Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online

U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

In het kader van een zorgvuldige besluitvorming had het Uwv, nadat appellant in maart 2013 bij de arbeidsdeskundige had verteld dat hij is tegengewerkt na zijn hervatting per 15 november 2012, terwijl volgens de werkgeefster de lucht was geklaard, op basis van een in te stellen nader onderzoek een gemotiveerd standpunt dienen in te nemen over de omstandigheden waaronder is hervat en hoe die hervatting is verlopen. Daarbij had het Uwv dienen in te gaan op de visie van appellant. Als het Uwv van mening is dat na het deskundigenoordeel van 28 september 2012 een zodanige situatie is ontstaan dat re-integratie, na de reeds geleverde inspanningen, niet langer van werkgeefster kon worden gevergd, dient dit standpunt van een deugdelijke en uitgebreide toelichting te worden voorzien. Conclusie is dat het bestreden besluit gebrekkig is gemotiveerd. Er is aanleiding is om het Uwv opdracht te geven om dit gebrek te herstellen.

Uitspraak



14/2875 WIA-T

Datum uitspraak: 1 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 7 april 2014, 13/5256 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. van den Os hoger beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. D. Maats, advocaat, die de zaak heeft overgenomen van mr. Van den Os. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is sinds 1 december 2007 40 uren per week werkzaam geweest als servicemedewerker in de buitendienst bij [naam werkgeefster] (werkgeefster). Op 14 maart 2011 heeft appellant zich ziek gemeld wegens spanningsklachten. In het kader van zijn re-integratie heeft appellant geleidelijk hervat in aangepast eigen werk tot een omvang van 20 uren per week inclusief reistijd in augustus 2011. Blijkens een rapport van 27 februari 2012 van een door werkgeefster ingeschakelde arbeidsdeskundige van Paso Doble coaching en advies (Paso Doble) is er op dat moment nog geen reden om re-integratie-activiteiten in het zogenoemde tweede spoor te starten, omdat er nog mogelijkheden zijn voor aangepast eigen of ander werk bij de werkgeefster en in de periode van maart tot en met juni 2012 zal worden onderzocht of appellant zijn uren en taken kan uitbreiden. Van belang is volgens deze arbeidsdeskundige dat appellant start met een behandeling om aan vermindering van zijn boosheid te werken. Na nieuwe ziekmelding begin maart 2012 heeft appellant overeenkomstig een advies van de bedrijfsarts op 26 maart 2012 hervat voor drie halve dagen per week in aangepast werk bij de interne technische dienst in het bedrijf van de werkgeefster op een vaste locatie.

1.2.

Op 29 maart 2012 heeft appellant een zogenoemd deskundigenoordeel gevraagd aan het Uwv omdat hij het niet eens is met het rapport van Paso Doble en zich afvraagt of werkgeefster genoeg doet om hem weer aan het werk te krijgen. Volgens het deskundigenoordeel van 25 april 2012 zijn de conclusies van de arbeidsdeskundige van Paso Doble in overeenstemming met de Wet verbetering Poortwachter en de daarop gebaseerde richtlijnen, op grond waarvan re-integratie in het eerste ziektejaar gericht dient te zijn op terugkeer in het eigen werk, tenzij dit duurzaam niet mogelijk is. Het advies van Paso Doble om werkhervatting in het eigen werk mogelijk te maken door de termijn van een jaar te verlengen met drie maanden, dus tot juni 2012, wordt niet onjuist geacht. De eindconclusie van het deskundigenoordeel is dat de inspanningen van de werkgeefster tot dan toe met de inschakeling van Paso Doble voldoende zijn geweest. Omdat tijdens het onderzoek van de arbeidsdeskundige van Paso Doble is gebleken van “ruis” in de communicatie tussen werkgeefster en appellant, wordt gewezen op het belang hieraan aandacht te besteden, vooral omdat de ruis de re-integratie lijkt te belemmeren.

1.3.

Nadien heeft werkgeefster een deskundigenoordeel gevraagd. Uit het deskundigenoordeel van 28 september 2012 blijkt dat de re-integratie van appellant in het zogenoemde eerste spoor medio april 2012 is gestagneerd en dat appellant wordt begeleid door een

re-integratiebureau bij het zoeken van werk in het tweede spoor. Blijkens zijn rapport heeft de arbeidsdeskundige van het Uwv van appellant vernomen dat hij medio april 2012 door werkgeefster op non-actief is gezet en dat er sprake is van een arbeidsconflict. Werkgeefster zou te kennen hebben gegeven dat appellant zich medio april weer heeft ziek gemeld en niet terug wil keren bij werkgeefster. Van een arbeidsconflict zou volgens werkgeefster geen sprake zijn. De conclusie van het deskundigenoordeel is dat de door werkgeefster geleverde re-integratie-inspanningen niet voldoende zijn, omdat er geen deugdelijke grond is om af te zien van het oplossen van het conflict. Daarbij wordt verwezen naar het deskundigenoordeel van 25 april 2012, waarin al het belang is onderstreept om aandacht te besteden aan de ruis in de communicatie.

1.4.

Appellant heeft op 21 december 2012 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Bij besluit van 8 maart 2013 heeft het Uwv, met inachtneming van de rapporten van een verzekeringsarts van

19 februari 2013 en van een arbeidsdeskundige van 5 maart 2013, vastgesteld dat voor appellant geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet WIA omdat hij op

11 maart 2013 minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Het Uwv heeft niet besloten tot verlenging van de loonbetalingsverplichting van werkgeefster omdat zij naar het oordeel van het Uwv voldoende heeft gedaan aan de re-integratie van appellant.

1.5.

Appellant heeft tegen het besluit van 8 maart 2013 bezwaar gemaakt. Het Uwv heeft het bezwaar in zoverre gegrond verklaard dat aan appellant alsnog een WIA-uitkering is verstrekt met ingang van 11 maart 2013, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%. Het bezwaar is voor zover het betreft de door werkgeefster verrichte

re-integratie-inspanningen bij beslissing op bezwaar van 11 september 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport ten grondslag van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 18 juli 2013, die op grond van het re-integratieverslag en informatie verkregen van de arbodienst van werkgeefster en een re-integratiebegeleidster van appellant tot de conclusie is gekomen dat werkgeefster voldoende inzet heeft getoond om de re-integratie van appellant te bespoedigen door onder meer het inschakelen van verschillende deskundigen, het aanwijzen van een andere leidinggevende en het voeren van bemiddelende gesprekken om de ruis in de communicatie weg te nemen.

2. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit, omdat hij naar zijn mening volledig arbeidsongeschikt is en aan werkgeefster ten onrechte geen zogenoemde loonsanctie is opgelegd. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard. De rechtbank heeft met betrekking tot de beslissing over de WIA-uitkering overwogen dat het Uwv zowel de beperkingen van appellant voor het verrichten van arbeid als zijn geschiktheid voor de functies waarop de schatting van zijn mate van arbeidsongeschiktheid is gebaseerd, juist heeft beoordeeld. Met betrekking tot de beslissing over de re-integratie-inspanningen van werkgeefster heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv een beschikking over het toepassen van een loonsanctie in het geval van appellant uiterlijk had kunnen geven op 27 januari 2013 en dat het Uwv had moeten constateren dat het te laat was om een loonsanctie op te leggen. Het Uwv heeft de aanvraag om een loonsanctie op te leggen echter afgewezen op grond van een inhoudelijke beoordeling en het bestreden besluit berust daarom op een onjuiste motivering. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten.

3.1.

Appellant is het daar niet mee eens. Hij heeft, onder verwijzing naar zijn stellingen in bezwaar en beroep, in hoger beroep betoogd dat hij volledig arbeidsongeschikt is. Ter zitting heeft hij naar voren gebracht dat hij in staat is zijn stellingen te onderbouwen met nieuwe medische stukken. Hij blijft verder van mening dat aan werkgeefster ten onrechte geen loonsanctie is opgelegd. Volgens hem heeft werkgeefster onvoldoende gedaan om hem te

re-integreren in arbeid in het bedrijf van zijn werkgeefster. Zo heeft hij onder een te hoge druk moeten re-integreren en zijn werkzaamheden medio april zonder aankondiging moeten staken. Daarna heeft hij niets van werkgeefster gehoord, totdat uit het deskundigenoordeel van

28 september 2012 bleek dat de werkgeefster onvoldoende aan re-integratie-inspanningen had gedaan. Appellant heeft gesteld dat hij onder dreiging van ontslag wegens werkweigering, direct weer heeft moeten hervatten in aangepast werk in november 2012, waarna hij tegenwerking heeft ondervonden en waarbij onvoldoende rekening is gehouden met zijn beperkingen.

3.2.

Het Uwv is van mening dat de rechtbank moet worden gevolgd in haar oordeel over de WIA-uitkering. Het Uwv is verder van mening dat werkgeefster voldoende heeft gedaan om appellant te re-integreren. Daartoe is aangevoerd dat werkgeefster na het deskundigenoordeel van 28 september 2012, waarin is geoordeeld dat de re-integratie-inspanningen onvoldoende zijn, in gesprek is gegaan met appellant en dat appellant in de gelegenheid is gesteld de werkzaamheden te hervatten, waarna appellant zich wederom op 7 december 2012 heeft ziek gemeld wegens rugklachten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In deze tussenuitspraak zal het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit voor zover het betreft de aanspraken op een WIA-uitkering nog buiten beschouwing blijven en zal alleen worden ingegaan op de vraag of werkgeefster zich voldoende heeft ingespannen om appellant te re-integreren en het oordeel dat de rechtbank over het loonsanctiebesluit heeft gegeven.

4.2.

Voor het kader van de mogelijkheden van de werknemer om op te komen tegen het oordeel dat het Uwv geeft over de re-integratie-inspanningen van de werkgever in het tijdvak van 104 weken van artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek en te verzoeken om vergoeding van schade als een loonsanctie ten onrechte achterwege is gebleven, wordt verwezen naar in het bijzonder de overwegingen 4.6.1 tot en met 4.6.8 van de uitspraak van de Raad van

28 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:298. Uit deze uitspraak volgt dat appellant met het oog op een mogelijke aanspraak op schadevergoeding belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit voor zover het Uwv daarbij zijn opvatting heeft gehandhaafd dat er geen (inhoudelijke) gronden waren om aan werkgeefster een loonsanctie op te leggen. Bij haar beslissing om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat een inhoudelijke beoordeling van de

re-integratie-inspanningen gelet op het tijdsverloop niet door het Uwv aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd had kunnen worden. Met inachtneming van het in de genoemde uitspraak geschetste kader zal worden beoordeeld of het Uwv kan worden gevolgd in zijn opvatting dat werkgeefster zich voldoende heeft ingespannen om appellant in passende arbeid in het bedrijf van werkgeefster of bij een andere werkgever te doen hervatten.

4.3.

Gegeven de bevindingen bij het deskundigenoordeel van 28 september 2012 dat er (op dat moment) geen deugdelijke grond is om af te zien van het oplossen van het conflict en de re-integratie-inspanningen van werkgeefster onvoldoende waren, zal uit de verslaglegging van het onderzoek van het Uwv in het kader van de WIA-aanvraag waarin de conclusie is getrokken dat werkgeefster zich (inmiddels wel) voldoende inspanningen heeft getroost om het conflict met appellant op te lossen, moeten blijken welke activiteiten werkgeefster heeft ondernomen in de periode gelegen tussen het uitbrengen van het deskundigenoordeel en de beoordeling op grond van artikel 65 van de Wet WIA en waarom met deze activiteiten het ten tijde van het deskundigenoordeel geconstateerde verzuim is hersteld.

4.4.

Aan het in 1.5 genoemde rapport van 18 juli 2013 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, wordt het volgende ontleend:

”In het verslag van arbeidskundige mw. van den Berk van Paso Doble wordt melding gemaakt van inspanningen die de werkgeefster heeft verricht om de communicatie en samenwerking met appellant te normaliseren gedurende de eerste fase van het ziekteverzuim. Ongeveer een jaar na de eerste ziektedag, als de re-integratie stagneert, wordt in februari 2012 mw. van den Berk erbij betrokken en vindt er n.a.v. het arbeidskundig onderzoek een 3-gesprek plaats, waarin nieuwe werkafspraken worden gemaakt: er wordt gestreefd naar maximalisering van de inzet van [appellant] binnen het bedrijf, alvorens te besluiten tot inzet van spoor 2.

Naast de interventies vanuit de curatieve sector (inzet psycholoog) worden vanaf juni 2012 tot december 2012, 3 à 4 interventie-gesprekken gevoerd door werknemer, werkgeefster en mw. Van Holsteijn, casemanager bij Flynth (arbodienst). In het gesprek van 13-11-2012 worden opnieuw afspraken gemaakt over hervatting en wordt getracht het ongenoegen en wantrouwen bij [appellant] weg te nemen. Dit lijkt te zijn geslaagd aangezien [appellant] het gespreksverslag mede ondertekent. Op 7-12-2012 volgt opnieuw een ziekmelding i.v.m. rugklachten, die een verdere opbouw in taken verhindert.

Mijns inziens is aangetoond dat de werkgever voldoende inzet heeft getoond om de

re-integratie van werknemer te bespoedigen door met werknemer in gesprek te blijven, door het aanwijzen van een andere leidinggevende en het inschakelen van diverse deskundigen. Er zijn meer bemiddelende gesprekken gevoerd om de ‘ruis’ in de communicatie weg te nemen. Desondanks kon het ongenoegen bij werknemer helaas niet worden weggenomen.”

4.5.

Volgens appellant is er in de periode van 28 september 2012 tot zijn ziekmelding op

7 december 2012 nog immer sprake van een arbeidsconflict. Dit lijkt bevestigd te worden door de verzekeringsarts die in zijn in 1.4 genoemde rapport van 19 februari 2013 heeft overwogen dat op advies van de arbeidsdeskundige van het Uwv een gesprek met “de baas” heeft plaatsgevonden, maar dat het probleem niet lijkt te zijn opgelost. Daarbij heeft de verzekeringsarts als zijn opvatting gegeven dat de begeleiding niet echt adequaat is te noemen.

4.6.

In het arbeidsdeskundig rapport van 18 juli 2013 is niet beargumenteerd op welke gronden de visie van de werkgeefster wordt gevolgd dat het conflict is opgelost. Evenmin wordt uit dit rapport duidelijk wat er precies is gedaan door werkgeefster en appellant om het conflict op te lossen. Hoewel (a) werkgeefster volgens het arbeidsdeskundig rapport van

5 maart 2013 zegt meerdere gesprekken te hebben gevoerd met appellant, (b) een medewerker van de arbodienst van werkgeefster volgens het rapport van 18 juli 2013 heeft verklaard betrokken te zijn geweest bij drie à vier gesprekken tussen werkgeefster en appellant en (c) in het actueel oordeel van de bedrijfsarts van 20 november 2012 is vermeld dat er inspanningen zijn geleverd om weer tot elkaar te komen, bevinden zich onder de gedingstukken slechts twee gespreksverslagen van 13 november 2012 en 21 december 2012. Deze verslagen zijn weliswaar door appellant ondertekend, maar met betrekking tot wat in die verslagen is opgenomen heeft appellant ook verklaard dat hij zich gedwongen voelde tot werkhervatting omdat werkgeefster dreigde met ontslag wegens werkweigering en dat hij na hervatting is tegenwerkt, onder meer omdat werkgeefster hem niet heeft voorzien van een toegangspas en hem geen daadwerkelijke arbeid heeft aangeboden.

4.7.

In het kader van een zorgvuldige besluitvorming had het Uwv, nadat appellant in maart 2013 bij de arbeidsdeskundige had verteld dat hij is tegengewerkt na zijn hervatting per

15 november 2012, terwijl volgens de werkgeefster de lucht was geklaard, op basis van een in te stellen nader onderzoek een gemotiveerd standpunt dienen in te nemen over de omstandigheden waaronder is hervat en hoe die hervatting is verlopen. Daarbij had het Uwv dienen in te gaan op de visie van appellant, namelijk dat er nog een arbeidsconflict is, dat hij onder dwang heeft hervat en daarbij tegenwerking heeft ondervonden. Als het Uwv van mening is dat na het deskundigenoordeel van 28 september 2012 een zodanige situatie is ontstaan dat re-integratie, na de reeds geleverde inspanningen, niet langer van werkgeefster kon worden gevergd, dient dit standpunt van een deugdelijke toelichting te worden voorzien. Uit een dergelijke toelichting moet niet alleen blijken welke inspanningen door werkgeefster en appellant zijn gedaan om het conflict op te lossen maar ook om welke redenen het conflict uiteindelijk niet kon worden opgelost en op basis waarvan ervan wordt uitgegaan dat geen verdere inspanningen kunnen worden gevergd van werkgeefster. Nu dit niet is gebeurd, moet de conclusie zijn dat het bestreden besluit gebrekkig is gemotiveerd.

4.8.

Uit 4.3 tot en met 4.7 volgt dat het bestreden besluit niet voldoet aan de eis van artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

5. Om te kunnen komen tot een definitieve beslechting van het geschil is er aanleiding om met toepassing van artikel 8:51d van de Awb het Uwv opdracht te geven het in 4.7 geformuleerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 11 september 2013 te herstellen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en A.I. van der Kris en

F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2015.

(getekend) M. Greebe

(getekend) V. van Rij

NK


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature