Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online

U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Afgewezen aanvraag bijzondere bijstand kosten cursus waarmee appellant baan zou krijgen. Noodzaak niet aannemelijk gemaakt.

Uitspraak



16/2242 PW

Datum uitspraak: 21 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

3 maart 2016, 15/2451 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2017. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.A.J. Hendriks.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft op 5 januari 2015 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand ingevolge de Participatiewet voor de kosten van, voor zover thans van belang, een cursus ten bedrage van € 3.018,95. Appellant heeft daarbij vermeld dat die cursus hem concreet uitzicht bood op een baan voor vijf jaar bij [naam bedrijf] .

1.2.

Bij besluit van 26 januari 2015 heeft het college de aanvraag met betrekking tot de kosten van de cursus afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat niet is komen vast te staan dat de kosten voor de cursus noodzakelijk zijn.

1.3.

Naar aanleiding van het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 januari 2015 heeft het college appellant bij brief 13 maart 2015 uitgenodigd voor een hoorzitting, waarbij hem is geadviseerd gegevens betreffende de opleiding naar de hoorzitting mee te nemen, alsmede stukken waaruit de noodzaak van de kosten blijkt. Nadat appellant om uitstel van de hoorzitting had verzocht is hij bij brief van 26 maart 2015 uitgenodigd voor een hoorzitting op 1 april 2015. Deze brief was niet juist geadresseerd. Appellant is niet op de hoorzitting verschenen. Bij besluit van 1 april 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het college ten onrechte geen nieuwe hoorzitting heeft gepland, nadat was gebleken dat de adressering van de uitnodigingsbrief van 26 maart 2015 voor de hoorzitting van 1 april 2015 niet juist was. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat niet aannemelijk is dat appellant is benadeeld door het achterwege blijven van een hoorzitting bij het college, nu hem voorafgaand aan de hoorzitting wel duidelijk is gemaakt dat hij de noodzaak van de kosten aannemelijk moest maken en hij daarvoor tot op de zitting van de rechtbank de gelegenheid heeft gehad, maar de noodzaak ook toen niet aannemelijk heeft gemaakt. Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij niet is benadeeld door het feit dat hij niet is gehoord in bezwaar. Op 1 april 2015 bestond nog wel de mogelijkheid gebruik te maken van het aanbod van [naam bedrijf] , maar ten tijde van de zitting bij de rechtbank was het aanbod van [naam bedrijf] niet meer van kracht en “was er geen noodzaak meer de kosten aannemelijk te maken”.

4.2.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Bij de beantwoording van de vraag of de kosten waarvoor bijzondere bijstand is gevraagd noodzakelijk zijn, is de situatie op het moment van de aanvraag het uitgangspunt. De gestelde omstandigheid dat ten tijde van zitting bij de rechtbank het aanbod van [naam bedrijf] niet meer gold doet er niet aan af dat appellant de noodzaak van de kosten van de cursus ten tijde van de aanvraag nog steeds aannemelijk diende te maken.

4.3.

Appellant heeft voorts aangevoerd dat de kosten wel noodzakelijk waren. Door het volgen van de cursus zou hij inkomsten hebben kunnen verwerven bij [naam bedrijf] . Een voorwaarde daarvoor was dat hij de cursusgelden voor een bedrag van € 3.018,95 zou voldoen.

4.4.

Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Appellant heeft, ook in hoger beroep, geen duidelijkheid over de cursus verschaft. Het is geheel onduidelijk gebleven wat de cursus inhield, welke personen met de organisatie van de cursus waren belast en met wie hij contact heeft gehad. In de overgelegde brieven van [naam bedrijf] van 7 januari 2015 en 13 februari 2015 staat niet welke personen deze brieven namens [naam bedrijf] hebben geschreven. Appellant heeft ook na herhaald verzoek ter zitting geen enkele naam kunnen noemen van personen die aan [naam bedrijf] zijn of waren verbonden.

4.5.

De rechtbank heeft, gelet op 4.2 en 4.4, terecht overwogen dat aannemelijk is dat appellant niet is benadeeld door het feit dat hij niet op zijn bezwaar is gehoord, zodat de rechtbank het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht in stand heeft kunnen laten. De rechtbank heeft voorts, gelet op 4.4, met juistheid geoordeeld dat het college de noodzaak van de cursus niet aannemelijk heeft kunnen achten, zodat de aanvraag terecht is afgewezen. Wat appellant in hoger beroep verder nog heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.

4.6.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak bevestigd moet worden. Voor toewijzing van het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade bestaat geen grond, zodat het moet worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2017.

(getekend) J.L. Boxum

(getekend) J.M.M. van Dalen

HD

Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature