgever is verhaald, van het Uwv wil terugvorderen. Op grond van artikel 108, eerste lid, aanhef en onder j, van de Wet financiering sociale verzekeringen kan het waterschap het Uwv verzoeken de schade die hij lijdt door toepassing van artikel 23, eerste lid, van de WW en de daaraan verbonden uitvoeringskosten te vergoeden. Deze schade komt voor vergoeding in aanmerking indien de WW-uitkering geheel of gedeeltelijk ten onrechte aan betrokkene is toegekend. Gelet hierop heeft het waterschap, anders dan betrokkene heeft betoogd, procesbelang bij zijn hoger beroep.

4.2.

Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW legt op de werknemer de verplichting te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Volgens artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos als aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 7:678 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de werknemer ter zake een verwijt kan worden gemaakt. Of er sprake is van zo’n dringende reden moet worden beoordeeld volgens de maatstaven van het arbeidsovereenkomstenrecht, ook indien het gaat om een arbeidsverhouding die wordt beheerst door het ambtenarenrecht. Als de werknemer de verplichting om verwijtbare werkloosheid te voorkomen niet is nagekomen, weigert het Uwv op grond van artikel 27, eerste lid, van de WW de uitkering blijvend geheel, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten.

4.3.

Betrokkene komt vergeefs op tegen het oordeel van de rechtbank dat aan het ontslag een objectieve dringende reden ten grondslag ligt. De overwegingen van de rechtbank hierover worden onderschreven. Over het hoger beroep van betrokkene tegen de uitspraak van de rechtbank van 18 december 2014 in de ontslagzaak wordt overwogen dat de Raad in de uitspraak van 22 oktober 2015, anders dan de rechtbank, heeft geoordeeld dat alle drie aan het ontslag ten grondslag liggende gedragingen van betrokkene plichtsverzuim opleveren. De Raad heeft in die zaak voorts overwogen dat van de drie gedragingen de tweede gedraging, waarbij betrokkene ten behoeve van Loonbedrijf [naam loonbedrijf] misbruik heeft gemaakt van kennis waarover hij als ambtenaar de beschikking had gekregen, het zwaarst weegt. De Raad kwam tot de slotsom dat de drie gedragingen tezamen, bezien in hun onderling verband, gelet op de aard en ernst van het plichtsverzuim de opgelegde disciplinaire maatregel van onvoorwaardelijk ontslag rechtsvaardigen. Deze gedragingen zijn eveneens een dringende reden voor ontslag in de zin van artikel 7:678 van het BW en leiden ertoe dat de werkloosheid verwijtbaar is. In de onderhavige procedure zijn geen aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen.

4.4.

Over de vraag of de werkloosheid al dan niet in overwegende mate aan betrokkene kan worden verweten wordt als volgt overwogen. In de uitspraak van 22 oktober 2015 heeft de Raad geoordeeld dat het voor betrokkene verzachtende omstandigheden oplevert dat zijn leidinggevenden er van op de hoogte waren dat hij met Loonbedrijf [naam loonbedrijf] nevenwerkzaamheden verrichtte voor het waterschap en dat de opdrachten van het waterschap zelf afkomstig waren. Daarentegen heeft de Raad betrokkene verweten dat hij de risico’s van het frequent inhuren van Loonbedrijf [naam loonbedrijf] op (de schijn van) belangenverstrengeling, vriendjespolitiek en oneerlijke concurrentie niet met zijn leidinggevenden heeft besproken. Voorts is, zoals in 4.3 weergegeven, in het bijzonder gewicht toegekend aan de tweede gedraging, waarbij betrokkene misbruik heeft gemaakt van kennis waarover hij als ambtenaar de beschikking had gekregen. Het geheel van gedragingen van betrokkene die tot zijn ontslag hebben geleid en de omstandigheden waarin deze hebben plaats gevonden, leiden tot het oordeel dat de werkloosheid weliswaar enigszins verminderd verwijtbaar is, maar niet in die mate dat de werkloosheid betrokkene niet in overwegende mate kan worden verweten.

4.5.

Wat in 4.3 en 4.4 is overwogen, leidt tot de slotsom dat de WW-uitkering, zoals ook al was gesteld in het besluit van 15 januari 2014, blijvend geheel geweigerd moet worden. Gelet hierop slaagt het hoger beroep van het waterschap en slaagt het hoger beroep van betrokkene niet. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover het beroep van het waterschap ongegrond is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het beroep van het waterschap gegrond worden verklaard en het bestreden besluit worden vernietigd. Met toepassing van artikel 8:72 van de Algemene wet bestuursrecht zal worden bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

4.6.

Het Uwv wordt veroordeeld in de proceskosten van het waterschap. Deze bestaan uit kosten van professionele rechtsbijstand in beroep (€ 495,-) en hoger beroep (€ 990,-), in totaal

€ 1.485,-. Er bestaat geen aanleiding de proceskosten van betrokkene te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep van het waterschap gegrond en vernietigt het besluit van 16 september 2014;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 16 september 2014;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van het waterschap tot een bedrag van € 1.485,-;

- bepaalt dat het Uwv het griffierecht van het waterschap in beroep (€ 328,-) en hoger beroep(€ 497,-), in totaal € 825,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange als voorzitter en A.I. van der Kris en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van G.J van Gendt. als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 april 2017.

(getekend) C.C.W. Lange

(getekend) G.J. van Gendt

IvR


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature