Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online

U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Appellant ontving, na ongevraagd ontslag, een uitkering op grond van de ZW. Het verzoek om een WW-uitkering is door het UWV geweigerd op de grond dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het Uwv terecht heeft aangenomen dat aan de werkloosheid van appellant een dringende reden in de zin van artikel 7:678 van het BW ten grondslag lag. De WW-uitkering is appellant terecht geweigerd.

Uitspraak



Centrale Raad van Beroep

12/3525 WW

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 10 mei 2012, 11/3799 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te[woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bunschoten (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.E. de Hoop hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft een zienswijze ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2013. Voor appellant is

mr. De Hoop verschenen. Het Uwv is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door H. de Graaf en mr. B.J. Boiten, advocaat.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is met ingang van 5 februari 2009 aangesteld als [naam functie] (civiel) bij de afdeling [naam afdeling] van de gemeente Bunschoten. Op

10 september 2009 heeft hij deelgenomen aan een personeelsuitje, bestaande uit een zeiltocht naar het eiland Pampus met een bezoek aan het eiland. Op 14 september 2009 hebben twee medewerksters van de gemeente Bunschoten zich er bij het college over beklaagd dat appellant zich tijdens de zeiltocht schuldig heeft gemaakt aan ongewenste intimiteiten. Het college heeft een onderzoek laten instellen naar de vermeende gedragingen van appellant. Hiervan is in een rapportage van 24 december 2009 verslag uitgebracht. Aan deze rapportage is op 25 januari 2010 een addendum toegevoegd.

1.2. Bij besluit van 2 maart 2010 is appellant op grond van plichtsverzuim de disciplinaire sanctie van ongevraagd ontslag met ingang van 16 maart 2010 opgelegd. Volgens het college is in voldoende mate komen vast te staan wat appellant is verweten en getuigde het optreden van appellant van onvoldoende zelfreflectie. Het ontslag is met de uitspraak van de Raad van 26 april 2012, LJN BW4244, in rechte onaantastbaar geworden.

1.3. Appellant heeft van 30 december 2009 tot 30 september 2010 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen. Hij heeft het Uwv op 31 augustus 2010 verzocht hem een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toe te kennen. Bij besluit van 18 februari 2011 heeft het Uwv de WW-uitkering met ingang van 1 oktober 2010 blijvend geheel geweigerd. Volgens het Uwv is appellant verwijtbaar werkloos geworden en had hij kunnen weten dat zijn gedrag een dringende reden voor ontslag was. Bij besluit van 11 oktober 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 februari 2011 ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv zich terecht op het standpunt gesteld dat aan de werkloosheid van appellant een dringende reden ten grondslag ligt, aangezien het college de dienstbetrekking met appellant heeft beëindigd omdat hij zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim, door de lichamelijke integriteit van een vrouwelijke collega niet te respecteren tijdens het uitstapje op 10 september 2009. De rechtbank heeft geoordeeld dat van het college in deze omstandigheden redelijkerwijs niet kon worden verwacht de aanstelling van appellant te laten voortduren, met het risico andere personeelsleden aan het gedrag van appellant bloot te stellen. De rechtbank heeft verder overwogen dat het college onverwijld is begonnen met een onderzoek en voldoende voortvarend heeft gehandeld om tot beëindiging van de aanstelling van appellant te komen. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het onderzoek enige tijd in beslag heeft genomen omdat appellant steeds heeft ontkend de hem verweten gedragingen te hebben gepleegd. De persoonlijke omstandigheden van appellant hebben er volgens de rechtbank terecht niet toe geleid dat aan de ontslagreden de dringendheid kwam te ontbreken. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant van de dringende reden een verwijt kon worden gemaakt.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep betwist dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan gedrag dat een dringende reden opleverde in de zin van artikel 7:678 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Ter zitting van de Raad heeft hij verklaard zich wat betreft de aanwezigheid van een dringende reden te refereren aan het oordeel van de Raad, gezien de uitspraak van de Raad van 26 april 2012 in de ontslagprocedure. Appellant heeft verder betoogd dat uit de reactie van het college op de onderzoeksrapportage van 24 december 2009 niet blijkt van voortvarend handelen om een einde te maken aan de arbeidsverhouding met hem. Appellant heeft hiertoe gewezen op het tijdsverloop tussen de datum van de onderzoeksrapportage van 24 december 2009 en de bekendmaking van het ontslagvoornemen op 27 januari 2010, op het gegeven dat hij niet is geschorst, maar gedurende het onderzoek naar de klachten met toestemming van het college zijn werkzaamheden thuis heeft verricht en met ingang van de bekendmaking van het voornemen tot ontslag betaald verlof heeft gekregen en op het feit dat hij niet met onmiddellijke ingang is ontslagen, maar op een termijn van twee weken. Hij meent dan ook dat geen sprake is van een dringende reden in subjectieve zin.

3.2.

Het Uwv heeft om bevestiging van de aangevallen uitspraak gevraagd.

3.3.

Het college heeft het standpunt van het Uwv onderschreven. Dat appellant naar aanleiding van gesprekken met hem op 14 en16 september 2009 niet is geschorst, maar op zijn eigen verzoek in de gelegenheid is gesteld om onder voorwaarden zijn werk thuis te doen, leidt volgens het college niet tot de conclusie dat geen sprake was van een dringende reden, omdat met het thuiswerken hetzelfde doel werd bereikt als met een schorsing, te weten dat appellant niet op het gemeentehuis kwam en geen contact had met vrouwelijke medewerkers.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor een weergave van het toepasselijke wettelijk kader verwijst de Raad naar overwegingen 10 en 11 van de aangevallen uitspraak. Verder is van belang artikel 27, eerste lid, van de WW . Daarin is bepaald dat het Uwv ter zake van het niet nakomen door de werknemer van de verplichting als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel a, de uitkering blijvend geheel weigert, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten.

4.2.

Het gedrag van appellant tijdens het personeelsuitje op 10 september 2009 is op verzoek van het college diepgaand onderzocht. De uitkomsten van dat onderzoek en de reactie van het college daarop zijn uitvoerig aan de orde geweest in de bezwaar-, beroeps- en voorlopige voorzieningenprocedures die appellant heeft aangespannen tegen het ontslagbesluit. Het ontslagbesluit is door de Raad bevestigd in zijn uitspraak van 26 april 2012. De Raad is in die uitspraak tot de conclusie gekomen dat appellant een vrouwelijke collega uiterst ongepast heeft benaderd en haar lichamelijke en persoonlijke integriteit heeft aangetast. Er bestaat geen aanleiding thans anders te oordelen. Dit betekent dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het Uwv terecht heeft aangenomen dat aan de werkloosheid van appellant een dringende reden in de zin van artikel 7:678 van het BW ten grondslag lag. Omstandigheden die de dringendheid aan de dringende reden ontnamen, zijn niet gebleken.

4.3.1.

Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of uit de reactie van het college op het gedrag van appellant blijkt dat dat gedrag voor het college een dringende reden vormde om tot een beëindiging van appellants aanstelling te komen. In dit verband is de periode vanaf de ontvangst van de onderzoeksrapportage tot de dag waarop het ontslagbesluit is verzonden van belang. In de periode tussen 14 september 2009 en de ontvangst van de rapportage was immers nog slechts sprake van twee klachten, die door appellant waren betwist. De gegrondheid van die klachten moest toen nog worden onderzocht. Uit het gegeven dat appellant toen al te kennen is gegeven dat hij gedurende het onderzoek thuis mocht werken onder de voorwaarden dat hij niet op het werk zou verschijnen, op geen enkele manier zonder toestemming rechtstreeks contact zou hebben met medewerkers van de gemeente en zou afzien van het bezoeken van de sportschool gedurende de uren waarop deze door de gemeente was gereserveerd voor bedrijfsfitness, wordt afgeleid dat het college de ingediende klachten van meet af aan hoog opnam.

4.3.2.

Gezien het tijdstip waarop de onderzoeksrapportage is uitgebracht, zal het college deze niet eerder dan begin januari 2010 hebben bestudeerd. Op 25 januari 2010 heeft de onderzoekster naar aanleiding van een aantal nadere stukken van appellant een addendum bij haar rapportage van 24 december 2009 aan het college doen toekomen. Op 26 januari 2010 heeft een collegevergadering plaatsgevonden, waar is besloten appellant met ingang van

1 maart 2010 de disciplinaire straf van ongevraagd ontslag op te leggen. Een dag later is het voornemen hiertoe schriftelijk aan appellant kenbaar gemaakt. Appellant heeft de gelegenheid gekregen zijn zienswijze te geven. Appellant heeft hiervan gebruik gemaakt door middel van een brief van 8 februari 2010. In de collegevergadering van 2 maart 2010 is vervolgens besloten dat het ontslagvoornemen zou worden uitgevoerd, omdat uit de zienswijze van appellant geen argumenten naar voren waren gekomen die tot een herziening van dat voornemen of tot twijfel aan de conclusies van het onderzoek aanleiding gaven. Het ontslagbesluit is op 2 maart 2010 verzonden. Het ontslag is niet met onmiddellijke ingang, maar met ingang van 16 maart 2010 gegeven. Ter zitting heeft het college ter verklaring hiervan naar voren gebracht dat appellant enige tijd is gegund om via een gerechtelijke procedure een voorlopige voorziening te verkrijgen.

4.3.3.

Uit de hiervoor weergegeven gang van zaken volgt dat het gedrag van appellant voor het college een dringende reden vormde om tot ontslag over te gaan. Wellicht hadden de periodes die lagen tussen de diverse momenten waarop het college besluiten heeft genomen korter kunnen zijn, maar er is geen moment aan te wijzen waarop bij appellant de indruk kan zijn ontstaan dat dit anders was. De verklaring van appellant ter zitting dat hij steeds de indruk heeft gehad dat hij zou worden ontslagen, vormt hiervoor een bevestiging.

4.3.4.

Dat appellant niet is geschorst, maar zijn werkzaamheden tot eind januari 2010 vanuit huis heeft voortgezet, betekent niet dat een dringende reden ontbreekt. Gezien de voorwaarden die aan het thuiswerken waren verbonden was duidelijk dat het college het gedrag van appellant zeer hoog opnam, maar tegelijkertijd tot een zorgvuldig besluit wilde komen. De door het college gemaakte rechtspositionele keuze ten aanzien van het thuis blijven werken en het verlenen van betaald verlof betekenen daarom niet dat het college geen dringende reden aanwezig achtte. Dat appellant niet met onmiddellijke ingang, maar op een termijn van twee weken is ontslagen, duidt daar evenmin op. De ter zitting gegeven verklaring voor deze termijn is aanvaardbaar.

4.4.

Uit 4.2. tot en met 4.3.4 volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2013.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) K.E. Haan

EH


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature