Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online

U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

taxivergunning voor de Amsterdamse opstapmarkt

artikel 3.3, lid 1, onder b, van de Taxiverordening Amsterdam 2012 + artikel 2.12, eerste lid, onder g

juistheid proces-verbaal

belangenafweging

Uitspraak



uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 14/372

14914

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 november 2015 in de zaak tussen [naam] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. L.F. Jagtenberg)

en

burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerders

(gemachtigde: mr. J. van Westing).

Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2013 (het primaire besluit) hebben verweerders de taxivergunning van appellant voor de Amsterdamse opstapmarkt op grond van de Taxiverordening Amsterdam 2012 ingetrokken.

Bij besluit van 12 mei 2014 (het bestreden besluit) hebben verweerders het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerders hebben een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerders hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. De intrekking van de taxivergunning voor de Amsterdamse opstapmarkt is gebaseerd op artikel 3.3, eerste lid, onder b, van de Taxiverordening Amsterdam 2012. Ingevolge deze bepaling, voor zover hier van belang, kunnen verweerders overtreding van het bepaalde bij artikel 2.12 sanctioneren met intrekking van de vergunning. In artikel 2.12, eerste lid, onder g, van de Taxiverordening Amsterdam 2012 – met als kopje 'Toelatingseisen chauffeur' – is bepaald dat voor een vergunning de chauffeur in ieder geval in een periode van twee jaar voorafgaand aan het indienen van een aanvraag voor een vergunning zich zodanig heeft gedragen, dat naar het oordeel van verweerders de kwaliteit van taxivervoer niet onevenredig is of wordt aangetast.

2. Verweerders hebben aan de intrekking ten grondslag gelegd dat appellant gedrag heeft vertoond waarmee hij de verkeersveiligheid en dus de kwaliteit van taxivervoer heeft aangetast. Dat gedrag is vermeld in een proces-verbaal van bevindingen door twee politie‑agenten.

3. Appellant heeft in beroep een deel van de bevindingen niet betwist: hij geeft toe dat hij iets te hard heeft gereden, dat niet uitgesloten is dat hij een keer vergeten is om zijn richtingaanwijzer te gebruiken en dat hij bij het invoegen (om gevaar te vermijden) twee touringcars rechts heeft ingehaald. Hij stelt niettemin dat niet duidelijk is op welke wijze de politie‑agenten dit gedrag hebben geconstateerd, aangezien ze ruim 150 meter achter hem reden. Dit geldt ook voor wat hij uitdrukkelijk heeft betwist, namelijk het bumperkleven en dat hij op een vluchtstrook reed terwijl op het matrixbord boven de strook een kruis stond. Hij heeft daarbij foto's overgelegd van de verkeerssituatie ter plaatse.

4. In beginsel mogen verweerders afgaan op de inhoud van een proces-verbaal van bevindingen. Indien de juistheid van de waarnemingen gemotiveerd wordt betwist, ligt het op de weg van verweerders om zich in het kader van hun besluitvorming van die juistheid te vergewissen. Daarbij zal doorgaans van belang zijn de wijze waarop de bedoelde waarnemingen in het proces-verbaal zijn weergegeven en onderbouwd, alsmede de aard van de waarneming en daarbij in het bijzonder in welke mate die waarneming waarderende elementen kent.

5. In dit geval heeft appellant het gedrag dat in het proces-verbaal is vermeld, in de zienswijze over het voornemen tot intrekking en in het bezwaarschrift tegen de intrekking erkend. Verweerders zijn dan ook bij het bestreden besluit niet ingegaan op de juistheid van de bevindingen in het proces-verbaal. Pas in beroep heeft appellant een deel van het gedrag betwist. Voor zover appellant in beroep de betwisting motiveert, met name ten aanzien van de algemene verkeerssituatie ter plaatse, stelt het College vast – op grond van foto's die verweerders ter zitting hebben overgelegd en waarnemingen op basis van Google Maps – dat de betwisting niet wordt ondersteund door objectieve gegevens met betrekking tot de verkeerssituatie ter plaatse. Appellant stelt namelijk dat de matrixborden pas nadat de uitvoegstrook is overgegaan in een spitsstrook, aangeven of men erop kan doorrijden of niet. Vastgesteld moet echter worden dat al vóór die plaats – namelijk bij de afrit – boven de rijkstroken matrixborden hangen. Ook de enkele stelling van appellant dat een afstand van ruim 150 meter waarop de politie-agenten zich achter hem in het verkeer bevonden, te groot zou zijn om zijn verkeersgedrag te kunnen beoordelen, volgt het College niet. Die stelling baseert appellant op zijn eigen inschatting dat de politie-agenten die achter hem reden zijn rijgedrag niet goed konden waarnemen omdat het op het moment van de waarneming (omstreeks 22.00 uur) daarvoor te druk was op de weg. Deze niet nader onderbouwde stelling van appellant is onvoldoende om te twijfelen aan het waarheidsgehalte van de in het proces‑verbaal opgenomen waarnemingen van de verbalisanten. Gelet hierop is het College van oordeel dat verweerders bij het nemen van het bestreden besluit mochten uitgaan van de juistheid van het proces-verbaal. Zij mochten daarop hun oordeel baseren dat appellant zich zodanig heeft gedragen dat de kwaliteit van taxivervoer onevenredig is aangetast.

6. Appellant heeft voorts gesteld dat zijn gedrag was ingegeven door het plotselinge vertrek van zijn echtgenote naar Turkije vanwege het overlijden van haar oma. Appellant wilde haar nog op Schiphol treffen voordat het vliegtuig zou vertrekken.

Het College is van oordeel dat een dergelijke (persoonlijke) omstandigheid, wat daar ook van zij, geen rechtvaardiging kan vormen voor te hard rijden, richtingaanwijzer niet gebruiken, bumperkleven en over de vluchtstrook rijden als deze niet in gebruik is als spitsstrook.

7. Appellant heeft verder naar voren gebracht dat de intrekking onevenredig nadelige gevolgen voor hem heeft. Hij heeft er daarbij op gewezen dat er nooit eerder klachten waren over de kwaliteit van het taxivervoer, dat de overtredingen niet exceptioneel waren, dat hij daarvoor al een bekeuring heeft gekregen van € 360,--, en een cursus heeft moeten volgen in het kader van de Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (EMG) die drie dagdelen heeft geduurd en € 954, heeft gekost.

8. Het College stelt voorop dat deze (strafrechtelijke) gevolgen van de door appellant gepleegde verkeersovertredingen, de bevoegdheid van verweerders om als gevolg van de overtredingen de taxivergunning in te trekken onverlet laat. Het College is voorts van oordeel dat verweerders in redelijkheid tot de intrekking hebben kunnen komen. Blijkens het bestreden besluit hebben zij enerzijds vastgesteld dat het gedrag van appellant onmiskenbaar als ernstig gevaarzettend en asociaal kan worden aangemerkt, waarvoor het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen een EMG heeft opgelegd. Anderzijds hebben zij vastgesteld dat de intrekking er niet aan in de weg staat dat appellant buiten Amsterdam kan werken, en dat hij binnen Amsterdam vervoersdiensten op de bel- en contractmarkt kan aanbieden. Het College volgt verweerders in hun oordeel dat van een onevenredige benadeling door de intrekking van de taxivergunning voor de Amsterdamse opstapmarkt daarom geen sprake is.

9. Voorzover appellant ter zitting nog heeft aangevoerd dat de intrekking van zijn vergunning hem mogelijk in de toekomst kan worden tegengeworpen constateert het College dat dit argument feitelijke grondslag mist. Ter zitting is komen vast te staan dat appellant inmiddels over een nieuwe taxivergunning voor de Amsterdamse opstapmarkt beschikt. Verweerders hebben een nieuwe aanvraag van appellant inmiddels gehonoreerd omdat de gedragingen die aanleiding vormden voor de hier bestreden intrekking, dateerden van vóór de periode van twee jaar voorafgaand aan het indienen van de nieuwe aanvraag

10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir, in aanwezigheid van mr. M.B.L. van der Weele, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 november 2015.

w.g. H.A.B. van Dorst-Tatomir w.g. M.B.L. van der Weele


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature